Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:21

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-01-2019
Datum publicatie
01-02-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 7907
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Marktvergunning; persoonlijk innemen standplaats

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

REchtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR AWB 18/7907

uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 januari 2019 op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[verzoeker], te [plaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. M.C. van Meppelen Scheppink),

tegen

het college van Burgemeester en Wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: H.A.P. Rosema).

Procesverloop

Bij besluit van 23 november 2018 heeft verweerder de marktvergunning van eiser van de standplaatsen [1], [2] en [3] (maandag) en [4], [1], [2] en [3] (woensdag, vrijdag en zaterdag) op het marktterrein aan de [straat] per 15 december 2018 ingetrokken.

Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft de werking van het besluit opgeschort totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 december 2018. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Voorts is ter zitting verschenen [X], de compagnon van verzoeker.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2 Verweerder heeft aan het besluit tot intrekking van de marktvergunningen ten grondslag gelegd dat sprake is van overtreding van artikel 3:2, derde lid van het Marktreglement, omdat gebleken is dat verzoeker zijn standplaats niet persoonlijk inneemt gedurende de gehele marktdag.

3 Verzoeker stelt dat zijn bezwaar kans van slagen heeft, nu hij heeft verzocht om overschrijving van de vergunning op naam van zijn compagnon, en daarbij – voor zover overdracht in strijd zou zijn met het Branchebesluit – een beroep heeft gedaan op bijzondere omstandigheden die nopen tot afwijking van artikel 2:3 van het Marktreglement. Op het verzoek om overschrijving is nog niet beslist. Verzoeker heeft verder gewezen op artikel 3:2, negende lid, van het Marktreglement, volgens welke kan worden afgeweken van de verplichting tot het persoonlijk innemen van een standplaats. Verzoeker is afwezig omdat hij arbeidsongeschikt is door ziekte.

Verder heeft verzoeker betoogd dat het intrekking van de marktvergunningen in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, omdat deze tot gevolg zal hebben dat de onderneming van eiser (en zijn compagnon) moet worden beëindigd. Ten slotte heeft verzoeker zich op het standpunt gesteld dat de geboden begunstigingstermijn onredelijk kort is. Verzoeker wijst daarbij op de komende kerst- en nieuwjaarsperiode en het feit dat de opzegtermijn van de huurovereenkomst voor de standplaatsen drie maanden bedraagt.

4 Artikel 3:2 van het Marktreglement Den Haag 2016 (hierna: het Marktreglement) luidt als volgt.

1. De vaste vergunninghouder is verplicht om zijn standplaats ten minste iedere vergunde marktdag 46 maal per kalenderjaar in te nemen. Bij vergunningverlening lopende het kalenderjaar, geldt de verplichting voor dat jaar naar evenredigheid.

2. Onder het innemen van de standplaats als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan: het ingericht en verkoopklaar hebben van de standplaats.

3. De vaste vergunninghouder neemt zijn standplaats persoonlijk in gedurende de gehele marktdag. Voor maximaal de helft van de in het eerste lid bedoelde aantal, kan de vaste vergunninghouder zich laten vervangen door een vervanger.

4. Als vervanger van de vergunninghouder mag niet optreden een vergunninghouder die dezelfde marktdag op dezelfde markt een standplaats inneemt.

5. Een vaste vergunninghouder die zijn standplaats niet inneemt of niet in laat nemen door zijn vervanger meldt dit uiterlijk om 07:15 uur op de betreffende marktdag bij de dienstdoende marktmeester(s).

6. Een vaste vergunninghouder die zijn standplaats in laat nemen door zijn vervanger meldt dit uiterlijk om 07:15 uur op de betreffende marktdag bij de dienstdoende marktmeester(s).

7. De vaste vergunninghouder of diens vervanger neemt uiterlijk bij aanvang van de markt de standplaats in.

8. De ingeschrevene als bedoeld in artikel 5, eerste lid onder b en c van de verordening neemt uiterlijk een half uur na aanvang van de markt de standplaats in.

9. In geval van bijzondere omstandigheden kan door burgemeester en wethouders worden afgeweken van het eerste lid.

Ingevolge de Beleidsregels sancties markten Den Haag 2017 geldt overtreding van artikel 3.2, derde lid, van het Marktreglement als zware overtreding en volgt hierop (als eerste sanctie) het intrekken van de vergunning.

Ingevolge artikel 5:2 (overgangsrecht), tweede lid, aanhef en onder b, van het Marktreglement kan de vaste vergunninghouder vanaf vijf jaar na verkrijging van een marktvergunning verzoeken om intrekking als bedoeld in artikel 14, eerste lid onder a van de verordening, van deze marktvergunning onder de voordracht van een nieuwe vergunninghouder, mits er geen sprake is van een kenbaar gemaakt voornemen, om de marktvergunning van de standplaatshouder in te trekken.

Ingevolge artikel 2:3 van het Marktreglement kan op een aanvraag om een marktvergunning voor een vaste standplaats in ieder geval afwijzend worden beslist, indien de aanvraag in strijd is met het Branchebesluit.

5 De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker niet heeft betwist dat hij niet heeft voldaan aan de in artikel 3.2, derde lid, van het Marktreglement neergelegde verplichting om de standplaats persoonlijk in te nemen.

Verweerder was daarom in beginsel bevoegd om handhavend op te treden.

Gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

De voorzieningenrechter overweegt dat op grond van artikel 3.2, derde lid, in geval van bijzondere omstandigheden door verweerder kan worden afgeweken van het eerste lid van het Marktreglement, doch niet van het derde lid.

Voorts wordt overwogen dat op dit moment geen zicht op legalisatie bestaat, nu verweerder heeft aangegeven dat intrekking van de marktvergunning onder de voordracht van een nieuwe vergunninghouder, te weten verzoekers compagnon, niet mogelijk is, nu er sprake was van een reeds kenbaar gemaakt voornemen om de marktvergunning van de standplaatshouder in te trekken. Voorts zal volgens artikel 2:3 van het Marktreglement op de aanvraag om een marktvergunning voor een vaste standplaats afwijzend worden beslist, nu de aanvraag in strijd is met het Branchebesluit.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn de door verzoeker genoemde persoonlijke omstandigheden niet dermate uitzonderlijk dat het handhavend optreden door verweerder onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. Verweerder heeft verzoeker herhaaldelijk gewezen op de verplichting om zijn standplaats persoonlijk in te nemen. Verzoeker was derhalve op de hoogte van de gevolgen die een volgende constatering van het niet voldoen aan deze verplichting voor hem zou hebben. Desondanks heeft hij zijn standplaats regelmatig niet persoonlijk ingenomen op de dagdelen waarop dat vereist was.

De voorzieningenrechter komt tot het voorlopig oordeel dat verweerder de standplaatsvergunningen van verzoeker in redelijkheid heeft kunnen intrekken. Uit hetgeen verzoeker heeft aangevoerd kan niet worden afgeleid dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.

Verweerder kan nog gevraagd worden waarom het feit dat de opzegtermijn van de huurovereenkomst voor de standplaatsen drie maanden bedraagt niet wordt betrokken bij de begunstigingstermijn.

6 De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek om een voorlopige voorziening af.

7 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. van Zeben-de Vries, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.G. Egter van Wissekerke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 januari 2019.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.