Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:1995

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-02-2019
Datum publicatie
05-04-2019
Zaaknummer
NL19.2372
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel veilig land van herkomst – Algerije. Relatie met een meisje + familieproblemen. Niet gebleken dat Algerije in eisers situatie geen vlh is. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.2372


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. E.W.B. van Twist),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. H. Remerie).


Procesverloop
Bij besluit van 1 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.2373, plaatsgevonden op 26 februari 2019. Eiser en zijn gemachtigde zijn met bericht van verhindering niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Algerijnse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] 1994. Op 17 januari 2019 heeft eiser een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.

2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in Algerije problemen heeft ondervonden met zijn familie omdat zij het niet eens waren met de relatie die eiser met een meisje had. Eiser wilde met haar trouwen maar haar familie keurde dit niet goed. Eiser is geslagen door de broers van het meisje vanwege hun onvrede over de relatie.

3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

  • -

    Identiteit, nationaliteit en herkomst;

  • -

    Familieproblemen vanwege een relatie met een meisje.

4. Verweerder heeft de elementen geloofwaardig geacht. Verweerder beschouwt Algerije als een veilig land van herkomst. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat Algerije ten aanzien van hem persoonlijk zijn verdragsverplichtingen niet nakomt en Algerije daarom in zijn geval niet als veilig land van herkomst kan worden beschouwd. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat, indien er zich problemen voordoen in Algerije, er voor hem geen mogelijkheid bestaat om tegen deze problemen de bescherming van de autoriteiten in te roepen.

5. Eiser kan zich met deze beslissing niet verenigen en meent dat in zijn geval Algerije niet als veilig land van herkomst kan gelden daar waar het problemen betreft op het raakvlak van cultuur en religie. Eisers problemen komen voort uit een verboden relatie met een meisje. Een dergelijke relatie is in Algerije verboden, de religie sanctioneert een dergelijk verbod. De overheid in Algerije is verweven met de in het land heersende religie. De overheid zal nooit optreden indien dat tegen de voorschriften van de religie ingaat. Dit is algemeen bekend en behoeft daarom niet nader onderbouwd te worden. Eiser kan dus geen bescherming van de autoriteiten krijgen.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

6.1

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 31 juli 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2052) is de rechtbank van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat Algerije in zijn specifieke geval niet kan gelden als een veilig land van herkomst. De enkele stelling dat het een feit van algemene bekendheid is dat de overheid in Algerije is verweven met de islamitische religie en daarom nooit zal optreden indien dat tegen in die religie geldende religieuze voorschriften ingaat, is daartoe onvoldoende. Voorts overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat eiser getracht heeft in Algerije bescherming van de autoriteiten te verkrijgen. De beroepsgrond kan niet slagen.

7. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Kroon - Overdijk, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.