Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:2091

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-02-2019
Datum publicatie
06-03-2019
Zaaknummer
NL19.902
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel, Irak, Koerdische Autonome Republiek, KAR, christen, afvallige, 3 EVRM, kwetsbare minderheidsgroep.

Samenvatting:

Beroep tegen besluit afwijzing aanvraag vbv asiel en uitvaardiging inreisverbod. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zijn conclusie dat eiser bij terugkeer naar woonplaats, Irak, niet te vrezen heeft voor vervolging en dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM onvoldoende heeft gemotiveerd. Verweerder heeft zijn conclusie gebaseerd op het Ambtsbericht 2016 en het Ambtsbericht 2018. Hieruit heeft verweerder afgeleid dat de situatie voor bekeerlingen in de Koerdische Autonome Republiek (KAR) beter is dan die voor bekeerlingen in Zuid- en Centraal Irak. Uit de genoemde ambtsberichten volgt niet wat het concreet inhoudt dat de situatie in de KAR beter is. Dat is voor eiser juist zeer van belang, zeker in het licht van de omstandigheid dat verweerder christenen uit Zuid- en Centraal Irak aanmerkt als kwetsbare minderheidsgroepen en de situatie in die gebieden voor christenen dus – kort gezegd – niet per definitie goed is. Verder heeft verweerder ten onrechte nagelaten te motiveren hoe het Ambtsbericht 2018 zich verhoudt tot de omstandigheid dat eiser evangeliserende activiteiten verricht. Eiser heeft terecht opgemerkt dat die activiteiten naar hun aard met zich brengen dat hij openlijk afstand doet van zijn geloof en hij volgens het Ambtsbericht 2018 dus te maken kan krijgen met eergerelateerd geweld. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het besluit en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op eisers aanvraag, met inachtneming van deze uitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL19.902

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. R.J.J. Flantua),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. M. Talsma).

Procesverloop

Bij besluit van 9 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), in samenhang gelezen met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw. Daarnaast heeft verweerder tegen eiser een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van twee jaar.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.903, plaatsgevonden op 1 februari 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Karem. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Eiser is van Iraakse nationaliteit. Hij is geboren op [1996] .

  2. Het asielrelaas van eiser van zijn opvolgende aanvraag bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

  • -

    de door eiser gestelde nationaliteit en identiteit;

  • -

    de door eiser gestelde bekering tot het christendom.

3. Verweerder vindt beide relevante elementen van eisers asielrelaas geloofwaardig. Verweerder meent echter dat eiser niet kan worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88, het Vluchtelingenverdrag), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967,

76). Ook vindt verweerder dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade.

4. Eiser voert primair aan dat verweerder een onjuiste woonplaats als uitgangspunt heeft genomen. Verweerder heeft namelijk [woonplaats] , gelegen in de Koerdische Autonome Republiek (KAR), als uitgangspunt genomen, terwijl dit [woonplaats] , gelegen in de provincie Mosul, had moeten zijn. Eiser verwijst in dit kader naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 2 december 2015 in zijn eerdere asielprocedure.1 Hieruit leidt eiser af dat de rechtbank [woonplaats] slechts heeft aangemerkt als zijn normale woon- en verblijfsplaats in het kader van de vraag of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vw. Daarbij heeft de rechtbank het criterium van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS)2 toegepast. Dat criterium is volgens eiser echter niet van toepassing bij de beoordeling of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of onder b, sub 1 en 2, van de Vw, de vraag die hier voorligt. Het is volgens eiser daarom onjuist dat verweerder de plaats [woonplaats] als uitgangspunt heeft genomen in de beoordeling. Het bestreden besluit is gelet hierop in strijd met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel genomen. Daar komt volgens eiser nog bij dat het hem in het vooruitzicht van het komende referendum nooit zal worden toegestaan zich in de KAR te vestigen. Eiser verwijst in dit kader naar het artikel “Kurdistan, Article 140 is now top priority: PUK counterterror chief” van 6 mei 2018.3 Desgevraagd heeft de gemachtigde van eiser ter zitting toegelicht dat de omstandigheid dat hij meent dat eiser op basis hiervan niet kan terugkeren baseert op zijn eigen ervaring.

5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat [woonplaats] terecht als uitgangspunt is genomen in de beoordeling in het bestreden besluit. Dat hij die woonplaats heeft staat namelijk in rechte vast. Bovendien doet volgens verweerder niet ter zake in welk juridisch kader hij deze woonplaats heeft, aangezien hij hoe dan ook deze woonplaats heeft. Over eisers stelling dat hij niet kan terugkeren naar de KAR vanwege het referendum merkt verweerder op dat deze vergaande conclusie niet kan worden gebaseerd op het overgelegde artikel.

6. De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat [woonplaats] in het bestreden besluit terecht als uitgangspunt is genomen in de beoordeling. Dit volgt immers uit de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle van 2 december 2015. De rechtbank heeft daarbij alle feiten en omstandigheden die van belang zijn betrokken. Op basis van wat eiser nu heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding daar anders over te oordelen. Dat eiser zich niet in de KAR zou kunnen vestigen vanwege een referendum kan niet worden afgeleid uit het door hem overgelegde artikel. Dat zijn gemachtigde de stelling kan onderschrijven op basis van zijn eigen ervaring vindt de rechtbank onvoldoende voor een andere conclusie. Het is de rechtbank niet gebleken dat eisers gemachtigde wat dit onderwerp betreft als gezaghebbende bron moet worden beschouwd. De beroepsgrond slaagt niet.

7. Eiser voert subsidiair aan dat hij, vanwege zijn bekering tot het christendom, bij terugkeer naar [woonplaats] in de KAR te vrezen heeft voor vervolging, dan wel een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Hij vreest voor zijn ooms en voor de

autoriteiten. Zijn ooms hebben hem persoonlijk bedreigd. Dat hij niet exact kan aangeven welke problemen hij zal krijgen, betekent nog niet dat hij geen problemen zal krijgen bij terugkeer. Ook is hij persoonlijk bedreigd via social media. Hij verwijst in dit kader naar de overgelegde (chat-)berichten op Facebook en hij merkt op dat hij die chats onder de naam [naam] , wat staat voor [eiser] , voerde. Eiser meent verder dat hij in de KAR als belijdend christen en als bekeerling gevaar loopt, ook omdat hij als afvallige wordt gezien. Eiser wijst erop dat uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat van hem geen terughoudendheid mag worden verwacht bij de uitoefening van het geloof bij terugkeer naar het land van herkomst. Het vrijelijk belijden van het geloof is voor eiser echter niet mogelijk in de KAR. Anders dan verweerder heeft overwogen kan op basis van het Algemeen Ambtsbericht inzake Irak 2016 (het Ambtsbericht 2016) en het Algemeen Ambtsbericht inzake Irak 2018 (het Ambtsbericht 2018) niet worden geconcludeerd dat hij in de KAR in vrijheid zijn geloof kan belijden. Dat er volgens verweerder een kerk in [woonplaats] zou zijn, valt niet te controleren aangezien deze informatie in het ambtsbericht gebaseerd is op vertrouwelijke bronnen. Deze informatie komt bovendien in het Ambtsbericht 2018 niet meer terug. Uit het Ambtsbericht 2018, p. 61, volgt verder dat indien iemand al te openlijk afstand doet van zijn geloof, dit tot problemen kan leiden vanuit de familie of de gemeenschap, bijvoorbeeld in de vorm van eergerelateerd geweld. Eiser ziet niet in hoe dit valt te rijmen met zijn evangeliserende activiteiten. Dat het gevaarlijk is om zich als bekeerling in de KAR kenbaar te maken wordt bevestigd door de rapporten “IRAQ, International Religious Freedom report for 2017”,4 pagina 13 en “Iraq: Information on the treatment of atheists and apostates by society and authorities in [woonplaats] ; state protection available (2013-September 2016)” van 2 september 2016.5

8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser bij terugkeer naar [woonplaats] niet te vrezen heeft voor vervolging en dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM. Voor zover eiser heeft verwezen naar het Ambtsbericht 2016, het Ambtsbericht 2018 en andere bronnen, ontbreekt volgens verweerder een op eiser toegespitste onderbouwing over waar hij concreet voor vreest. De enkele stelling dat hij vreest voor zijn ooms en de autoriteiten en dat hij persoonlijk is bedreigd door zijn ooms vindt verweerder onvoldoende. Wat de bedreigingen op social media betreft merkt verweerder op dat niet duidelijk is geworden dat de bedreigingen op zijn persoon zien. Verweerder volgt eiser verder niet in zijn betoog dat hij bij terugkeer naar de KAR te vrezen heeft omdat hij bekeerling is en als afvallige zou worden gezien. Verweerder wijst er op dat eiser niet heeft gesteld dat hij van plan is al te openlijk zijn geloof te belijden. Van eiser verwacht verweerder geen terughoudendheid, maar wel dat hij zich niet anders gaat gedragen dan hij al deed en doet. Verder merkt verweerder op dat eiser in Irak al een niet-praktiserend moslim was en hij in die hoedanigheid, anders dan met zijn vader, geen problemen heeft ondervonden. Over de situatie in de KAR merkt verweerder op dat het daar beter is gesteld voor christenen ten opzichte van andere delen in Irak. Het zal daar voor eiser mogelijk zijn het christelijk geloof te belijden, bijvoorbeeld door een kerk te bezoeken. In het Ambtsbericht 2016 staat namelijk dat van de stad [woonplaats] bekend is dat er een kerk is waar vooral bekeerlingen naar diensten komen. Uit de openbare informatie volgt dat in de KAR ruimte is voor andere geluiden. Ten aanzien van eisers evangeliserende activiteiten wordt aangenomen dat betrokkene dit zal

doen zoals hij dat ook in Nederland deed. Zo heeft betrokkene geprobeerd mensen in zijn omgeving te evangeliseren maar is hij ook tot de conclusie gekomen dat mensen een eigen keuze hebben. Een dergelijke houding wordt ook van eiser verwacht in de KAR.

9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zijn conclusie dat eiser bij terugkeer naar [woonplaats] niet te vrezen heeft voor vervolging en dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM onvoldoende heeft gemotiveerd. Daartoe is het volgende van belang.

10. Verweerder heeft zijn conclusie gebaseerd op het Ambtsbericht 2016 en het Ambtsbericht 2018. Hieruit heeft verweerder afgeleid dat de situatie voor bekeerlingen in de KAR beter is dan die voor bekeerlingen in Zuid- en Centraal Irak.

Over de situatie in de KAR is in het Ambtsbericht 2016 op pagina 68 vermeld:

“Atheïsten kunnen zich in Irak niet vrij uiten uit angst voor geweldpleging of zelfs vermoord te worden door conservatieve moslims of medeburgers en komen in het geheim samen. Dit hangt samen met de ongewenstheid in de Iraakse samenleving om kritiek te uiten op de islam. Hoewel ook beperkt, zou men in de Koerdische regio een lichtelijk betere positie hebben dan in federaal Irak vanwege een minder prominente rol van religie in de Koerdische samenleving.”

Over de situatie in de KAR is in het Ambtsbericht 2018 op pagina 59 vermeld:

“In de KAR is de situatie voor religieuze minderheden beter. Een christelijke bron betitelde de KAR als ’een eiland van hoop’ vergeleken bij de rest van Irak. Wetgeving beschermde de rechten van minderheden. Het belangrijkste verschil was dat de sociale omgeving totaal verschilde met andere delen van Irak. In andere delen van Irak zou de sociale omgeving geheel zijn geïslamiseerd waardoor minderheden zich gemarginaliseerd zouden voelen. […]

Etnische en religieuze minderheden in Irak werden geconfronteerd met ernstige veiligheidsproblemen en met discriminatie”

Daargelaten de vraag of deze paragraaf in het Ambtsbericht 2018 ook ziet op bekeerlingen, het betreft immers de paragraaf over etnische en religieuze minderheden, blijkt hieruit – en ook uit het Ambtsbericht 2016 – niet wat het concreet inhoudt dat de situatie in de KAR beter is. Dat is voor eiser juist zeer van belang, zeker in het licht van de omstandigheid dat verweerder christenen uit Zuid- en Centraal Irak aanmerkt als kwetsbare minderheidsgroepen en de situatie in die gebieden voor christenen dus – kort gezegd – niet per definitie goed is. Verder heeft verweerder overwogen dat eiser de problemen die hij meent te verwachten van de zijde van zijn ooms niet heeft geconcretiseerd. Uit het Ambtsbericht 2018, pagina 61, volgt echter dat indien iemand al te openlijk afstand doet van zijn geloof, dit kan leiden tot problemen vanuit de familie of de gemeenschap, bijvoorbeeld in de vorm van eergerelateerd geweld. Anders dan verweerder meent, sluit dit juist (enigszins) aan op dat wat eiser heeft gesteld. Daarbij is ook van belang dat verweerder in het bestreden besluit – anders dan verweerders gemachtigde ter zitting heeft gesteld – de bedreiging door de ooms van eiser niet heeft betwist. Verder heeft verweerder ten onrechte nagelaten te motiveren hoe de hiervoor benoemde passage in het Ambtsbericht 2018 zich verhoudt tot de omstandigheid dat eiser evangeliserende activiteiten verricht. Eiser heeft

terecht opgemerkt dat die activiteiten naar hun aard met zich brengen dat hij openlijk afstand doet van zijn geloof en hij volgens het Ambtsbericht 2018 dus te maken kan krijgen met eergerelateerd geweld. In het Ambtsbericht 2016 wordt verder over bekeerlingen vermeld dat in [woonplaats] en [woonplaats] , steden in de KAR, twee kerken staan waar bekeerlingen samenkomen. Daargelaten de vraag wat voor kerken dit zijn, bijvoorbeeld schuilkerken, en of eiser hier in alle openheid (zonder terughoudendheid) naar toe kan gaan, is dit enkele feit onvoldoende voor de conclusie dat bekeerlingen zich zonder grote problemen kunnen handhaven in de KAR. Hoewel de rechtbank verweerder wel volgt in het standpunt dat onduidelijk is gebleven of de bedreigingen via social media daadwerkelijk aan eiser zijn gericht en of eiser in de echte wereld daadwerkelijk identificeerbaar zou zijn voor zijn bedreigers, doet dit enkele aspect niet af aan het hiervoor geconstateerde motiveringsgebrek. De beroepsgrond slaagt.

11. De aanvraag is ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Daarmee is ook het door verweerder uitgevaardigde inreisverbod van tafel. Er bestaat gelet hierop geen aanleiding om de door eiser in dit kader aangevoerde beroepsgrond te bespreken. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

12. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van

€ 512,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.024,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. O. Veldman, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P.A. ter Schure, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1. Zaaknummer AWB 15/20219. De uitspraak is niet gepubliceerd.

2 De uitspraak van de ABRvS van 18 september 2012, zaaknummer 201100976/1/V2, ECLI:NL:RVS:2012:357, te raadplegen via www.raadvanstate.nl.

3 Zoals ter zitting door de gemachtigde is toegelicht: te raadplegen via www.rudaw.net.

4 Zonder bronvermelding. De rechtbank begrijpt: United States Department of State, http://www.state.gov/j/drl/rls/irf/religiousfreedom/index.htm?year=2017&dlid=280984.5 Bron: Canada: Immigration and Refugee Board of Canada, https://www.refworld.org/docid/57dfa5444.html.