Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:1922

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-02-2019
Datum publicatie
27-03-2019
Zaaknummer
C-09-550349-HA ZA 18-349
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

en inzake C-09-548854-HA ZA 18-237 (zaak II).

Zaak 1: Vraag wie eigenaar is van het schilderij. Bewijsopdracht.

Zaak 2: Opdracht tot onderzoek naar de authenticiteit en de eigendomsgeschiedenis van het schilderij. Overeenkomst zonder afspraak over (hoogte van de) beloning voor de werkzaamheden. Redelijk loon ? Bevel uitlaten over uitgevoerde werkzaamheden en deponeren van het daarvan opgemaakte rapport tbv bepaling redelijk loon.

Bewijsopdracht mbt onrechtmatig handelen bestaande uit het bij het verstrekken van de opdracht bewust verstrekken van een met vervalste documenten onderbouwde en onjuiste eigendomsgeschiedenis van het schilderij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

Vonnis van 27 februari 2019

In de zaak met zaak-/rolnummer C/09/550349 / HA ZA 18/349 (zaak I) van:


[eiser] te [plaats 1] (Russische Federatie),

advocaat: mr. R.J.G. Mengelberg,

eiser,

TEGEN

[gedaagde 1] te [plaats 1] (Russische Federatie),

advocaat: mr. A. van Hees,

gedaagde,

en in de zaak met zaak-/rolnummer C/09/548854 / HA ZA 18/237 (zaak II) van:

[gedaagde 1] te [plaats 1] (Russische Federatie),

advocaat: mr. A. van Hees,

eiser in de hoofzaak in conventie, eiser in het incident ex artikel 223 Rv in conventie,

verweerder in de hoofdzaak in reconventie, verweerder in het incident ex artikel 223 Rv in reconventie,

TEGEN

1 REDIVIVUS B.V. te Wassenaar,

2. [gedaagde 2] te [plaats 2] ,

advocaat: mr. E.H. Boucher,

gedaagden in de hoofdzaak in conventie, verweersters in het incident ex artikel 223 Rv in conventie,

eiseressen in de hoofdzaak in reconventie, eiseressen in het incident ex artikel 223 Rv in reconventie.

Partijen worden hierna respectievelijk [eiser] , [gedaagde 1] , Redivivus en [gedaagde 2] genoemd. Redivivus en [gedaagde 2] worden gezamenlijk ook aangeduid als Redivivus c.s.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

in zaak I

  • -

    de dagvaarding van 9 februari 2018 met producties 1 tot en met 10;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 33;

  • -

    het tussenvonnis van 25 juli 2018 waarbij een comparitie van partijen is bevolen;

  • -

    de akten inbreng producties met producties 11 tot en met 16 van de zijde van [gedaagde 1] ;

  • -

    de akte houdende overlegging producties met producties 34 tot en met 38 van de zijde van [eiser] ;

in zaak II

  • -

    de dagvaarding van 9 februari 2018 met producties 1 tot en met 32;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 37;

  • -

    het tussenvonnis van 16 mei 2018 waarbij een comparitie van partijen is bevolen;

  • -

    de akte houdende overlegging producties met producties 33 tot en met 35 van de zijde van [gedaagde 1] ;

in beide zaken

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 30 november 2018.

1.2.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken bij het met hun instemming buiten hun aanwezigheid opgemaakte proces-verbaal van de comparitie van partijen. Geen van partijen heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

1.3.

Ten slotte is in beide zaken een datum voor het wijzen van vonnis bepaald.

2 De feiten

in beide zaken

2.1.

[eiser] is kunsthandelaar in [plaats 1] .

2.2.

Redivivus legt zich toe op restauratie van schilderijen, alsmede technisch en kunsthistorisch onderzoek. [gedaagde 2] is (indirect) enig aandeelhouder en bestuurder van Redivivus.

2.3.

Er is een in de Russische taal gesteld stuk, gedateerd mei 1984, dat - voor zover hier van belang - als volgt luidt:

“We, [A] and [B] agree with the sale of the painting from our collection, crossed over white square by Kazimir Malevic. 105,5 x 76,6 cm, to the artist and collector [gedaagde 1] , living in [plaats 3] .”

2.4.

Er is een rapport, gedateerd 14 oktober 2010 en ondertekend door mevrouw [C] (hierna: [C] ), waarin de onderzoeksresultaten van de samenstelling van de grondlaagvulstof en pigment van een schilderij zijn neergelegd. Dat schilderij is in het rapport – in een beëdigde Nederlandse vertaling – als volgt omschreven:

Onbekende kunstschilder. Suprematische compositie, canvas, olie 103x70,5”

Het rapport vermeldt voorts:

“Morfologische eigenschappen van loodwit (er werden monsters van diverse secties van het schilderij onderzocht: de witte achtergrond (op verschillende punten), het witte vierkant in het centrum van de compositie zijn kenmerken voor het loodwit dat gebruikt werd in schilderijen gedurende de eerste helft van de twintigste eeuw. Dergelijk loodwit werd ontdekt bij het onderzoek van schilderkunst, gemaakt tijdens het eerste kwartaal van de twintigste eeuw.

(…)

Conclusies

Het schilderij bevat een onderliggende verflaag die eerder is gemaakt dan de tweede laag. Pigmenten, die geïdentificeerd zijn in deze laag, werden gebruikt vanaf het einde van de negentiende eeuw gebruikt en werden vervolgens ook gebruikt.

Gezien het gebruik van het loodwit met genoemde kenmerken, is de boven verflaag gemaakt niet later dan het eerste kwartaal van de twintigste eeuw.”

2.5.

Er is ook een rapport van [C] d.d. 14 oktober 2010 dat volgens de beëdigde Nederlandse vertaling betrekking heeft op:

Onbekende kunstschilder. Suprematische compositie, canvas, olie 103x70,5”

Het rapport vermeldt voorts:

“Morfologische eigenschappen van loodwit (de witte achtergrond op verschillende secties van het schilderij) (dit is op verschillende punten onderzocht), het witte vierkant in het centrum van de compositie, die niet typisch zijn voor het loodwit, gebruikt werd in schilderijen van de eerste helft van de twintigste eeuw, zijn ontdekt bij het onderzoek van schilderkunst, gemaakt in het laatste kwartaal van de twintigste eeuw.

Conclusies

Het schilderij bevat een onderliggende verflaag die aanzienlijk eerder is gemaakt dan de tweede bovenlaag. Pigmenten, die geïdentificeerd zijn in deze laag, waarden vanaf het einde van de negentiende eeuw gebruikt en zijn vervolgens ook gebruikt.

Gezien de plasticiteit van verven en het gebruikte loodwit met dergelijke kenmerken, is de “Suprematische compositie” gemaakt niet eerder dan het laatste kwartaal van de twintigste eeuw.”

2.6.

Op 26 oktober 2010 heeft [eiser] USD 20.000 aan [gedaagde 1] overhandigd.

2.7.

Er is een handgeschreven verklaring d.d. 26 oktober 2010 in de Russische taal.

Een niet-officiële Engelse vertaling luidt:

“This is to acknowledge that I, Mr. [gedaagde 1] , (…) have received twenty thousand US dollars from Mr. [eiser] as a payment for the oil painting named “Crossed white square” having the size of 103x70,5, oil on canvas, in order to perform necessary studies for confirmation of the age and the authorship of the painting.

I am indebted to return sixty thousand US dollars in May of 2011 provided joint work with Mr. [eiser] completed and 50% participation in the painting sale.”

Een andere niet-officiële vertaling luidt – voor zover hier van belang:

“I am indebted to return sixty thousand US dollars in May of 2011 provided joint work with Mr. [eiser] completed and my 50% share in the painting ownership to be taken into account when this painting is on sale.”

Een beëdigde Nederlandse vertaling luidt – voor zover hier van belang:

“Ik beloof dat ik in mei 2011 zestigduizend Amerikaanse dollar na de afloop van de samenwerking met [eiser] teruggeef met de 50% participatie van beide partijen in de verkoop van dit schilderij.”

Een andere beëdigde Nederlandse vertaling luidt – voor zover hier van belang:

“Ik neem de verplichting op mij om zestigduizend Amerikaanse dollar in mei 2011 terug te betalen na afloop van de gezamenlijke werkzaamheden met [eiser] bij een deelname van 50% van beide partijen in de verkoop van het onderhavige schilderij.”

2.8.

Op 13 november 2010 heeft [eiser] 100.000 Russische Roebel (circa USD 3.000) aan [gedaagde 1] overhandigd.

2.9.

Er is een handgeschreven verklaring d.d. 13 november 2010 in de Russische taal, waarvan een beëdigde Nederlandse vertaling luidt:

“Ik, [gedaagde 1] heb van [eiser] honderdduizend roebel gekregen ten behoeve van onze overeenkomst voor de werkzaamheden betreffende het schilderij van Malevich: ‘Het gekruist wit vierkant.’”

2.10.

In november 2015 heeft Redivivus een “Condition estimate report” uitgebracht aan [zoon van gedaagde 1] , de zoon van [gedaagde 1] , over een door [gedaagde 1] aan haar ter beschikking gesteld schilderij, waarvan [gedaagde 1] vermoedt dat het in 1919 is vervaardigd door Kasimir Malevitsj (hierna: het schilderij). Dit stuk vermeldt als afmeting van het schilderij “without frame” 106,0 x 77,3 x 2,2.

in zaak II voorts

2.11.

Ter uitvoering van een eind 2015 door [gedaagde 1] aan haar verstrekte opdracht daartoe, heeft Redivivus restauratiewerkzaamheden verricht aan het schilderij.

2.12.

Begin 2016 hebben [gedaagde 1] en Redivivus gesproken over aanvullende werkzaamheden met betrekking tot het schilderij.

2.13.

[gedaagde 1] heeft een eigendomshistorie van het schilderij gegeven aan Redivivus, met daarbij onder meer:

  1. een brief d.d. 26 mei 1925 Van [D] aan [E] ,

  2. een document d.d. 5 maart 1984, waarin staat dat [A] het schilderij in levenslang beheer geeft aan [F] ,

  3. de onder 2.3 bedoelde koopovereenkomst.

2.14.

In een “Research proposal” van 4 april 2016 van Redivivus aan [zoon van gedaagde 1] (hierna: het onderzoeksvoorstel) wordt het volgende onderzoek voorgesteld:

1. Provenance research in cooperation with [G] (?)

  • -

    Especially important is the gap between 1924—1940.

  • -

    More information about the previous owners, do they have any agreements, photos etc., to confirm [A's] sales agreement.

  • -

    What does N 11 of the signature mean?

  • -

    If pentimenti were executed much later (cracks already established after application of consequent layer), where and when would a later intervention by Malevich be possible? How were changes in other paintings executed by Malevich (did he only alter works which remained longer in his possession?)

2 Meetings with further experts on Kazimir Malevich

[H] Conservator Collecties Beeldende Kunst

[email-adres]

Stedelijk Museum Amsterdam

[I] is an art historian and a world authority on the Russian avant-garde. She is the author of numeral books, and more than 250 articles on the art of Marc Chagall, Kazimir Malevich and other great avant-gardists.

As visiting professor she has taught Russian art history at the University of South California, University of Maryland, University of Texas at Austin

[J] Not now, but at a later point.

New York University

Russian & Slavic Studies, faculty Member

3 Technical research

a. Red over red paint

What is the composition of both paint layers.

Analysis: Cross section and SEM-EDX analysis ( [K] ?)

- Was the black, red and white overpaint done at the same time?

b. Red signature

  • -

    More insights about the dye. What is the earliest possible date it could have been used.

  • -

    Was the signature and the pentimenti done at the same time?

4. Comparison of the outcome of the technical research with other works by Malevich — focus on materials

  • -

    Comparison of canvas, ground layer, pigments.

  • -

    Main research done by following institute:

Tretiakov Gallery Moscow

Ludwig Collection Cologne

State Russian Museum, St. Petersburg .

Tate Modern, London

Stedelijk Museum, Amsterdam

- Contact at least two of those institutes regarding further information / comparison.

5 Comparison of the painting technique with other works by Malevich

  • -

    Comparison of execution of the forms (usage of cardboard as a guide), brushstrokes.

  • -

    Comparison of overpainted works.

  • -

    Comparison of the signature to other works. Do the works at the Stedelijk Museum have signatures? Are there photos of the reverse from before the lining? Can we find other comparisons for the red dye ( [K] )?

- Comparison with works from 1919 (all lined or on panel therefore difficult to compare) and with earlier/ later works.”

2.15.

Redivivus heeft het onderzoeksvoorstel per e-mail van 5 april 2016 aan [zoon van gedaagde 1] gestuurd. Daarin staat – voor zover hier van belang:

“Some good news – [G] had agreed to a meeting. This could take place this Friday afternoon in Amsterdam . (…)

Also, I am sending two documents; (…) The second is a new document concerning a couple of technical materials questions and the attribution and authenticity issues – this is a draft/working document in which we have sketched out some ideas. I have not yet put a price on this as I think we need to discuss this before we go any further and put a simple document in writing.

(…)

For my own consulting work on this project, separate from the restoration and the technical investigation, I would like to consider how I am to be compensated for helping you bring this painting to the market and my role in guiding the outcome of the research on the painting through my contacts and experience. For me it is also useful to understand your agreement with Sotheby’s as I am concerned that they are trying to control things in a way that might be counterproductive in some aspects. Better is that we work together for the best possible outcome for you.”

2.16.

[zoon van gedaagde 1] heeft die dag geantwoord:

“Friday is great (…) We can discuss your compensation also on Friday together with my father.”

2.17.

Op (vrijdag) 8 april 2016 heeft een ontmoeting plaatsgehad, waarbij onder meer [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aanwezig waren. Tijdens deze bijeenkomst is het onderzoeksvoorstel van Redivivus besproken.

2.18.

Op 8 april 2018 heeft eveneens een bijeenkomst tussen [gedaagde 2] , [gedaagde 1] , [zoon van gedaagde 1] en [G] plaatsgevonden.

2.19.

Per e-mail van 15 april 2016 heeft Redivivus het volgende geschreven aan [zoon van gedaagde 1] :

I am going to New York in the first week in June for the Leger and Picabia projects. I would like to approach [J] – even just to discuss more general issues about Malevich if you don’t want me to show her any photo’s (…)

I’ve been rather frustrated this past week because Professor [G] has decided she will not pursue her research. She said she is too busy with her work as a teacher to take on anything else. We have discussed this back and forth several times but I can’t seem to persuade her.”

2.20.

Op 15 april 2016 heeft [zoon van gedaagde 1] aan Redivivus geantwoord:

“This is indeed disappointing but not the end of the world as we do not really need [G] , who we need is a scholar from the Stedelijk. If we can get [H] , [L] and/or [M] on board that will be enough. There is no need for [J] as we said before.”

2.21.

Op 19 april 2016 heeft [H] (hierna: [H] ) aan Redivivus gemaild:

“Thank you for your messege. Officially I have retired from the Stedelijk as per 1 April and my tasks in all things Russian avant-garde have been taken over by my colleague [… 1] , but Malevich and his contempories still will stay of interest to me. Perhaps you can send us a picture of the painting, so we may conclude whether it had been brought to our attention before.”

2.22.

Op 21 april 2016 heeft Redivivus de volgende e-mail gestuurd aan [H] :

“Thank you for your response. I’m glad you are interested and I am sending along a few photos. When I didn’t have a response from you and than I heard you had retired, I decided to contact [L] since I was not sure who else would be appropriate for Malevich and his contemporaries. I just wanted to inform you that he will be coming to see the painting in the first week of May.

A photograph of the painting has been brought to your attention before sometime in the past (I heard from the owners). I have a considerable amount of information now that was not available then. (…)”

2.23.

Op 6 mei 2016 (11.25 uur) heeft Redivivus aan [zoon van gedaagde 1] geschreven – voor zover hier van belang

“On Wednesday I had a very disturbing phone call from [L] . (…) Mr. [L] said that they have a large dossier on your painting in the museum (…). He (…) said that he cannot afford to have his name or anyone from the museum involved with your painting as it has been questioned by “scholars” and he believes that he would be ethically compromised if he were to come and see it.”

2.24.

Op 6 mei 2016 (14.34 uur) antwoordt [zoon van gedaagde 1] :

“This painting they are referring to is not our painting but a fake. We have known this for some time and that’s why we started to get the expertise done on our painting. We did not know that it was offered to the Stedelijk. Sotheby’s and Shatskigh are aware of this. [J] made an expertise on a copy of our painting. We didn’t tell you because my father thought it would be better not to do so, I did advise him to tell you about it.

So don’t worry about your reputation and be assured that our painting is not the painting they speak about!

We have proof of all this and I have an text typed out and ready to send out if this would ever come to light.

It’s in my computer at my house. I will send it to you as soon as I’ll be there.

It’s a shame this happened and that it hurts our painting!

Call me when you can.”

2.25.

Op 6 mei 2016 (18.41 uur) heeft [zoon van gedaagde 1] aan Redivivus geschreven – voor zover hier van belang:

“My father did not tell you about this copy because [N] of Sotheby’s advised him not to as the Georgian maffia is involved in the sale of this copy and an attempt to discredit their painting could be dangerous. And since Sotheby’s and [I] knew about all of this and he was advised not to share this information he did not.

Sotheby’s made sure that this copy was labelled a fake and an alleged sale was cancelled to the MoMa where it was offered. (…)”

2.26.

Bij deze mail is een toelichting gevoegd van de hand van [gedaagde 1] , die – voor zover hier van belang – als volgt luidt:

“A small time dealer [… 2] from [plaats 4] who bought from me a painting by Mikhail Larionov in 2009 - flowers and a doll by the window - (a vertical painting with a height of 50 cm.) brought with him a gentleman with whom 1 had a long conversation about my painting. He really liked my Malevich painting and asked me if 1 was willing to sell, which 1 was not. He asked me if 1 would be interested if it was a large sum of money and 1 said 1 would think about it. After which he asked if he could take some photographs of the painting which 1 allowed him to take. Then he asked if he could borrow my Catalogue Raisonne of the Stedelijk museum which I bought through the internet from New York. He never retuned this catalogue and 1 didn’t have any contact with this man again.

A year later [… 2] told me that this man made a copy of my work. A painter came to him and told him about this. He said they gave him a little amount of money for his work and he was not happy with it. He thought he was just making a copy, that’s why there’s nothing on the back. My friend [… 2] who felt bad about this told me all about this because he felt he was scammed and wanted to let me know he had nothing to do with this. He got me some photo’s and information from the painter. This is where 1 got the following information from.

The canvas is torn, made 3 stripes on the right side. red and greenish which is covered with zinc white. Square is painted with lead white. Under the black is cobalt blue which idea they stole from seeing my work. The fine canvas 14/16 is taken from an old unfinished painting Part of it was painted with vermilion, as if it was a cubo-futuristic work before. About 75% of the canvas was painted with vermilion, in this part there is a scraped out shape in the ground which reminds of a triangle.

1 have an original expertise on this work where it says that underneath is a breakable old paint and the new layers was done a lot later and that the paint is still soft. The led white is made in a modern way so could not have been from the early 20 century. Height of the painting is 103 cm, the original is 105,5 cm.

I was able to obtain this document after being tipped by [… 2] that this expertise was made but never payed for so 1 bought it to have as proof. As this expertise was done 6 years ago they had enough time to dry the painting or just as well have bribed someone to make a new expertise.”

2.27.

Verder heeft [gedaagde 1] op 6 mei 2016 het onder 2.5 bedoelde onderzoeksrapport van [C] d.d. 14 oktober 2010 aan Redivivus verstrekt.

2.28.

Op 10 mei 2016 schreef [zoon van gedaagde 1] per sms aan Redivivus:

An expertise by [J] is not needed as its not accepted anymore, we have just found this out

2.29.

Op 23 mei 2016 schreef [zoon van gedaagde 1] aan Redivivus:

“If Mr. [L] is not willing to put anything in writing we do not see the purpose of him looking at our painting. We now think that [H] would be a better option as he is allowed to write, or [G] if she is willing.

You can contact [I] but we do not see the reason why as we already know her point of view. She said to mr. [N] that our painting is probably made by El Lissitsky, Ilya Chasnik or Malevich. If we get her involved she could start writing her believes on our painting and it will take us another year proofing to her that it is a Malevich. It could harm our painting!”

2.30.

Op 15 juni 2016 heeft een bijeenkomst plaatsgehad, waarbij onder meer [gedaagde 1] aanwezig was. De daarvan opgemaakte “meeting minutes” (hierna: de notulen van de vergadering van 15 juni 2016), die [zoon van gedaagde 1] per e-mail van 16 juni 2016 aan Redivivus heeft gestuurd, vermelden - voor zover hier van belang:

Stedelijk

  • -

    [gedaagde 2] [ [gedaagde 2] ] to contact either [G] , [H] or [L] in order to have an informal conversation concerning the painting.

  • -

    The aim of this encounter is trying to get them to view the painting as soon as possible and clarify any misunderstanding concerning the copy viewed by them. Did they physically see the other painting and how did this come about?

  • -

    The meeting will tried to be confirmed and take place by 25-06-16.

Provenance / Expertise

  • -

    [gedaagde 2] to contact [K] to confirm and and get in writing that the picture in the Jahrbuch der Jungen Kunst is a oil painting, priority asap

  • -

    [gedaagde 2] get feedback by 25-06-16 from [K] concerning the [O] subject ( [O] wrote the Malevich catalogue raisonné of the Berlin exhibition 1927 which contains a picture of the cross referred to as a painting).

  • -

    [gedaagde 2] to pay [P] ’s research work.

  • -

    Quotation of [P] ’s research work tbc and to be communicated in order for us to agree should there be extra costs.

  • -

    [P] to work full time on researching the archives, [D] , [A] , [Q] (Jahrbuch), [R] etc.

  • -

    [gedaagde 2] , contact [R] author of Malevich the Graphic Work: 1913-1930 (1975) who published the picture as an oil painting. (See Provenance)

  • -

    [P] to start reporting by 25-06-16.

  • -

    Deadline of research 3-08-16.”

2.31.

Op 16 juni 2016 antwoordt Redivivus op de onder 2.30 bedoelde e-mail aan [zoon van gedaagde 1] – voor zover hier van belang:

“Thank you for the notes. I agree with the plans as laid out in your minutes and we will try our best to complete the tasks as written.”

2.32.

Op 25 juni 2016 hebben [gedaagde 1] en zijn zoon [zoon van gedaagde 1] in het Stedelijk Museum gesproken met [L] . Deze bijeenkomst is door tussenkomst van Redivivus tot stand gekomen.

2.33.

Op 28 juni 2016 heeft Redivivus aan [zoon van gedaagde 1] geschreven:

“In response to yesterday’s phone conversation

-We will pursue the thread count issue and see where it leads.

- [P] can show you the x-ray and how superimposing the image implies that these were one and the same image but there is another layer of paint applied by the artist – in a method often used – of refreshing the paint.

-About [P] and Hannover – this is the Lizitsky archive, the archives will not be open to the public until October because it has not yet been accessioned. This has to do with the letter from [… 3] mentioned in the Werfkin book and any possible lead.

-sadly the publisher of the Jahrbuch’s archive was bombed during WWII – no surviving documents.

(…)

About the payment of 1% (plus 21% BTW) to be discussed with the Notaris

The idea is that I “purchase” 1,21% of the Malevich painting for an amount to be determined (which you would actually return to me) There would have to be a notarised document (this can be drawn up by my lawyer) and notarised by your notary etc- the point being that I am taking a risk in working on a, as yet, unattributed painting and have invested time and money into the project with no guarantee of the outcome. My earning would not be categorised as a consulting fee but as a profit on an investment. (…)”

2.34.

[zoon van gedaagde 1] heeft op dezelfde dag hierop geantwoord:

“Thank you for the update.

  • -

    We agree with the continuation of the thread count, let’s see where it leads.

  • -

    Great news about the x-ray!

  • -

    Lissitzky archive in Hannover needs to be discussed with my father, but I think it’s a good idea to pursue that in October.

  • -

    To bad about the WWII bombing!

  • -

    Do you recommend us to call [L's] secretary or to wait on his response for his direct number?

About the payment of 1%

I have spoken with my legal adviser and notary about the idea for you purchasing 1,21% of the painting and they advised me against this. (…)

We want you to get your 1% after tax and we will find a way.

My father will be in Amsterdam this or next week and we can then come together and draw up a document to all our satisfaction.”

2.35.

Op 9 juli 2016 heeft Redivivus deze e-mail van 28 juni 2016 – voor zover hier van belang – als volgt beantwoord

“Were you able to get in touch with [L] [ [L] ] and make an appointment for August? I hope it worked out fine.

[P] has been gathering more information on the thread counts but it is not so easy since some of the most relevant works are in private hands. One we would like to see – and have an x-ray of is from the Abramavitch collection in London – any connections there? I can try to find out who his restorer is, that might be a lead in.

About the 1% payment, yes, lets get together when your father is visiting and see what we can do. I trust we can work something out without too much complication, thank you for thinking with me about this.”

2.36.

[zoon van gedaagde 1] heeft op 9 juli 2016 – voor zover hier van belang – geantwoord:

We have made an appointment with [L] and [S] on the 2nd of September, earlier was not possible.

Indeed, we will work something out without too much complication.”

2.37.

In november en december 2016 hebben [zoon van gedaagde 1] en Redivivus e‑mailcontact gehad over de voortgang van de uitvoering van de aanvullende werkzaamheden en het tekenen van het contract daarvoor bij een notaris door [gedaagde 1] .

2.38.

Op 21 november 2016 schreef Redivivus:

this week Thursday, [P] and I have an appointment to look at the documentation about the Malevich in London at the Tate. I also had an appointment with one of the conservators at the Beyeler Museum but that is in January. (…)”

2.39.

[zoon van gedaagde 1] reageert daarop op 22 november 2016:

“Glad to hear that there will be some movement going on with the investigation, please keep us posted!”

2.40.

Op 14 december 2016 schreef Redivivus:

“ [P] and I spent some time going through their documentation – lots of it! Their work dates a bit earlier, 1916, but there are some interesting comparisons, particularly concerning the signature on the reverse (…)”

2.41.

Op 4 april 2017 schreef Redivivus aan [zoon van gedaagde 1] :

Hi [zoon van gedaagde 1] - don’t think that 1 can get past the Sotheby’s protocol. I don’t know a way to get around it

I know exactly what the issues are and what we could still use as far as technical investigation goes. Even done well, It won’t bring a confirmation of authentication – nor will the authenticity studies at Sotheby’s. The whole picture in this case its what is required. So, its a good idea to inform me of any findings. The hypothesis that we have is very sound - but its is still a hypothesis.

1 do think its good to talk. (…)”

2.42.

Op 8 juni 2017 heeft Redivivus aan [zoon van gedaagde 1] bericht – voor zover hier van belang:

“Here is the report. So that concludes the conservation and restoration work that had been done on the painting so far. Thank you for the payment of our invoice for the treatment, now paid in full. We are continuing with the consulting work on the painting as agreed upon.”

2.43.

In de “Memo / proposal” van 23 juni 2017, van mr. E.H. Boucher, namens Redivivus, gericht aan [gedaagde 1] en [zoon van gedaagde 1] , is een voorstel neergelegd dat inhoudt dat Redivivus voor de jaren 2017 tot en met 2019 het exclusieve recht verkrijgt het schilderij te verkopen, tegen een commissie van 10% bij verkoop en 50% bij veiling. In dit stuk staat - voor zover hier van belang:

“In the course of 2015 [gedaagde 1] has approached Redivivus with a request to restore the Painting and to support [gedaagde 1] with establishing both its provenance and the technical evidence of its originality. At the time, [gedaagde 1] and Redivivus have agreed that, in case of a sale, Redivivus will receive 1,21% of the sales price of the painting for its efforts on his behalf. Said agreement relates to activities already undertaken and, hence, is not related to the proposal formulated in this memo.”

2.44.

Redivivus en [gedaagde 1] hebben daarna via [zoon van gedaagde 1] en hun advocaten gecorrespondeeerd naar aanleiding van het onder 2.43 bedoelde voorstel.

2.45.

Op 23 augustus 2017 heeft [gedaagde 1] – via [zoon van gedaagde 1] – aan Redivivus geschreven, voor zover hier van belang:

“When I was at your studio with the participation of your lawyer you could have asked me to sign the contract for the 1,2% but you hesitated to do this. I thought that your lawyer would present us such a contract.

Your help with contacting museum staff was solely the meeting with [L] . (…) If for this you think I should give you 1,2% you are mistaken. I will give you the 1,2% purely out of my personal sympathy for you. (…)

I am willing to make a contract with you solely based on you making an arrangement with [J] which will benefit the painting. A positive expertise would be the ultimate goal. If you can arrange this I am willing to give you 5% from the sale of the painting.”

2.46.

Op 25 augustus 2017 heeft mr. Boucher, optredend voor Redivivus, aan [zoon van gedaagde 1] en diens advocaat mr. M. Errico een concept-overeenkomst toegezonden, waarin - voor zover hier van belang - staat:

“Vaststelling eerdere afspraken

1. Indien het Schilderij wordt verkocht ontvangt Redivivus van [gedaagde 1] een bedrag groot 1,21% (…) van de volledige verkoopprijs van het Schilderij, te betalen binnen 30 dagen na afronding van de verkooptransactie als vergoeding van de eerdere dienstverlening.

Verklaring [J]

2. [gedaagde 1] verleent hierbij aan Redivivus de opdracht, hierna te noemen: “de Opdracht”om zich in te spannen een positieve expertise omtrent het Schilderij te verkrijgen van Professor [J] (…)

(…)

4. Indien Redivivus erin slaagt een Positieve Expertise van het Schilderij te verkrijgen ontvangt Redivivus als tegenprestatie een aanvullend bedrag groot 5% (…) van de volledige verkoopprijs van het Schilderij.

(…)

Zekerheid

11. Tot zekerheid van al hetgeen uit hoofde van deze overeenkomst te enige tijd door Redivivus opeisbaar is of zal worden vestigt [gedaagde 1] als pandgever hierbij ten behoeve van Redivivus als pandnemer een eerste recht van pand op het Schilderij, welk pandrecht Redivivus hierbij als pandhouder aanvaardt.”

2.47.

In een sms-contact tussen mr. Boucher en [zoon van gedaagde 1] op 29 augustus 2017 heeft [zoon van gedaagde 1] geschreven (op “vrijdag 20.22 uur”):

“Mijn vader en [N] zijn niet tevreden met wat er staat. Vooral het pandrecht staat ze niet aan. Het betekend dat jullie rechten hebben op het schilderij en de macht hebben het te eisen. Dit tekenen wij niet. (…) Wij willen een contract tekenen waarin staat dat als het schilderij wordt verkocht [gedaagde 2] 1,2% krijgt. Thats it.

Volgens [N] is het not done om eerste een contract te tekenen en daarna ons schilderij te krijgen. Het hoort andersom. Je hoort het, ze zijn niet blij.

Gesprek met [N] gaat niet door, maar dat maakt weinig uit want het veranderd niks aan de zaak. Wij willen tekenen voor de 1,2% als het zonder pandrecht is. Tekenen voor het pandrecht zou betekenen dat wij een schuld hebben bij [gedaagde 2] en dit is niet het geval. Het houd ook in dat het schilderij MOET worden verkocht om zo de zogenaamde schuld te voldoen. mocht dit niet naar haar wens gebeuren dan heeft [gedaagde 2] het recht om verkoop af te dwingen. Dit is voor ons onacceptabel.”

2.48.

Op 19 september 2017 heeft [gedaagde 1] aan Redivivus geschreven:

“I, [gedaagde 1] am happy with the restoration of the painting “The Suprematism of the Spirit”, 1919, oil, canvas, 105,5 x 76,5 cm by Kasimir Malevich and thank you for your work in this regard but do not require any further services from Redivivus at this time.

Redivivus has been properly and sufficiently paid for restoration and research to date as follows from the invoicing and payments received by Redivivus and as confirmed in your report.

Although I have been discussing with you your continued involvement, including a compensation to Redivivus of 1.21% of the net proceeds of a hypothetical future sale, I and you have not reached an agreement on this point as you have insisted on an ownership interest in the painting, which I categorically and repeatedly refused.

I will be in the Netherlands this week and will arrange my son, [zoon van gedaagde 1] , to collect the painting on my behalf. Please prepare the painting for pick up on Thursday the 20th of September 2017 and confirm the time when this pick up is possible.”

2.49.

De advocaat van [gedaagde 1] heeft – voor zover nodig – de ontbinding van de overeenkomst ter zake van de aanvullende werkzaamheden bevestigd bij confraternele brieven van 24 september 2017 en 4 oktober 2017.

2.50.

Op 18 oktober 2017 heeft [T] (hierna: [T] ) Redivivus als volgt bericht:

As we have already discussed, it is highly unlikely that [U] was ever the owner of this painting and sold it to [A] in the late 1950s- actually it sounds like a science-fiction story.

Malevich was underrepresented in the [U] collection, and [U] finally managed to buy two works from [A] (not vice versa -as far as I know there are no records for it).

If [U] was ever the owner of such a painting, I really doubt if he could ever sell it. In addition, in the late 1950s is known that [U] was not selling artworks.

2.51.

Op 25 oktober 2017 is namens [gedaagde 1] aangifte van verduistering en witwassen gedaan tegen Redivivus en [gedaagde 2] . Daarin staat onder 8:

“Ik ben ermee akkoord gegaan dat Redivivus deze nadere werkzaamheden zou gaan verrichten. Over de kosten van die werkzaamheden is over en weer contact geweest, maar er is nooit definitieve overeenstemming over bereikt.”

in beide zaken

2.52.

In december 2017 is [eiser] via het Engelse advocatenkantoor [advocatenkantoor] in contact gekomen met de advocaat van Redivivus, naar aanleiding van een “announcement” (hierna: de announcement) dat Redivivus had ontvangen uit haar netwerk. Deze announcement luidt als volgt:

“I, attorney Karl Boksyan, acting on behalf of my client [eiser] looking for the painting of Kazimir Malevich (Crossed White Square 103cm x 75,5).

I’m bringing to the attention of all interested parties that this work was transferred by my client to [gedaagde 1] for selling it as the painting is in 50%/50% ownership between my client and [gedaagde 1] which can be proved with the relevant documents which are in the possession of my client.”

2.53.

[gedaagde 1] heeft beslag tot afgifte gelegd op het zich bij Redivivus bevindende schilderij.

2.54.

Op 22 december 2017 heeft [eiser] conservatoir derdenbeslag doen leggen op het zich bij Redivivus bevindende schilderij.

3 Het geschil

in zaak I

3.1.

[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – dat de rechtbank, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:

  1. voor recht verklaart dat [eiser] voor de onverdeelde helft eigenaar is van het schilderij “Supramatism of the spirit” dat hoogst waarschijnlijk is geschilderd door Kasimir Malevitsj en staat afgebeeld op productie 1 van de dagvaarding;

  2. [gedaagde 1] veroordeelt tot betaling van USD 60.000, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag van betekening van de dagvaarding;

met veroordeling van [gedaagde 1] in de proceskosten, vermeerderd met de nakosten en de wettelijke rente.

3.2.

[gedaagde 1] voert gemotiveerd verweer.

in zaak II

3.3.

[gedaagde 1] heeft zijn vordering in het incident in conventie verminderd tot nihil.

3.4.

[gedaagde 1] vordert in de hoofdzaak in conventie – zakelijk weergegeven – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:

  1. Redivivus c.s. veroordeelt volledige medewerking te verlenen aan de afgifte van het schilderij;

  2. het onder 1 gevorderde toewijst op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100.000 voor iedere dag dat Redivivus c.s. niet (volledig en/of tijdig) voldoen aan deze veroordeling;

  3. voor recht verklaart dat:

  4. van enige opeisbare vordering van Redivivus c.s. op [gedaagde 1] in verband met een (beweerdelijk) tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht geen sprake is;

  5. Redivivus c.s. zich niet op enig retentierecht op het schilderij kunnen beroepen;

  6. Redivivus c.s. veroordeelt tot betaling aan [gedaagde 1] van een bedrag tot vergoeding van de door [gedaagde 1] geleden schade als gevolg van het in de dagvaarding omschreven onrechtmatig handelen van Redivivus c.s., en voor zover sprake zou zijn geweest van een tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht, tot vergoeding van alle schade als gevolg van het niet, althans niet correct uitvoeren van deze overeenkomst, althans van alle schade als gevolg van het handelen en nalaten door Redivivus c.s. in strijd met de zorg die van een goed opdrachtnemer mag worden verwacht, welke schade nader dient te worden opgemaakt bij staat;

  7. Redivivus c.s. gezamenlijk en ieder afzonderlijk veroordeelt tot betaling aan [gedaagde 1] van de buitengerechtelijke kosten ten belope van € 6.665, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding;

een en ander met veroordeling van Redivivus c.s. in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente.

3.5.

Redivivus c.s. voeren gemotiveerd verweer tegen de vordering in de hoofdzaak conventie en vorderen in het incident in reconventie – zakelijk weergegeven – dat de rechtbank, voor zover mogelijk bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad bij wege van voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv:

  1. [gedaagde 1] veroordeelt tot het stellen van zekerheid in de vorm van een bankgarantie ter hoogte van € 354.621,80, af te geven door een in Nederland gevestigde bank, volgens het Rotterdams Garantieformulier 2008;

  2. bepaalt dat na verstrekking van de bankgarantie, het schilderij zal worden afgegeven aan een door de rechtbank aan te wijzen derde, die de verplichtingen uit hoofde van het door [eiser] gelegde derdenbeslag dient na te leven;

een en ander met veroordeling van [gedaagde 1] in de kosten van het incident.

3.6.

Redivivus c.s. vorderen in de hoofdzaak in reconventie – zakelijk weergegeven –dat de rechtbank, voor zover mogelijk bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

1. [gedaagde 1] veroordeelt tot het betalen van een redelijk loon aan Redivivus ten bedrage van € 267.986, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, te vermeerderen met de opslagkosten van € 400 per maand vanaf 1 december 2017 tot de dag dat het schilderij uit het beheer van Redivivus wordt gebracht;

primair en subsidiair:

2. [gedaagde 1] veroordeelt tot betaling van:

3. schadevergoeding uit hoofde van onrechtmatig handelen; of

4. nadeelsopheffing in de zin van artikel 6:230 BW;

bestaande uit gederfde inkomsten en gemaakte en nog te maken kosten, indien en voor zover de primaire vordering niet (volledig) wordt toegewezen;

een en ander te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, en met veroordeling van [gedaagde 1] in de kosten van het geding.

3.7.

[gedaagde 1] voert gemotiveerd verweer.

4 De beoordeling

in zaak I

4.1.

[eiser] stelt dat hij voor de helft eigenaar is van het schilderij dat zich nu onder Redivivus bevindt (vordering 1.) en maakt aanspraak op betaling van USD 60.000 door [gedaagde 1] (vordering 2.). Hij stelt dat hij een samengestelde overeenkomst met [gedaagde 1] heeft gesloten, met deze twee rechtsgevolgen. Deze overeenkomst, die volgens [eiser] blijkt uit de onder 2.7 en 2.9 bedoelde verklaringen, bestaat uit een bijzonder samenwerkingsverband (“contract of joint activity”) en een geldleningsovereenkomst.

i) de helft van de eigendom van het schilderij dat zich onder Redivivus bevindt (vordering 1)

4.2.

Partijen hebben geen rechtskeuze gemaakt voor het recht dat de relevante geschilpunten beheerst.

4.3.

Het goederenrechtelijk regime met betrekking tot een zaak wordt beheerst door het recht van het grondgebied waar de zaak zich bevindt (artikel 10:127 lid 1 BW). Voor overgang van rechten op een zaak is bepalend het tijdstip waarop de daarvoor noodzakelijke rechtsfeiten geschieden (artikel 10:127 lid 5 BW). Voor de bepaling van het toepasselijk recht op de door [eiser] gestelde eigendomsoverdracht van (een aandeel in) het schilderij aan [eiser] , komt het dus aan op de plaats waar het schilderij zich in oktober en november 2010 bevond. Volgens [eiser] heeft [gedaagde 1] eind 2010 het schilderij aan hem laten zien in [plaats 1] . Volgens [gedaagde 1] was het schilderij toen in [plaats 3] .

4.4.

Volgens [eiser] is de titel voor de eigendomsoverdracht van (het 50% aandeel in) het schilderij dat zich thans onder Redivivus bevindt, gelegen in het bijzonder samenwerkingsverband dat hij stelt te zijn aangegaan met [gedaagde 1] . [eiser] stelt dat de onder 2.7 bedoelde verklaring naar Russisch recht de verplichting van [gedaagde 1] inhoudt tot het tot stand brengen van gemeenschappelijk eigendom van het schilderij in het samenwerkingsverband waarin [eiser] geld inbracht (volgens [eiser] in totaal USD 40.000) en [gedaagde 1] het schilderij, om daarmee gezamenlijke activiteiten te verrichten (te weten het onderzoek naar de leeftijd en authenticiteit van het schilderij).

4.5.

[gedaagde 1] voert hier tegen aan dat de onder 2.7 bedoelde verklaring niet ziet op het schilderij dat zich thans onder Redivivus bevindt, maar op een gelijkend schilderij van [eiser] met andere afmetingen (hierna: het gelijkende schilderij).

4.6.

Op grond van artikel 4 Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, PbEU 2008, L 177/6 (Rome I), wordt de vraag of partijen de door [eiser] gestelde samengestelde overeenkomst zijn aangegaan, beheerst door Russisch recht, nu vaststaat dat zowel [eiser] , als [gedaagde 1] ten tijde van het sluiten van de gestelde overeenkomst woonplaats hadden in Rusland, zij beiden bovendien Russisch staatsburger zijn en de overeenkomst ook in Rusland is aangegaan.

4.7.

Vaststaat dat [eiser] en [gedaagde 1] elkaar eind 2010 in [plaats 1] hebben ontmoet en dat [eiser] op 26 oktober 2010 en 13 november 2010 de onder 2.6 en 2.8 bedoelde geldsommen heeft overhandigd aan [gedaagde 1] , die toen de onder 2.7 en 2.9 bedoelde verklaringen heeft opgesteld en ondertekend. Partijen wijzen op de verschillende vertalingen van de onder 2.7 bedoelde verklaring. De betekenis van deze verklaring en van wat eind 2010 is voorgevallen tussen partijen is relevant zowel voor de vraag welk recht van toepassing is op de door [eiser] gestelde eigendomsoverdracht van het schilderij dat zich nu onder Redivivus bevindt als voor de vraag of partijen de door [eiser] gestelde samengestelde overeenkomst hebben gesloten uit hoofde waarvan [eiser] volgens zijn stelling voor de helft eigenaar van dit schilderij is geworden. [eiser] en [gedaagde 1] hebben een verschillende lezing van hetgeen eind 2010 is voorgevallen.

4.8.

[eiser] stelt hierover het volgende:

  1. [gedaagde 1] , die hij medio 2002 voor het eerst heeft ontmoet en met wie hij nadien verschillende kunstaankopen heeft gerealiseerd, heeft [eiser] in de zomer van 2010 benaderd met de mededeling dat hij een schilderij had gevonden van een onbekende kunstenaar, dat waarschijnlijk het schilderij Crossed white square van Kasimir Malevitsj was. [gedaagde 1] heeft [eiser] toen de foto van het schilderij getoond, die is gevoegd bij de schriftelijke verklaring van [eiser] als appendix 1. [eiser] zag op de foto dat de bovenrand van het canvas beschadigd was. [gedaagde 1] verzekerde hem dat dit makkelijk kon worden gerestaureerd. [gedaagde 1] stelde voor dat [eiser] de helft van dat schilderij in eigendom zou verkrijgen als [eiser] de aankoop en onderzoek naar de ouderdom en de authenticiteit van dat schilderij zou financieren. [eiser] heeft dit aanbod aanvaard, onder de voorwaarde dat [C] de ouderdom van het schilderij zou vaststellen. [eiser] heeft geld voor het onderzoek van [C] verstrekt aan [gedaagde 1] .

  2. [gedaagde 1] heeft in het midden van de maand oktober 2010 een rapport van 14 oktober 2010 van [C] aan [eiser] verstrekt, met de onder 2.4 bedoelde inhoud – te weten dat de bovenlaag van het onderzochte schilderij niet later is geschilderd dan de eerste 25 jaar van de twintigste eeuw. Na ontvangst van dit rapport heeft [eiser] telefonisch contact gezocht met [C] en haar gevraagd om het rapport en de daarin getrokken conclusie te bevestigen. Zij bevestigde aan [eiser] dat zij het rapport had opgesteld en ook de daarin getrokken conclusie.

  3. Op 26 oktober 2010 heeft [eiser] in het kantoor van een vriend in [plaats 1] op 26 oktober 2010 USD 20.000 in contanten gegeven aan [gedaagde 1] , die toen de onder 2.7 bedoelde verklaring heeft opgesteld, waarin hij bevestigde dat hij dat bedrag ontving in ruil voor 50% eigendom van het schilderij.

  4. [gedaagde 1] vroeg twee weken later om meer geld voor werkzaamheden. [eiser] heeft hem op 13 november 100.000 roebel overhandigd, waarbij [gedaagde 1] de onder 2.9 bedoelde verklaring heeft opgesteld.

  5. Tot dan toe had [eiser] alleen een foto van het schilderij gezien. Eind 2010 heeft [gedaagde 1] het schilderij aan [eiser] laten zien tijdens een ontmoeting in [plaats 1] . [gedaagde 1] zei dat dit het schilderij was waarvan zij de gezamenlijke eigendom overeen gekomen waren. Het schilderij was toen opgerold en niet ingelijst. Het viel [eiser] op dat het doek niet beschadigd was. [gedaagde 1] vertelde hem dat het schilderij net was gerestaureerd.

  6. Na deze bijeenkomst heeft [eiser] aan [gedaagde 1] laten weten dat hij een potentiële koper had voor het schilderij, die een bevestiging van een Duitse expert als voorwaarde stelde. [eiser] en [gedaagde 1] hebben afgesproken dat [gedaagde 1] het deskundigenonderzoek in Duitsland zou afwikkelen. [eiser] heeft daarna niets meer vernomen van [gedaagde 1] .

4.9.

[gedaagde 1] stelt daar tegenover dat het schilderij in 2010 in [plaats 3] was, bij [galeriehouder] , galeriehouder in [plaats 3] en kennis van de familie [gedaagde 1] . Volgens [gedaagde 1] heeft zijn zoon [zoon van gedaagde 1] het schilderij in april 2008 voor zijn vader in bewaring gegeven bij [galeriehouder] , die het schilderij tot 2014 in bewaring heeft gehouden in zijn appartement in [plaats 3] en het schilderij in 2010 alleen heeft getoond aan kunstverzamelaar [kunstverzamelaar] . Over het contact met [eiser] in 2010 voert [gedaagde 1] het volgende aan:

  1. [eiser] nam in 2010 contact op met [gedaagde 1] , met de mededeling dat hij een schilderij in bezit had waarvan hij dacht dat [gedaagde 1] daarin zou zijn geïnteresseerd. [eiser] liet [gedaagde 1] een foto zien van het bedoelde schilderij, dat een sterkte gelijkenis vertoonde met het schilderij van [gedaagde 1] . Het gelijkende schilderij van [eiser] is echter een stuk kleiner dan het schilderij van [gedaagde 1] , namelijk 103 x 70,5 cm. [gedaagde 1] heeft niet aan [eiser] verteld dat hij eigenaar was van het schilderij. Hij was geïnteresseerd in het bevestigd krijgen van de authenticiteit van het gelijkend schilderij.

  2. Tijdens een bijeenkomst in [plaats 1] op 26 oktober 2010 hebben [gedaagde 1] en [eiser] afgesproken dat [gedaagde 1] onderzoek zou laten doen naar de ouderdom en de maker van het gelijkend schilderij. Met het oog daarop ontving [gedaagde 1] USD 20.000 in contanten van de stiefbroer van [eiser] , [stiefbroer eiser] . [gedaagde 1] en [eiser] spraken af dat, indien de onderzoekswerkzaamheden in mei 2011 zouden zijn voltooid, [gedaagde 1] USD 60.000 zou betalen aan [eiser] en in ruil daarvoor het recht zou verkrijgen op 50% van de verkoopopbrengst van het gelijkende schilderij. De onder 2.7 bedoelde verklaring geeft volgens [gedaagde 1] deze afspraak weer.

  3. [eiser] heeft het gelijkende schilderij echter nooit afgegeven aan [gedaagde 1] , die daardoor de onderzoekswerkzaamheden niet kon laten uitvoeren. Na verloop van tijd is [gedaagde 1] ervan uitgegaan dat hij die werkzaamheden ook niet meer behoefde uit te laten voeren. Hij heeft toen de USD 20.000 terugbetaald.

4.10.

[eiser] , die zich op het rechtsgevolg beroept en op wie de bewijslast rust, zal worden toegelaten de onder 4.8 bedoelde feitelijke gang van zaken in 2010 te bewijzen.

ii) betaling van USD 60.000 (vordering 2)

4.11.

De vordering van [eiser] tot betaling door [gedaagde 1] van USD 60.000 spruit voort uit dit geldleningsdeel van de door [eiser] gestelde samengestelde overeenkomst met [gedaagde 1] . Volgens [eiser] hebben partijen daarbij afgesproken dat [gedaagde 1] (in mei 2011) een bedrag van USD 60.000 diende te betalen aan [eiser] , ongeacht of de samenwerking tussen hen was voltooid. [gedaagde 1] betwist dit.

4.12.

Met partijen is de rechtbank van oordeel dat op het ‘geldleningsdeel’ van de overeenkomst het Russische recht van toepassing is op grond van artikel 4 Rome I, nu zowel [eiser] als [gedaagde 1] ten tijde van het sluiten van de overeenkomst woonplaats hadden in Rusland. Onbesproken kan blijven of dit deel van de overeenkomst kan worden aangemerkt als overeenkomst van geldlening, of (slechts) als een schuldbekentenis van de zijde van [gedaagde 1] .

4.13.

Ook in dit verband twisten partijen over de vraag wat zij op 26 oktober 2010 zijn overeengekomen en welke betekenis moet worden toegekend aan de onder 2.7 bedoelde verklaring. [eiser] , op wie de bewijslast rust, wordt toegelaten tot het bewijs van zijn stelling dat partijen hebben afgesproken dat [gedaagde 1] (in mei 2011) een bedrag van USD 60.000 diende te betalen aan [eiser] , ongeacht of de samenwerking tussen hen was voltooid.

Zaak II (in conventie en in reconventie)

4.14.

[gedaagde 1] stelt dat Redivivus het schilderij zonder recht houdt en eist het schilderij op van Redivivus (vordering 1 t/m 3 in conventie), die een retentierecht uitoefent op het schilderij in verband met een vordering tot betaling van redelijk loon voor de aanvullende werkzaamheden waarvan zij betaling vordert (vordering 1 in reconventie).

4.15.

Niet ter discussie staat dat Redivivus een retentierecht heeft indien zij de gestelde vordering heeft op [gedaagde 1] en dat zij – andersom – bij gebreke van die vordering het schilderij zonder recht houdt. Het lot van de revindicatievordering hangt dus af van het antwoord op de vraag of Redivivus de door haar gestelde vordering heeft op [gedaagde 1] . De kern van het geschil over de onder 4.14 bedoelde vorderingen is daarmee gelegen in de vraag of [gedaagde 1] aan Redivivus opdracht heeft gegeven voor aanvullende werkzaamheden en of Redivivus uit dien hoofde aanspraak kan maken op vergoeding van redelijk loon.

4.16.

Het bestaan en de geldigheid van een overeenkomst worden beheerst door het recht dat ingevolge Rome I toepasselijk zou zijn, indien de overeenkomst of de bepaling geldig zou zijn (artikel 10 lid 1 Rome I). De door Redivivus gestelde overeenkomst met [gedaagde 1] , die naar Nederlands recht kwalificeert als een overeenkomst van opdracht, is voor de toepassing van Rome I een overeenkomst inzake dienstverlening, die wordt beheerst door het recht van het land waar de dienstverlener zijn gewone verblijfplaats heeft (artikel 4 lid 1 aanhef en sub b Rome I). Nu Redivivus is gevestigd in Nederland, dient de vraag of [gedaagde 1] en Redividus zijn overeengekomen dat Redividus aanvullende werkzaamheden zou verrichten en wat de inhoud van die overeenkomst is, te worden beantwoord naar Nederlands recht.

Overeenkomst van opdracht ?

4.17.

Een overeenkomst komt tot stand door een aanbod en de aanvaarding daarvan. Aanbod en aanvaarding van de gestelde overeenkomst van opdracht zijn niet aan een bepaalde vorm gebonden. De inhoud ervan wordt bepaald door de wilsvertrouwensleer. De wilsovereenstemming moet betrekking hebben op de essentialia van de gestelde overeenkomst van opdracht. Kenmerkend voor een overeenkomst van opdracht is dat de ene partij de andere partij – anders dan op grond van arbeidsovereenkomst – bepaalde verrichtingen opdraagt. Niet vereist is dat een tegenprestatie wordt overeengekomen.

4.18.

Vaststaat dat Redivivus en [gedaagde 1] , nadat Redividus in opdracht van [gedaagde 1] restauratiewerkzaamheden had verricht aan het schilderij, begin 2016 hebben gesproken over aanvullende werkzaamheden (zie 2.12). Daarna heeft Redivivus het onder 2.14 bedoelde onderzoeksvoorstel van 4 april 2016 gedaan, dat zij op 5 april 2014 per mail aan [zoon van gedaagde 1] heeft gezonden (zie onder 2.15). De mail van 5 april 2016 vermeldt dat het onderzoeksvoorstel een “draft/working document” is met verder te bespreken ideeën. Hiermee bevat de onder 2.15 bedoelde mail met bijlage van 5 april 2016 het aanbod om de in het onderzoeksvoorstel gespecificeerde en nader te bespreken/bepalen aanvullende werkzaamheden te verrichten, tegen een nader overeen te komen prijs.

4.19.

Het onderzoeksvoorstel is op 8 april 2016 besproken met [gedaagde 1] . Volgens [gedaagde 1] is het daarbij gebleven. In de optiek van Redivivus cs is tijdens dit gesprek met zoveel woorden overeenstemming bereikt over de uitvoering van de aanvullende werkzaamheden, die met een handdruk is bezegeld. In dat laatste geval is het aanbod expliciet aanvaard. Als de lezing van [gedaagde 1] juist is, is naar het oordeel van de rechtbank evenzeer sprake van aanvaarding van het aanbod. Wat precies is voorgevallen op 8 april 2016 kan dus onbesproken blijven. De rechtbank licht dit als volgt toe.

4.20.

De aanvaarding van het voorstel door [gedaagde 1] in diens lezing van de feiten ligt besloten in de bespreking van het onderzoeksvoorstel op 8 april 2016 en de daaropvolgende uitvoering daarvan, die in nauw overleg met [gedaagde 1] plaatsvond. [gedaagde 1] was aanwezig bij het onder 2.18 bedoelde gesprek op 8 april 2016 met [G] , met wie Redivivus volgens het onderzoeksvoorstel mogelijk zou samenwerken bij het voorgestelde onderzoek naar de eigendomsgeschiedenis (de provenance) van het schilderij. Daaruit en uit de onder 2.19 tot en met 2.29 en de 2.33 tot en met 2.41 bedoelde e-mailberichten volgt dat Redivivus de aanvullende werkzaamheden afstemde met [zoon van gedaagde 1] , die daarvoor, steeds in de vorm van “we”, instructies gaf (zie bijvoorbeeld de onder 2.29 bedoelde e-mail). Dit impliceert dat [zoon van gedaagde 1] in samenspraak met zijn vader communiceerde met Redivivus. Dat volgt ook uit de onder 2.24 tot en met 2.26 bedoelde e-mailberichten, waarin te lezen is dat [zoon van gedaagde 1] in samenspraak met zijn vader bepaalt welke informatie aan Redivivus wordt verstrekt. Verder zijn tijdens de onder 2.30 bedoelde bijeenkomst op 15 juni 2016, waar [gedaagde 1] aan deelnam, gedetailleerde afspraken gemaakt over de verdere uitvoering van de aanvullende werkzaamheden, die Redivivus in de onder 2.31 bedoelde mail bevestigt te zullen uitvoeren.

4.21.

De standpunten van [gedaagde 1] dat Redivivus op eigen houtje handelde en de werkzaamheden voor eigen rekening en risico uitvoerde en dat [zoon van gedaagde 1] niet namens zijn vader communiceerde stroken niet met de feitelijke gang van zaken, zoals die uit de hiervoor aangehaalde e-mailberichten en de notulen van de bijeenkomst van 15 juni 2016 volgt. Daaruit kan worden afgeleid dat [gedaagde 1] instemde met de (uitvoering van de) in het onderzoeksvoorstel omschreven en in onderling overleg nader te bespreken/bepalen aanvullende werkzaamheden door Redivivus. Dit een en ander vindt bevestiging in het gegeven dat [gedaagde 1] geen opmerking heeft gemaakt naar aanleiding van de onder 2.42bedoelde mededeling van Redivivus in de e-mail van 8 juni 2017 dat zij voortgaat met “the consulating work on the painting as agreed upon”. Tot slot heeft [gedaagde 1] in zijn aangifte van 25 oktober 2017 zelf verklaard dat hij aan Redivivus opdracht had gegeven tot het verrichten van de nadere werkzaamheden.

4.22.

Met deze aanvaarding door [gedaagde 1] van het in het onderzoeksvoorstel vervatte aanbod om de aanvullende werkzaamheden te verrichten en het in onderling overleg verder uitvoeren van die werkzaamheden, is wilsovereenstemming bereikt over de essentialia van een overeenkomst van opdracht. Het door [gedaagde 1] benadrukte ontbreken van overeenstemming over de (hoogte van de) beloning, staat daaraan niet in de weg, aangezien de (hoogte van de) beloning niet behoort tot de essentialia van een overeenkomst van opdracht, die ook om niet kan worden aangegaan. Redivivus heeft als opdrachtnemer die beroepsmatig handelt op grond van de wet aanspraak op een redelijk loon, dat dus niet overeengekomen behoeft te worden.

4.23.

[gedaagde 1] en Redivivus hebben nooit overeenstemming bereikt over de (hoogte van de) beloning voor de aanvullende werkzaamheden, hoewel zij wel daarover hebben gesproken. Zie bijvoorbeeld de onder 2.32 t/m 2.34 bedoelde e-mails, waarin een beloning van een percentage (1%/1,21%) van de verkoopprijs aan de orde is. Hoewel [gedaagde 1] in zijn onder 2.45 bedoelde bericht van 23 augustus 2017 nog schrijft dat hij bereid is dit percentage te betalen aan Redivivus, hebben partijen daarover nooit definitief overeenstemming bereikt, net zo min als over de andere aanvullende opdrachten (het verkrijgen van een positieve verklaring van prof. [J] over het schilderij en verkoop van het schilderij, zie het onder 2.43 bedoelde voorstel en de daarop volgende e-mailwisseling met onder meer de onder 2.46 bedoelde concept-overeenkomst). Dat [gedaagde 1] en Redivivus het niet eens zijn geworden over de (hoogte van de) beloning voor de aanvullende werkzaamheden en evenmin over andere aanvullende opdrachten, doet niet af aan de reeds bereikte overeenstemming over de opdracht tot het verrichten van de aanvullende werkzaamheden die Redivivus vanaf 8 april 2016 ter hand heeft genomen.

4.24.

Gezien het voorgaande gaat het primaire standpunt van [gedaagde 1] , dat hij nimmer een overeenkomst van opdracht voor de aanvullende werkzaamheden heeft gesloten met Redivivus niet op.

Overeenkomst ontbonden ?

4.25.

Subsidiair stelt [gedaagde 1] dat hij de overeenkomst met de onder 2.48 bedoelde brief van 19 september 2017 heeft ontbonden omdat Redivivus is tekortgeschoten in de nakoming daarvan.

4.26.

Ook deze stelling gaat niet op. Nu nakoming van de overeenkomst van opdracht niet tijdelijk of blijvend onmogelijk was, is verzuim vereist om een tekortkoming te kunnen aannemen die grond kan geven voor ontbinding. In dit geval is een ingebrekestelling nodig voor het intreden van verzuim. In zijn brief van 19 september 2017 beëindigt [gedaagde 1] de overeenkomst rauwelijks en geeft hij te kennen dat hij vindt dat Redivivus voldoende is betaald voor de door haar uitgevoerde werkzaamheden. Redivivus wijst met juistheid erop dat zij hiermee niet op deugdelijke wijze in gebreke is gesteld voor de nu door [gedaagde 1] gestelde tekortkomingen.

Overeenkomst vernietigd?

4.27.

Meer subsidiair stelt [gedaagde 1] dat de overeenkomst bij akte in een van de kort geding procedures is vernietigd op grond van dwaling, bestaande uit een door Redivivus gegeven onjuiste voorstelling van zaken over haar expertise en haar voor de aanvullende werkzaamheden relevante kwalificaties.

4.28.

[gedaagde 1] beroept zich ter onderbouwing van het gestelde ontbreken van deskundigheid en professionaliteit op een schriftelijke verklaring van [V] over een ondermaats infrarood onderzoek door Redivivus, die deze verklaring heeft weerlegd door gemotiveerd en onderbouwd uiteen te zetten dat zij vrijblijvend en kosteloos een infraroodfoto heeft gemaakt voor [V] , hetgeen niet gelijk gesteld kan worden aan een volwaardig infraroodonderzoek. Gezien deze niet door [gedaagde 1] weersproken toelichting, gaat de rechtbank voorbij aan de verklaring van [V] .

4.29.

[gedaagde 1] stelt voorts dat na anderhalf jaar niets is gebleken van de gestelde deskundigheid omdat Redivivus geen enkele expert heeft kunnen overtuigen iets over het schilderij te verklaren en niet heeft gerapporteerd over de technische aspecten van het onderzoek.

4.30.

Ook deze stelling gaat niet op. Redivivus heeft erop gewezen dat verschillende experts vraagtekens hebben gesteld bij de authenticiteit van het schilderij. Dat volgt ook uit de terugkoppeling die Redivivus aan [gedaagde 1] heeft gegeven over het telefoongesprek met [L] (zie 2.23) en het onder 2.50 bedoelde bericht van [T] . Redivivus heeft voorts toegelicht dat zij de door haar gemaakte rapportage van haar werkzaamheden niet aan [gedaagde 1] heeft overhandigd omdat hij weigert haar te betalen voor die werkzaamheden.

4.31.

Nu de stellingen van [gedaagde 1] de door hem gestelde onjuiste voorstelling van zaken niet kunnen dragen, is er geen grond voor vernietiging van de overeenkomst.

Overeenkomst tussentijds beëindigd?

4.32.

Uiteindelijk zijn partijen wel het erover eens dat de overeenkomst op ieder moment tussentijds kon worden beëindigd, gelijk [gedaagde 1] bij zijn onder 2.48 bedoelde brief van 19 september 2017 heeft gedaan. Gezien hun standpunten gaan partijen ervan uit dat dit een tussentijdse beëindiging is, voordat de opdracht was voltooid.

Redelijk loon ex artikel 7:411 BW

4.33.

In de gegeven situatie zonder overeenstemming over (de hoogte van) de beloning voor de aanvullende werkzaamheden, geeft artikel 7:404 lid 2 BW Redivivus als beroepsmatig opdrachtnemer aanspraak op redelijk loon. Nu de opdracht tussentijds is beëindigd, heeft Redivivus op grond van artikel 7:411 BW aanspraak op (een deel van) het redelijk loon. De stelplicht en de bewijslast voor de voor het redelijk loon relevante feiten en omstandigheden ligt op Redivivus, die zich op het rechtsgevolg beroept.

4.34.

Het door Redivivus gevorderde bedrag aan redelijk loon is gebaseerd op een schatting. Redivivus heeft toegelicht dat zij in het kader van het kort geding een voorzichtige schatting heeft gemaakt van de bestede tijd. Vanwege de 1,21% afspraak heeft zij geen urenregistratie bijgehouden, aldus Redivivus, die in het kort geding een kostenstaat heeft ingediend van € 225.937 (incl. btw), opgebouwd uit:

  • -

    75 dagen werk door [gedaagde 2] tegen een tarief van € 1.500 per dag: € 120.500,

  • -

    37,5 dagen werk door [P] ( [P] ) tegen een tarief van € 1.100 per dag: € 41.250,

  • -

    € 16.000 aan opslagkosten.

Dit bedrag van in totaal € 169.750 is verhoogd met 10% aan kosten (€ 16.975) en 21% btw (€ 39.212), waardoor het totaal komt op € 225.937.

4.35.

Redivivus stelt dat deze schatting destijds onder grote tijdsdruk heeft plaatsgevonden en daarom niet bijzonder gespecificeerd is. Zij stelt inmiddels nauwkeuriger zicht te hebben op de door haar bestede tijd en met name de door haar gemaakte kosten. Haar vordering 1. in reconventie is gebaseerd op een nadere schatting van € 267.986 (incl. btw), te vermeerderen met de toekomstige opslagkosten. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:

110 dagen werk door [gedaagde 2] tegen een tarief van € 1.440 per dag:

€ 158.400 ex btw/€ 191.664 incl. btw

50 dagen werk door [P] tegen een tarief van € 800 per dag:

€ 40.000 ex btw/€ 48.400 incl btw.

- Reis- en verblijfkosten ( Amsterdam , 3x London, 2x New York en Chicago):

€ 8.040 ex btw/€ 9.729 incl. btw

- Verschillende kostenposten (vertaling, advocatenkosten, notariskosten, boeken, kopieerkosten en opslag sinds oktober 2017):

€ 7.100 ex btw/€ 8.591 incl. btw

- Overhead/kantoorkosten:

€ 7.936 ex btw/€ 8.591 incl. btw

4.36.

Bij de bepaling van het bedrag aan redelijk loon waarop Redivivus aanspraak kan maken op grond van artikel 7:411 BW moet vooreerst de inhoud van de aan Redivivus verstrekte opdracht worden bepaald. Verder moet onder meer worden rekening gehouden met de reeds door Redivivus verrichtte werkzaamheden, het voordeel dat [gedaagde 1] daarvan heeft en de grond waarop de overeenkomst is geëindigd. De in aanmerking te nemen grond voor beëindiging is de tussentijdse beëindiging door [gedaagde 1] (zie r.o. 4.32).

De inhoud van de opdracht

4.37.

Bij de bepaling van de inhoud van de opdracht neemt de rechtbank het onderzoeksvoorstel van Redivivus van 4 april 2016 uitgangspunt. Uit de weergave van de feiten (onder 2) volgt dat de opdracht nadien is bijgesteld, hetgeen strookt met het gegeven dat het onderzoeksvoorstel een working document was (zie de onder 2.15 bedoelde mail van 5 april 2016). De nadere afspraken volgen uit de onder 2.19, 2.28, 2.29 bedoelde e-mails en de notulen van de vergadering van 15 juni 2016 (zie 2.30) en de onder 2.33 en 2.34 bedoelde mails. Gezien voormelde stukken hield de door [gedaagde 1] aan Redivivus gegeven opdracht resumerend het navolgende in:

1. onderzoek naar de eigendomsgeschiedenis, waarbij aandacht moest worden besteed aan:

i) het gat tussen 1924-1940,

ii) informatie over eerdere eigenaren (overeenkomsten, foto’s etc) om de koopovereenkomst van [A] te bevestigen,

iii) de bedoeling van N11 van de ondertekening,

iv) onderzoek naar eventueel (door Malevitsj) aangebrachte veranderingen aan het schilderij, waarbij ook aandacht moet worden besteed aan eventuele veranderingen die hij heeft aangebracht in andere schilderijen.

Tijdens de bespreking op 15 juni 2016 is over het onderzoek naar de eigendomsgeschiedenis verder afgesproken dat Redivivus:

v) contact opneemt met [K] om een op schrift gestelde bevestiging te krijgen dat de afbeelding in het Jahrbuch der Jungen Kunst een olieverf schilderij is,

vi) uiterlijk 25 juni 2016 feedback krijgt van [K] over [O] , die een Malevitsj catalogue raisonné van de tentoonstelling in Berlijn van 1927 heeft gemaakt, waarin een afbeelding staat van het kruis waarnaar als schilderij wordt verwezen,

vii) [P] inschakelt en betaalt voor onderzoekswerk, dat moet worden besproken met [gedaagde 1] die daarmee moet instemmen vanwege de extra kosten. Afgesproken wordt dat [P] voltijds onderzoek zal doen naar de archieven van [D] , [A] , [Q] (Jahrbuch), [R] etc en uiterlijk 25 juni 2016 begint met rapporteren,

viii) contact opneemt met [R] , de auteur van Malevich the Graphic Work: 1913-1930 (1975) waarin een afbeelding staat van het schilderij als olieverf schilderij.

In de onder 2.33 en 2.34 bedoelde mails is verder afgesproken dat

ix) [P] in oktober naar het Lissitsky archief in Hannover gaat.

2. gesprekken met Malevitsj experts

3. technisch onderzoek naar:

a. de rood over rood verf (samenstelling van de verflagen, antwoord op de vraag of de zwarte, rode en witte overschilderingen van gelijke datum zijn),

b. de rode handtekening (meer inzicht in het pigment en de vroegst mogelijke datum dat dit kon zijn gebruikt, antwoord op de vraag of de handtekening tegelijk met de rest van de schildering is aangebracht).

In de onder 2.33 en 2.34 bedoelde mails is verder afgesproken dat

c. de thread count (verder) zou worden uitgevoerd

d. [P] röntgenonderzoek had uitgevoerd.

4. vergelijken van de uitkomsten van het technisch onderzoek met andere werken van Malevitsj, met een focus op de materialen door:

i) vergelijking van het canvas, de grondlagen en de pigmenten,

ii) bezien onderzoek door Tretiakov Gallery Moscow, Ludwig Collection te Keulen, het Russisch staatsmuseum in Sint Petersburg, Tate Modern in London en het Stedelijk Museum in Amsterdam ,

iii) contact opnemen met ten minste twee van deze instellingen voor verdere informatie/vergelijking

5. vergelijken van de techniek van het schilderen met andere werken van Malevitsj:

i) vergelijking van de manier waarop de vormen geschilderd zijn (gebruik van karton), verfstreken,

ii) vergelijking van overgeschilderde werken,

iii) vergelijking van de ondertekening van andere werken, met de volgende vragen zijn de werken in het Stedelijk Museum gesigneerd? Zijn er foto’s van de achterkant buiten de rand? Zijn er andere vergelijkingen te vinden voor de rode verf?

iv) vergelijking met werken uit 1919 (die allemaal een rand hebben of op paneel geschilderd zijn dus moeilijk te vergelijken) en met eerdere/latere werken

4.38.

Partijen nemen tot uitgangspunt dat Redivivus haar bevindingen rapporteert aan [gedaagde 1] , niet alleen tussentijds, maar ook in de vorm van een (afsluitende) rapportage over het schilderij.

4.39.

Noch het onderzoeksvoorstel, noch de daarop volgende e-mailberichten en de notulen van de bespreking van 15 juni 2016 geven enig aanknopingspunt voor het oordeel dat [gedaagde 1] en Redivivus – zoals [gedaagde 1] stelt – een resultaatsverbintenis zijn overeengekomen, die inhoudt dat Redivivus ervoor zorgt dat wordt vastgesteld het schilderij een authentieke Malevitsj is. Of de bevindingen al dan niet leiden tot de door [gedaagde 1] gehoopte of gewenste conclusie omtrent de authenticiteit van het schilderij, is dus niet doorslaggevend voor het antwoord op de vraag of de aanvullende werkzaamheden al dan niet aan de verbintenis (de opdracht) voldoen.

De uitgevoerde werkzaamheden

4.40.

Gezien de onder de feiten weergegeven terugkoppelingen van de werkzaamheden, en de standpunten van partijen, staat vast dat Redivivus tenminste een deel van de aan haar opgedragen werkzaamheden heeft uitgevoerd. De rechtbank overweegt daarover het volgende.

1. onderzoek naar de eigendomsgeschiedenis,

4.41.

In het onderzoeksvoorstel staat dat dit onderzoek zou worden gedaan in samenwerking met [G] , die echter na het gesprek op 8 april 2016 te kennen gaf daaraan geen medewerking te kunnen verlenen. Redivivus heeft het onderzoek daarna zelf ter hand genomen, met inschakeling van [P] . Op 15 juni 2016 hebben Redivivus en [gedaagde 1] nadere afspraken gemaakt over het onderzoek naar de eigendomsgeschiedenis van het schilderij. Tot die afspraken behoort dat Redivivus contact opneemt met prof. [K] teneinde een op schrift gestelde bevestiging te verkrijgen dat de afbeelding in het Jahrbuch der Jungen Kunst een olieverfschilderij is en dat overleg zal plaatsvinden met [O] .

4.42.

Redivivus heeft toegelicht dat zij contact met [K] heeft gehad en vervolgens een lange zoektocht heeft uitgevoerd om de originele foto terug te vinden, met als resultaat de bevinding dat de foto zich in een archief in Hamburg heeft bevonden dat na een bombardement in de tweede wereldoorlog in vlammen is opgegaan. Dit is gemeld aan [zoon van gedaagde 1] (zie de onder 2.33 bedoelde e-mail). Redivivus heeft toegelicht dat [O] heeft laten weten niets aan discussie over het in 1927 tentoongestelde schilderij te kunnen toevoegen.

4.43.

[gedaagde 1] voert aan dat hij niet inziet hoe het onderzoek naar de echtheid van het schilderij dan wel de eigendomsgeschiedenis geholpen zou zijn of zou worden ondersteund door naspeuringen naar de afbeelding in het Jahrbuch der Jungen Kunst en het voorhouden daarvan aan prof. [K] . Ook merkt hij op dat de relevantie van overleg met [O] twijfelachtig is. Of dat een en ander zo is kan onbesproken blijven, nu [gedaagde 1] tijdens de bijeenkomst van 15 juni 2016 expliciet opdracht heeft gegeven aan Redivivus om deze naspeuringen te verrichten. Dat deze naspeuringen niet hebben geleid tot het door [gedaagde 1] gewenste resultaat, neemt niet weg dat Redivivus daarvoor een redelijk loon dient te ontvangen. Zoals hiervoor onder 4.39 is overwogen, is de aanspraak op het redelijk loon van Redivivus niet afhankelijk van een bepaald resultaat.

4.44.

Redivivus stelt dat zij uitvoerige werkzaamheden heeft verricht en daarvan een rapport heeft opgesteld dat zij dat (nog) niet aan [gedaagde 1] heeft overhandigd, omdat zij niet voor haar werkzaamheden is betaald. [gedaagde 1] betwist dat dit onderdeel van de opdracht (naar behoren) is uitgevoerd en wijst erop dat hij geen enkel tastbaar resultaat onder ogen heeft gekregen. Onduidelijk is wat Redivivus verder heeft gedaan ter uitvoering van dit onderdeel van de opdracht. Zij dient zich daarover uit te laten (zie hierna onder 4.52).

2. gesprekken met Malevitsj experts

4.45.

Vaststaat dat Redivivus contact heeft opgenomen met [L] van het Stedelijk Museum en ook met de eerder aan dit museum verbonden [H] , aan wie zij een foto van het schilderij heeft gestuurd (zie 2.21 en 2.22). Redivivus heeft onweersproken toegelicht dat zij daarna meermalen heeft getracht telefonisch in contact te komen met [H] , maar zonder resultaat. Redivivus hoorde van [L] dat het schilderij al eerder was aangeboden aan dit museum, die toen had geconcludeerd dat het een vervalsing was (zie ook de onder 2.23 tot en met 2.27 bedoelde mails). Daarna heeft [zoon van gedaagde 1] laten weten (in zijn mailbericht van 23 mei 2016 (zie 2.29) dat het geen zin had als [L] het schilderij bekeek, als hij niets op papier wilde zetten en “We now think [H] would be a better option” of [G] , als [G] dat wilde. Redivivus mocht ook contact opnemen met [I] “but we do not see the reason as we already know her point of view.” Vervolgens is op 15 juni 2016 afgesproken dat Redivivus contact zou opnemen met [G] , [H] of [L] “in order to have an informal conversation concerning the painting”. Doel van dat gesprek was hen zo snel mogelijk naar het schilderij te laten kijken en misverstanden over de kopie die ze hadden gezien uit de weg te ruimen. Daarbij is afgesproken dat geprobeerd wordt de ontmoeting uiterlijk 25 juni 2016 te laten plaatshebben (zie de onder 2.30 opgenomen, door [zoon van gedaagde 1] opgestelde notulen van de vergadering van 15 juni 2016). Op 25 juni 2016 hebben [gedaagde 1] en zijn zoon [zoon van gedaagde 1] in het Stedelijk museum gesproken met [L] . Deze afspraak was tot stand gekomen via tussenkomst van Redivivus (zie onder 2.32).

4.46.

Met zijn opmerking over de contacten met de experts van het Stedelijk Museum gaat [gedaagde 1] eraan voorbij dat het onderzoeksvoorstel (onder 2) alleen inhield dat met de daar genoemde experts zou worden gesproken (meetings). Hij gaat voorts voorbij aan hetgeen is voorgevallen toen Redivivus in april 2016 contact opname met de experts van het Stedelijk Museum en aan de daarna gemaakte afspraken over dit onderdeel van de opdracht. Anders dan [gedaagde 1] stelt is niet afgesproken dat Redivivus een ontmoeting met [H] zou verzorgen en dat het Stedelijk Museum onderzoek naar het schilderij zou doen. Afgesproken is alleen dat Redivivus een informeel gesprek zou arrangeren met [H] , [G] of [L] , met het hiervoor aangeduide doel. Redivivus heeft dit gedaan.

4.47.

Uit de schriftelijke verklaring van [gedaagde 1] volgt dat de ontmoeting met [L] teleurstellend was verlopen en dat hij niet tevreden was over de manier waarop hij was behandeld. Wat daarvan ook moge zijn, gesteld noch gebleken is dat dit een en ander op enige wijze aan Redivivus kan worden tegengeworpen. Het is in ieder geval geen reden om te concluderen dat zij de opdracht ten aanzien van het contact met de experts van het Stedelijk Museum niet of onvoldoende heeft vervuld.

4.48.

Niet valt in te zien dat Redivivus door het niet arrangeren van een ontmoeting met [I] , waarvan [gedaagde 1] te kennen heeft gegeven dat dat niet nodig was (zie onder 2.29), niet confrom de opdracht heeft gehandeld. De rechtbank passeert de opmerking van [gedaagde 1] op dit punt.

4.49.

Niet ter discussie staat dat [gedaagde 1] nadrukkelijk niet wenste dat Redivivus contact opname met [J] en dat geen overeenstemming is bereikt over het inwinnen van een expertise bij haar door Redivivus. [gedaagde 1] stelt terecht dat, indien en voor zover Redivivus contact heeft gehad met [J], dit geen onderdeel was van de opdracht en dat Redivivus geen aanspraak kan maken op vergoeding van deze werkzaamheden. Gesteld noch gebleken is van zo’n aanspraak. Redivivus heeft toegelicht dat zij eerst na beëindiging van de opdracht contact heeft gehad met [J] en dat zij geen aanspraak maakt op vergoeding van de daaraan bestede tijd.

4.50.

Redivivus heeft toegelicht dat uitgebreid overleg is gevoerd met [T] . Uit de onder 2. geciteerde e-mails en de notulen van de bijeenkomst van 15 juni 2016 leidt de rechtbank af dat het benaderen van deskundigen steeds in overleg met [gedaagde 1] geschiedde. Daaruit wordt ook duidelijk dat [gedaagde 1] uitgesproken opvattingen had over wie wanneer zou worden benaderd. Tegen deze achtergrond kan het overleg met [T] alleen worden aangemerkt als uitvoering van de opdracht indien dat in overleg met [gedaagde 1] heeft plaatsgehad. Tijdens de comparitie van partijen hebben [gedaagde 2] en [zoon van gedaagde 1] verklaard dat Redivivus in mei 2016 in Chicago heeft gesproken met [T] . [zoon van gedaagde 1] heeft verklaard dat Redivivus heeft verboden verder contact met [T] te hebben. Daarmee valt alleen het contact met [T] in mei 2016 binnen de reikwijdte van de opdracht.

3.-5. technisch en vergelijkend onderzoek

4.51.

Redivivus stelt dat zij uitgebreid technisch en vergelijkend onderzoek heeft verricht, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in de rapportage die zij heeft opgesteld, maar onder zich houdt zolang [gedaagde 1] haar niet betaalt. [gedaagde 1] betwist dat dit onderzoek (op deugdelijke wijze) is verricht en voert daartoe aan dat hij geen rapportage daarvan heeft ontvangen. Ook op dit punt is onduidelijk wat Redivivus heeft gedaan ter uitvoering van dit onderdeel van de opdracht. Zij dient zich daarover uit te laten.

Aktewisseling over de uitvoering van de opdracht

4.52.

Ten aanzien van het onder 1 bedoelde onderzoek naar de eigendomsgeschiedenis van het schilderij en het onder 3 t/m 5 bedoelde technisch en vergelijkend onderzoek dient Redivivus zich uit te laten over de door haar verrichtte werkzaamheden door per subonderdeel van de opdracht inzichtelijk te maken:

  1. welke werkzaamheden concreet zijn verricht,

  2. door wie ( [gedaagde 2] of [P] dan wel iemand anders) deze werkzaamheden zijn verricht,

  3. waar deze werkzaamheden zijn verricht,

  4. (ongeveer) wanneer deze werkzaamheden zijn verricht,

  5. (schattenderwijs) hoeveel tijd aan die werkzaamheden is besteed.

4.53.

Ook dient Redivivus een schatting te geven van de tijd die zij heeft besteed aan de uitvoering van onderdeel 2. van de opdracht zoals omschreven in 4.37, 4.45 en 4.50.

4.54.

[gedaagde 1] zal hierop bij akte kunnen reageren.

4.55.

In deze aktewisseling zullen partijen zich aan de hand van de nadere concretisering door Redivivus nader dienen uit te laten over de vraag of en in hoeverre [gedaagde 1] voordeel heeft gehad van de uitgevoerde werkzaamheden, hetgeen [gedaagde 1] betwist.

4.56.

Tot slot zal Redivivus de door haar opgestelde rapportage moeten deponeren bij de rechtbank, opdat daarvan kennis kan worden genomen met het oog op de beoordeling van de vraag op welk bedrag aan redelijk loon zij aanspraak kan maken. De advocaten van partijen zullen het depot kunnen inzien in het gerechtsgebouw en zullen de inhoud daarvan in hun aktes moeten betrekken.

4.57.

Na deze aktewisseling zal de rechtbank bezien of zij de hoogte van het redelijk loon voor deze werkzaamheden zelf schattenderwijs kan vaststellen dan wel of zij met het oog daarop een deskundige zal benoemen.

Tussenconclusie

4.58.

Redivivus heeft aanspraak op een redelijk loon voor de werkzaamheden die zij heeft verricht ter uitvoering van de opdracht. De hoogte daarvan moet worden bepaald, na de hiervoor bevolen aktewisseling en wellicht na benoeming van een deskundige. Gezien deze aanspraak op een nader te bepalen bedrag aan redelijk loon, kan nu reeds worden geconcludeerd dat Redivivus zich op een retentierecht kan beroepen en dat de vorderingen 1 t/m 3 zullen worden afgewezen. Het verdere geschil is beperkt tot het bedrag waarvoor vordering 1. in reconventie dient te worden toegewezen.

in conventie voorts

4.59.

[gedaagde 1] stelt dat Redivivus en [gedaagde 2] schadeplichtig zijn jegens hem uit hoofde van onrechtmatige daad bestaande uit het weigeren het schilderij af te geven met een beroep op een non-existent retentierecht. Deze vordering stuit af op de hiervoor getrokken conclusie dat aan Redivivus het door haar ingeroepen retentierecht toekomt. Reeds daarom kan geen sprake zijn van het door [gedaagde 1] gestelde ongeoorloofd gebruik van een pressiemiddel. Vordering 4. in conventie ligt voor afwijzing gereed.

in reconventie voorts

4.60.

Voor zover het gevorderde bedrag aan redelijk loon niet wordt toegewezen, vorderen Redivivus c.s. veroordeling van [gedaagde 1] tot betaling van dit bedrag ten titel van schadevergoeding uit hoofde van onrechtmatig daad of nadeelsopheffing in de zin van artikel 6:230 BW. Deze vordering ziet nadrukkelijk niet op de reputatieschade die Redivivus en [gedaagde 2] stellen te hebben geleden, maar niet vorderen. Het gaat om schade bestaande uit gederfde inkomsten en gemaakte en nog te maken kosten, indien en voor zover de primaire vordering in reconventie niet (volledig) wordt toegewezen. Het door Redivivus c.s. gesteld onrechtmatig handelen bestaat – samengevat – uit het verzwijgen van voor (het aannemen van) de opdracht belangrijke informatie en het bewust verstrekken van foutieve informatie en vervalste documenten.

4.61.

Nu bij deze stand van zaken onduidelijk is op welk bedrag aan redelijk loon Redivivus aanspraak kan maken, bestaat voldoende belang bij beoordeling van deze grondslag van vordering 1 en vordering 2 in reconventie.

4.62.

Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde 2] de in dit verband gestelde schade heeft geleden dan wel het gesteld nadeel heeft ondervonden. Haar vordering ligt daarom voor afwijzing gereed.

4.63.

[gedaagde 1] heeft niet weersproken dat hij Redivivus bewust niet heeft geïnformeerd over zijn kennis van het bestaan van een vervalsing en zijn gestelde betrokkenheid daarbij. Dit volgt overigens ook uit de onder 2.24 tot en met 2.26 bedoelde e-mailberichten. Gelet op de hiervoor vastgestelde aard en inhoud van de opdracht van [gedaagde 1] aan Redivivus, had [gedaagde 1] Redivivus op dit punt volledig moeten informeren. Redivivus is echter in een vroeg stadium van de uitvoering van de opdracht op de hoogte geraakt van deze achtergehouden informatie, die [gedaagde 1] vervolgens alsnog heeft verstrekt. Redivivus is daarna voortgegaan met de uitvoering van de opdracht. Nog daargelaten dat Redivivus niet heeft toegelicht welke schade het achterhouden van deze informatie haar heeft berokkend, geldt gezien deze feitelijke gang van zaken dat eventuele schade als gevolg van dit achterhouden van informatie te wijten is aan haar eigen schuld.

4.64.

Niet ter discussie staat dat [gedaagde 1] geen informatie heeft verstrekt aan Redivivus over het conflict met [eiser] over de eigendom van het schilderij. Zonder nadere toelichting – die ontbreekt – valt niet in te zien waarom het niet inlichten van Redivivus over dit conflict onrechtmatig is jegens haar. Wel hebben dit conflict en de onder 2.4, 2.7 en 2.9 bedoelde documenten die zij van [eiser] ontving, volgens de toelichting van Redivivus de bij haar gerezen twijfel en vraagtekens over het schilderij gevoed. Redivivus wijst erop dat de afmetingen van het in deze verklaringen aangeduide schilderij gelijk zijn aan het als vervalsing aangemerkte schilderij dat aan het Stedelijk Museum was aangeboden (zie de onder 2.23 t/m 2.27 bedoeld e-mails en door [gedaagde 1] aan Redivivus verstrekte stukken), terwijl nu volgens Redivivus blijkt dat [gedaagde 1] twee versies van het rapport van [C] heeft verstrekt: de onder 2.4 bedoelde versie aan [eiser] en de onder 2.5 bedoeld versie aan Redivivus. Volgens Redivivus zijn de onder 2.13 bedoelde documenten die [gedaagde 1] had gevoegd bij de aan Redivivus aangeleverde eigendomshistorie vals en is het hoogst onwaarschijnlijk dat het schilderij ooit eigendom is geweest van [W] , zoals vermeld staat in de onder 2.13 bedoelde eigendomshistorie die [gedaagde 1] aan haar heeft gegeven.

4.65.

Gelet op de hiervoor vastgestelde aard en inhoud van de opdracht van [gedaagde 1] aan Redivivus, had [gedaagde 1] Redivivus volledig en juist moeten informeren over de eigendomsgeschiedenis van het schilderij. Indien, zoals Redivivus stelt, [gedaagde 1] bewust een met vervalste documenten onderbouwde en onjuiste eigendomsgeschiedenis van het schilderij heeft verstrekt, moet ook dat handelen dus worden aangemerkt als onrechtmatig jegens Redivivus. [gedaagde 1] heeft weersproken dat hij bewust een met vervalste documenten onderbouwde en onjuiste eigendomsgeschiedenis van het schilderij heeft verstrekt aan Redivivus. De stelplicht en bewijslast van deze stellingen rust bij Redivivus, die zich op het rechtsgevolg daarvan beroept. Zij wordt toegelaten tot het bewijs van haar stelling dat [gedaagde 1] bewust een met vervalste documenten onderbouwde en onjuiste eigendomsgeschiedenis van het schilderij heeft verstrekt aan Redivivus.

in conventie in het incident

4.66.

Nu [gedaagde 1] zijn vordering in het incident in conventie heeft verminderd tot nihil, behoeft deze niet te worden beoordeeld.

in reconventie in het incident

4.67.

De incidentele vordering van Redivivus c.s. zal worden afgewezen. Het belang van deze voor de duur van de procedure gevraagde voorziening is in de kern gelegen in de kosten van bewaring voor het schilderij van € 400 per maand, waarop Redivivus aanspraak kan maken nu zij het schilderij ter uitoefening van een aan haar toekomend retentierecht onder zich houdt. Hoewel [gedaagde 1] in het buitenland woonachtig is en onduidelijk is of hij verhaal biedt voor de eventuele veroordeling in reconventie, bestaat onvoldoende grond voor het treffen van een voorziening in de vorm van het stellen van een bankgarantie door [gedaagde 1] , mede omdat Redivivus reeds beschikt over zekerheid voor haar eventuele vordering, in de vorm van haar uitgeoefende retentierecht op het schilderij.

in alle zaken, in de hoofdzaak en het incident

4.68.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank:

in zaak I

5.1.

laat [eiser] toe tot het bewijs van:

  • -

    de onder 4.8 bedoelde feitelijke gang van zaken in 2010,

  • -

    zijn stelling dat hij met [gedaagde 1] is overeengekomen dat [gedaagde 1] USD 60.000 diende terug te betalen (in mei 2011), ongeacht of de samenwerking tussen hen zou zijn voltooid;

5.2.

bepaalt dat, indien [eiser] het bewijs door middel van getuigen wil leveren, deze zullen worden gehoord door mr. L. Alwin op een door haar te bepalen dag en uur in een van de zalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te Den Haag;

5.3.

bepaalt dat de advocaat van [eiser] en van [gedaagde 1] binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk aan de rechtbank - ter attentie van de griffie van de sector civiel - opgave zullen doen van de verhinderdata van alle betrokkenen voor een periode van drie maanden na heden, waarna dag en uur voor de verhoren zal worden bepaald;

5.4.

bepaalt dat, indien [eiser] het bewijs niet door getuigen wil leveren maar door overlegging van bewijsstukken en/of door een ander bewijsmiddel, dit binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk aan de rechtbank - ter attentie van de griffie van de sector civiel - en aan de wederpartij moet opgeven;

5.5.

bepaalt dat alle partijen – indien zij dat wensen – uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen;

in zaak II

in het incident in reconventie

5.6.

wijst de vorderingen af;

in de hoofdzaak in conventie en in reconventie

5.7.

bepaalt dat Redivivus uiterlijk op 6 maart 2019 de door haar opgestelde rapportage over het schilderij dient te deponeren bij de rechtbank;

5.8.

verwijst de zaak naar de rol van 27 maart 2019 voor aan akte waarin Redivivus:

A. ten aanzien van de onder 1 en 3 t/m 5 bedoelde onderdelen van de opdracht zoals omschreven in r.o. 4.37 per subonderdeel inzichtelijk maakt:

i) welke werkzaamheden concreet zijn verricht,

ii) door wie ( [gedaagde 2] of [P] dan wel iemand anders) deze werkzaamheden zijn verricht,

iii) waar deze werkzaamheden zijn verricht,

iv) (ongeveer) wanneer deze werkzaamheden zijn verricht,

v) (schattenderwijs) hoeveel tijd aan die werkzaamheden is besteed.

B een schatting geeft van de tijd die zij heeft besteed aan de uitvoering onderdeel 2. van de opdracht zoals omschreven in r.o. 4.37, 4.45 en 4.50.

5.9.

bepaalt dat de zaak daarna naar de rol van 24 april 2019 wordt verwezen voor een antwoordakte van [gedaagde 1] ;

5.10.

bepaalt dat partijen in de hiervoor bedoelde aktewisseling ook aandacht dienen te besteden aan:

i) de gedeponeerde rapportage van Redivivus;

ii) de vraag of en in hoeverre [gedaagde 1] voordeel heeft gehad van de uitgevoerde werkzaamheden;

in de hoofdzaak in reconventie

5.11.

laat Redivivus toe tot het bewijs van hun stelling dat [gedaagde 1] bewust een met vervalste documenten onderbouwde en onjuiste eigendomsgeschiedenis van het schilderij heeft verstrekt aan Redivivus;

5.12.

bepaalt dat, indien Redivivus het bewijs door middel van getuigen wil leveren, deze zullen worden gehoord door mr. L. Alwin op een door haar te bepalen dag en uur in een van de zalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te Den Haag;

5.13.

bepaalt dat de advocaat van Redivivus en van [gedaagde 1] binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk aan de rechtbank - ter attentie van de griffie van de sector civiel - opgave zullen doen van de verhinderdata van alle betrokkenen voor een periode van drie maanden na heden, waarna dag en uur voor de verhoren zal worden bepaald;

5.14.

bepaalt dat, indien Redivivus het bewijs niet door getuigen wil leveren maar door overlegging van bewijsstukken en/of door een ander bewijsmiddel, dit binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk aan de rechtbank – ter attentie van de griffie van de sector civiel – en aan de wederpartij moet opgeven;

5.15.

bepaalt dat alle partijen – indien zij dat wensen – uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen;

in alle zaken

5.16.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. Alwin en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2019.