Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:1906

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-02-2019
Datum publicatie
11-03-2019
Zaaknummer
NL18.24551
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afghanistan, Hazara, Kabul, bescherming door autoriteiten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.24551


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. M. Dalloesingh),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Sweerts).

Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van 7 februari 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen D. Madjlessi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Afghaanse nationaliteit en behoort tot de Hazara bevolkingsgroep. Hij is geboren op [geboortedatum] , sjiitische moslim en afkomstig uit Kabul. Op 18 september 2018 heeft hij een asielaanvraag ingediend.

2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag gelegd. Hij is ontvoerd en verkracht door vier onbekende mannen en is na tien dagen tegen betaling van een hoge som losgeld door zijn vader vrijgelaten. Hij is een maand na zijn vrijlating gevlucht omdat hij bang was opnieuw ontvoerd te worden. Ook was hij van school afgegaan omdat hij als Hazara werd gediscrimineerd.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder acht eisers identiteit, nationaliteit, herkomst en etniciteit geloofwaardig. Ook acht verweerder eisers verklaringen over zijn ontvoering en verkrachting door onbekende mannen geloofwaardig. Eiser komt echter niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel omdat hij niet wordt aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag en niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade. Verweerder is van mening, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 21 maart 20181, dat er geen sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15c van de Definitierichtlijn2 in Afghanistan. Verder behoren Hazara’s in Kabul niet tot een minderheidsgroep en wordt eiser niet aangemerkt als behorend tot een kwetsbare risicogroep. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat in zijn individuele geval de autoriteiten hem geen bescherming kunnen of willen bieden en heeft verwijtbaar nagelaten aangifte te doen. Verwacht mag worden dat eiser zich wendt tot de autoriteiten om bescherming te vragen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 13 december 20163 blijkt immers dat het voor vreemdelingen mogelijk is om in Kabul bescherming van de autoriteiten te krijgen. Uit het thematisch ambtsbericht ‘veiligheidssituatie in Afghanistan’ van mei 2018 van de minister van Buitenlandse Zaken (hierna: het thematische ambtsbericht) blijk niet dat de situatie verslechterd is en dat er per definitie geen bescherming geboden wordt door de overheid.

4. Wat eiser hiertegen in beroep heeft aangevoerd komt hierna aan de orde.

De rechtbank oordeelt als volgt.

5. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade omdat Sjiieten en daarmee ook sjiitische Hazara door anti-overheidsgroepen (hierna: AGE’s) gezien worden als ongelovigen en afvalligen en door hen aangevallen worden. AGE’s maken zich ook schuldig aan verdwijningen en ontvoeringen. Eiser wijst in dit verband ter onderbouwing op de “UNHCR Eligibility Guidelines for Assessing the International Protection Needs of Asylum-Seekers from Afghanistan” van 30 augustus 2018. Eiser wijst verder op het thematische ambtsbericht, p. 26 e.v., waarin staat:
De corruptie, een klimaat van straffeloosheid, ineffectief bestuur, en een zwakke rechtsstaat, gecombineerd met de vaak onveilige situatie maken dat de Afghaanse autoriteiten over het algemeen slecht in staat zijn om de bevolking bescherming te bieden.

(…) Een individu is in Afghanistan voor bescherming dan ook in de eerste plaats afhankelijk van zijn eigen netwerk en relaties. Deze zijn vaak gebaseerd op bijvoorbeeld jarenlange familiebanden, etniciteit of religie.
(…) Het aantal geweldsincidenten gericht tegen sjiitische gelovigen, waarvan het merendeel tot de etnische Hazara minderheid behoort, steeg.

(…) Maar ook financieel gewin was een motief voor ontvoeringen. AGE’s lieten de slachtoffers doorgaans los na betaling van het verlangde losgeld maar vermoorden vaak wel ontvoerde leden van de ANDSF, diens familieleden, overheidspersoneel en vermeende informanten van de overheid.”

Daarbij komt dat eiser afkomstig is uit een welgestelde familie, en daarmee een doelwit vormt voor ontvoeringen. Ook zijn eisers ouders inmiddels naar Iran vertrokken omdat zij zich bedreigd voelen door onder meer de Taliban. Eiser betoogt dat verweerder had moeten onderzoeken of door de autoriteiten in het algemeen bescherming wordt geboden en dat verweerder dit ten onrechte heeft nagelaten. Dan pas ligt ter beoordeling de vraag voor of het zinloos was voor eiser om bescherming te vragen.

6. De rechtbank overweegt dat verweerder in het bestreden besluit is ingegaan op de algemene veiligheidssituatie in Afghanistan en, onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 31 maart 2018 en 1 oktober 20184, heeft gesteld dat er geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15c van de Definitierichtlijn. Verweerder is echter niet gemotiveerd ingegaan op de vraag of de autoriteiten in Afghanistan in staat zijn om in het algemeen aan haar burgers bescherming te bieden.

7. De rechtbank stelt voorop dat verweerder het asielrelaas van eiser geloofwaardig heeft geacht. Het ligt dan op de weg van verweerder om te onderzoeken of de autoriteiten in land van herkomst in het algemeen bescherming bieden. Daarbij moet hij de informatie over de algemene situatie in het land van herkomst, in het bijzonder uit ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken en rapporten van internationale organisaties, betrekken. Pas als aannemelijk is gemaakt dat bescherming wordt geboden, is het aan eiser om aannemelijk te maken dat het vragen van bescherming voor hem gevaarlijk, dan wel bij voorbaat zinloos moet worden geacht. Indien hij dat laatste niet aannemelijk maakt, kan slechts het tevergeefs door hem inroepen van de bescherming leiden tot de conclusie dat aannemelijk is gemaakt dat die autoriteiten niet bereid of in staat zijn bescherming te bieden. Voor dit oordeel vindt de rechtbank steun in vaste jurisprudentie van de Afdeling5.

8. Uit het door eiser aangehaalde thematische ambtsbericht (p. 26 e.v.) blijkt dat de Afghaanse autoriteiten over het algemeen slecht in staat zijn om de bevolking bescherming te bieden tegen geweld en dat een burger voor zijn bescherming in de eerste plaats afhankelijk is van zijn eigen netwerk en relaties. Er wordt daarbij geen uitzondering gemaakt voor de woonplaats van eiser, Kabul, terwijl dat in het algemene ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van 15 november 2016 nog wel het geval was (p. 33). Ter zitting heeft verweerder verklaard, evenwel zonder nadere onderbouwing, dat het algemene beeld dat uit het thematische ambtsbericht naar voren komt, niet zodanig is dat geen bescherming verkregen kan worden van de autoriteiten. Omdat verweerder onvoldoende heeft onderzocht en ondeugdelijk heeft gemotiveerd of de autoriteiten in het algemeen bescherming bieden, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit geen stand kan houden.

9. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens schending van artikel 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

10. Er is aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser. Deze kosten zijn op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.024 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.024
    (duizendvierentwintig euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. M.Ch. Grazell, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen een week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 ECLI:NL:RVS:2018:915

2 Richtlijn 2011/95/EU

3 ECLI:NL:RVS:2016:3345

4 ECLI:NL:RVS:2018:3176

5 Onder meer de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2087.