Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:1927

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
05-03-2019
Zaaknummer
NL19.476
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Vereenvoudigde behandeling
Inhoudsindicatie

Beroep buiten zitting tegen het niet tijdig beslissen door verweerder. Beroep gegrond. Dwangsom opleggen. Twee weken beslistermijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.476

V-nummer: [nummer]


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. M.J. Paffen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Op 9 januari 2019 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag door verweerder. Op 9 januari heeft eiser nadere gronden van beroep ingediend.

Verweerder heeft op 11 februari 2018 een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

2. Tegen het niet tijdig beslissen op een aanvraag kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank1. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen2.

3. In artikel 4:17, eerste lid, van de Awb is bepaald dat indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, het bestuursorgaan een dwangsom verbeurt voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing. Ingevolge het tweede lid bedraagt de dwangsom de eerste veertien dagen € 20 per dag, de daarop volgende veertien dagen € 30 per dag en de overige dagen € 40 per dag. Ingevolge het derde lid is de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

4. Op 5 juni 2018 heeft eiser een kennisgeving voor een opvolgende asielaanvraag ingediend (formulier M35-O), door verweerder ontvangen op 12 juni 2018. Het indienen van de kennisgeving is een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb3. Uit artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 volgt dat binnen zes maanden na ontvangst van de asielaanvraag een beschikking gegeven wordt. Op 20 augustus 2018 heeft eiser bericht ontvangen van verweerder dat zijn asielaanvraag verder behandeld zal worden in de verlengde asielprocedure (VA). De beslistermijn verliep op 12 december 2018.

5. Eiser heeft verweerder op 13 december 2018 in gebreke gesteld. Deze ingebrekestelling heeft verweerder op 14 december 2018 ontvangen. Vervolgens heeft eiser op 9 januari 2019 dit beroep ingesteld.

6. Verweerder heeft in zijn verweerschrift van 11 februari 2018 aangevoerd dat het beroep terecht is ingediend en dat de ingebrekestelling van 13 december 2018 geldig is. Verweerder voert daarnaast aan dat eiser sinds 2 januari 2019 recht heeft op een dwangsom in de zin van artikel 4:17 van de Awb. Een concrete datum waarop eiser een besluit tegemoet kan zien kan door verweerder nog niet worden gegeven.

7. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep gegrond.

8. Verweerder heeft de hoogte van de dwangsom niet vastgesteld. De rechtbank doet dit met toepassing van artikel 8:55c van de Awb alsnog. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval dwangsom verschuldigd vanaf 29 december 20184. Tot op heden zijn meer dan 42 dagen verstreken zonder dat verweerder een beslissing op de aanvraag heeft genomen. De rechtbank oordeelt dan ook dat verweerder op grond van artikel 4:17, tweede lid, van de Awb het maximale bedrag van € 1260 heeft verbeurd.

9. In artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien het beroep gegrond is en nog geen besluit bekendgemaakt is, de rechtbank bepaalt dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt. In het tweede lid is neergelegd dat de rechtbank aan haar uitspraak een nadere dwangsom verbindt voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft de uitspraak na te leven. Volgens het derde lid kan de rechtbank in bijzondere gevallen of indien naleving van andere wettelijke voorschriften daartoe noopt, een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen. In dit geval acht de rechtbank een afwijkende beslistermijn niet nodig.

10. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat verweerder een dwangsom van € 100 verbeurt voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000.

11. Verder is er aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 256 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een wegingsfactor 0,5 en een waarde per punt van € 512). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;

- stelt vast dat verweerder als gevolg van het niet tijdig beslissen een dwangsom heeft verbeurd van in totaal € 1260 (twaalfhonderdzestig euro);

- draagt verweerder op alsnog een besluit te nemen op de aanvraag binnen twee weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak;

- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100 verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van in totaal € 256 (tweehonderdzesenvijftig euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van S.A.K. Kurvink, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

1 op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, gelezen in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb

2 artikel 6:12, tweede lid, van de Awb

3 ECLI:NL:RVS:2018:2157

4 Artikel 4:17, derde lid, Awb