Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:2016

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-02-2019
Datum publicatie
11-03-2019
Zaaknummer
C/09/561227 / HA ZA 18-1029
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Intellectueel eigendom; incident tot zekerheidstelling afgewezen. Geslaagd beroep op 224 lid 2 aanhef en onder a Rv

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/561227 / HA ZA 18-1029

Vonnis in incident van 6 februari 2019

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [plaats 1] (Turkije), te dezer zake woonplaats kiezend te [plaats 2] ,

eiser in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat mr. L.J. Gravendeel te Hilversum,

tegen

1 HAVENSLUIS B.V.,

te Hoofddorp,

2. 010 VISION B.V.,

te Hoofddorp,

gedaagden in de hoofdzaak,

eiseressen in het incident,

advocaat mr. A.J. Verbeek te Haarlem.

Partijen zullen hierna [eiser] en Havensluis B.V. c.s. genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 7 september 2018;

  • -

    producties 1 tot en met 34 zijdens [eiser] ;

  • -

    de incidentele conclusie vóór alle weren, ingediend door Havensluis B.V. c.s., van 5 december 2018;

  • -

    de antwoordakte in het incident van 19 december 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 Het geschil in de hoofdzaak

2.1.

[eiser] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

Primair:

2.1.1.

Havensluis B.V. c.s. beveelt elk gebruik van de benaming “Vestival” te staken en gestaakt te houden, waaronder begrepen het staken en gestaakt houden van gebruik van begripsmatige, visuele of fonetische (nagenoeg) identieke uitingen;

2.1.2.

Havensluis B.V. c.s. beveelt tot overdracht van de sociale media accounts Facebook, Twitter en Instagram met de namen Vestival, Vestivalglobal, Vestival urban of andere nieuwe varianten;

2.1.3.

Havensluis B.V. c.s. beveelt tot overdacht aan [eiser] van de Benelux- en Uniemerknamen ‘Vestival’;

2.1.4.

elk van gedaagden beveelt om ten aanzien van de benaming “Vestival” aan de raadsman van [eiser] schriftelijk opgave te doen van de gegevens zoals omschreven in het petitum van de dagvaarding;

2.1.5.

bepaalt dat de tenaamstelling van het domein www.vestival.eu op naam van [eiser] blijft gehandhaafd;

2.1.6.

een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom;

Subsidiair:

2.1.7.

al hetgeen onder primair is gevorderd aangepast zal toewijzen op naar het oordeel van de rechtbank passende wijze;

2.1.8.

bepaalt dat Havensluis B.V. c.s. wordt bevolen het voeren van een oneerlijke handelspraktijk, bestaande uit het zich online dan wel offline uiten over de merknamen van [eiser] in verband met muziekevenementen, te staken;

Zowel primair als subsidiair:

Havensluis B.V. c.s. hoofdelijk veroordeelt in de werkelijke kosten van dit geding ex artikel 1019h van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

2.2.

[eiser] legt aan deze vorderingen – samengevat – het volgende ten grondslag. [eiser] is rechthebbende op diverse Benelux woord- en beeldmerken, handelsnaamrechten en auteursrechten waarin de benaming ‘Vestival’ voorkomt. Havensluis B.V. c.s. maakt zonder toestemming van [eiser] gebruik van deze benaming en maakt daarmee inbreuk op de intellectueel eigendomsrechten van [eiser] .

2.3.

Havensluis B.V. c.s. heeft in de hoofdzaak nog niet geconcludeerd voor antwoord, maar eerst het hierna te bespreken incident opgeworpen.

3 Het geschil in het incident

3.1.

Havensluis B.V. c.s. vordert – samengevat – dat [eiser] wordt veroordeeld tot het stellen van zekerheid voor de proceskosten van Havensluis B.V. c.s. door betaling van een bedrag van € 40.936,-, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, over te maken op de rekening van Stichting Derdengelden van de advocaat van Havensluis B.V. c.s., met veroordeling van [eiser] in de kosten van dit incident.

3.2.

Havensluis B.V. c.s. legt aan deze vordering ten grondslag dat [eiser] blijkens de dagvaarding woonachtig is op een adres in [plaats 1] , Turkije en dus buiten Nederland. Havensluis B.V. c.s. heeft onderzoek gedaan naar het betreffende adres en geconstateerd dat het adres niet vindbaar is. Havensluis B.V. c.s. vreest dat zij niet in staat zal zijn het vonnis te betekenen of om enige vordering op [eiser] te verhalen.

3.3.

[eiser] voert gemotiveerd verweer en concludeert tot niet ontvankelijkverklaring van Havensluis B.V. c.s. in het incident dan wel tot afwijzing van de vordering in het incident, met veroordeling van Havensluis B.V. c.s. in de kosten van dit incident. [eiser] stelt dat de uitzondering van artikel 224 lid 2 aanhef en onder a Rv zich voordoet, omdat Nederland en Turkije beide partij zijn bij een verdrag als bedoeld in voornoemd wetsartikel.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in het incident

4.1.

Krachtens het bepaalde in artikel 224 lid 1 Rv is een partij zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland op vordering van de wederpartij verplicht zekerheid te stellen voor de proceskosten en de schadevergoeding tot betaling waarvan hij zou kunnen worden veroordeeld, tenzij er sprake is van één van de uitzonderingen zoals vermeld in artikel 224 lid 2 aanhef en onder a tot en met d Rv.

4.2.

Tussen partijen is weliswaar in geschil dat het door [eiser] in de dagvaarding vermelde adres in [plaats 1] bestaat, maar niet dat [eiser] nu in Turkije woont. Gelet op deze woonplaats van [eiser] is hij in beginsel gehouden om zekerheid te stellen. [eiser] stelt evenwel dat de uitzondering van artikel 224 lid 2 aanhef en onder a Rv zich voordoet. Het beroep op deze uitzondering slaagt. Ingevolge artikel 17 Haags Rechtsvorderingsverdrag 1954, waarbij onder meer Nederland en Turkije verdragsluitende staten zijn, kan geen zekerheidsstelling worden opgelegd aan onderdanen van één van de verdragsluitende staten, die in één van die staten hun verblijfplaats hebben. [eiser] stelt dat hij de Turkse nationaliteit heeft. Havensluis B.V. c.s. zegt daar in haar incidentele conclusie niets over, terwijl zij het beroep van [eiser] op genoemde uitzondering wel kon voorzien. De rechtbank gaat er derhalve van uit dat [eiser] de Turkse nationaliteit heeft, zodat deze uitzondering op hem van toepassing is. De incidentele vordering dient op deze grond te worden afgewezen.

4.3.

Havensluis B.V. c.s. zal als in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten in dit incident. In het incident is door [eiser] geen proceskostenvergoeding op de voet van artikel 1019h Rv gevorderd en is ook geen opgave gedaan van de volledige, in het incident gemaakte, kosten. De rechtbank begroot de kosten tot op heden aan de zijde van [eiser] derhalve conform het liquidatietarief op (1 punt) € 543,-.

4.4.

De hoofdzaak zal worden verwezen naar de rol voor het nemen van een conclusie van antwoord aan de zijde van Havensluis B.V. c.s..

5 De beslissing

De rechtbank

in het incident

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt Havensluis B.V. c.s. in de kosten van het incident, begroot op € 543,-;

5.3.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in de hoofdzaak

5.4.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 20 maart 2019 voor conclusie van antwoord.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.M. Bus en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2019.