Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:1902

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-02-2019
Datum publicatie
25-03-2019
Zaaknummer
C/09/550242 / FA RK 18-2144, C/09/560649 / FA RK 18-7067
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Echtscheiding met nevenvoorzieningen: partneralimentatie (lotsverbondenheid niet verbroken, beperkte periode alimentatie i.v.m. verdiencapaciteit) & afspraken gemaakt t.a.v. verdeling / overweging artikel 3:300 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2019-0094
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummers: FA RK 18-2144 (echtscheiding) en FA RK 18-7067 (verdeling)

Zaaknummers: C/09/550242 (echtscheiding) en C/09/560649 (verdeling)

Datum beschikking: 20 februari 2019

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 21 maart 2018 ingekomen verzoek van:

[X] ,

de vrouw,

verblijvende te [woonplaats vrouw] ,

advocaat: mr. D. Soekarman-Weeteling te Delft.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[Y]

de man,

wonende te [woonplaats man] ,

advocaat: mr. M. Boender-Radder te ‘s-Gravenhage.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift van de zijde van de vrouw;

  • -

    de brief van 19 maart 2018, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;

  • -

    de brief van 5 april 2018, met bijlage, van de zijde van de vrouw;

  • -

    het verweerschrift inhoudende zelfstandige verzoeken van 12 juni 2018, met bijlagen, van de zijde van de man;

- het F9-formulier van 12 juli 2018, met bijlagen, van de zijde van de man;

- de brief van 23 juli 2018, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;

- het verweer tegen de zelfstandige verzoeken van 23 augustus 2018, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;

- de brief van 24 augustus 2018 van de zijde van de vrouw;

- het faxbericht van 28 september 2018 van de zijde van de man;

- de brief van 9 januari 2019, met bijlagen, van de zijde van man;

- de brief van 11 januari 2019, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;

- het faxbericht van 19 januari 2019, met bijlage, van de zijde van de vrouw.

Op 23 januari 2019 is de zaak ter zitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw bijgestaan door haar advocaat en een tolk, mw. [T] , alsmede de man bijgestaan door mr. M.E.R. van Herpen (kantoorgenoot van de advocaat van de man). Mr. M. Boender-Radder was ook aanwezig tijdens de mondelinge behandeling.

Van de zijde van de vrouw zijn tijdens de zitting pleitnotities overgelegd. Deze pleitnotities zijn niet voorgedragen en de rechtbank heeft hier geen acht op geslagen.

Feiten

- De man en de vrouw zijn gehuwd op [huwelijksdatum] 1998 te [huwelijksplaats] .

- Zij zijn de ouders van de volgende jong-meerderjarige kinderen:

- [jongmeerderjarige 1] ( [jongmeerderjarige 1] ), geboren op [geboortedag] 1999 te [geboorteplaats] ;

- [jongmeerderjarige 2] ( [jongmeerderjarige 2] ), geboren op [geboortedag] 2000 te [geboorteplaats] .

- [jongmeerderjarige 1] en [jongmeerderjarige 2] wonen samen met de man in de (voormalige) echtelijke woning.

- Blijkens de uittreksels uit het systeem ingevolge de Wet basisregistratie personen hebben de man en de vrouw beiden de Nederlandse nationaliteit.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de vrouw zoals dat thans luidt, strekt tot echtscheiding met nevenvoorzieningen tot:

- vaststelling van door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van

€ 1.500,- bruto per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;

- vaststelling van de verdeling van de gemeenschap van goederen conform het formulier effectief verdelen en verrekenen;

- bepaling dat de man bevoegd is de bewoning van de echtelijke woning aan de [EW] ( [postcode 1] te [woonplaats man] en het gebruik van de zaken die behoren bij deze woning en tot de inboedel daarvan gedurende zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking voort te zetten;

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De man voert verweer tegen de door de vrouw verzochte partneralimentatie en verdeling, welk verweer hierna zal worden besproken.

Tevens heeft de man thans nog zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot:

bepaling dat de man een vergoedingsrecht op de gemeenschap heeft van

€ 131.046,-, subsidiair dat de man een vergoedingsrecht op het privévermogen van de vrouw heeft van € 65.523,-;

bepaling dat de woning te ( [postcode 1] [woonplaats man] aan de [EW]

(kadastrale aanduiding: [woonplaats man] [kadastraal nr] wordt toebedeeld aan de man tegen een waarde van € 269.300,- alsmede de aan de woning gekoppelde spaarpolissen en hypothecaire geldleningen, onder de opschortende voorwaarde dat de man binnen zes maanden na de echtscheiding slaagt hiertoe de benodigde financiering te verkrijgen en dat de vrouw zal worden ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake de hypothecaire geldleningen op deze woning;

bepaling dat de vrouw haar medewerking dient te verlenen aan het ontslag uit de

hoofdelijke aansprakelijkheid en de wijziging tenaamstelling van voornoemde woning, bij gebreke waarvan de in deze te wijzen beschikking in de plaats zal treden van de benodigde handtekening van de vrouw onder de notariële akte;

bepaling dat de woning te ( [postcode 2] ) [woonplaats vrouw] aan de [adres]

(kadastrale aanduiding: [woonplaats vrouw] [kadastraal nr] verkocht dient te worden aan een derde;

bepaling dat de vrouw uiterlijk 1 oktober 2018 de woning te ( [postcode 2] ) [woonplaats vrouw] aan

de [adres] dient te verlaten op straffe van een dwangsom voor elke dag dat de vrouw weigert aan de te geven beschikking te voldoen met een maximum van € 10.000,-;

bepaling dat de vrouw de uiteindelijke verkoopovereenkomst met betrekking tot

voornoemde woning aan een derde dient te tekenen bij gebreke waarvan de in deze te wijzen beschikking in de plaats treedt van de benodigde handtekening;

bepaling dat de vrouw haar medewerking dient te verlenen aan de levering van

voornoemde woning aan een derde, bij gebreke waarvan de in deze te wijzen beschikking in de plaats zal treden van de benodigde handtekening van de vrouw onder de notariële leveringsakte;

bepaling dat het buitenhuis en de flat te Rusland aan de vrouw zullen worden

toebedeeld;

bepaling dat de saldi van de bank- en spaarrekeningen van de man per peildatum

aan de man worden toebedeeld en de saldi van de bankrekeningen van de vrouw per peildatum aan de vrouw worden toebedeeld;

bepaling dat de inboedel in de woning aan de [EW] te [woonplaats man] aan

de man wordt toebedeeld en de inboedel in de woning aan de [adres] te [woonplaats vrouw] alsmede in de woningen in Rusland aan de vrouw worden toebedeeld;

bepaling dat de vrouw uiterlijk 1 oktober 2018 haar persoonlijke spullen uit de

woning te [woonplaats man] aan de [EW] dient te hebben verwijderd;

bepaling dat de auto van het merk Dacia, type Logan met kentekennummer

[kenteken] aan de man wordt toebedeeld;

XIV. bepaling dat de vrouw uit hoofde van overbedeling uit de afwikkeling van de gemeenschap een bedrag van € 13.286,21 aan de man dient te voldoen;

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vrouw voert verweer tegen de door de man verzochte nevenvoorzieningen, welk verweer hierna zal worden besproken.

Beoordeling

Echtscheiding

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu beide echtgenoten hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toe. De rechtbank zal krachtens artikel 10:56 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen.

Inhoudelijke beoordeling

Nu aan de wettelijke formaliteiten is voldaan, kunnen de vrouw en de man worden ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding.

De door de vrouw gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk is door de man erkend en staat daarmee dus in rechte vast. De rechtbank zal de hierop steunende wederzijdse verzoeken tot echtscheiding dan ook toewijzen.

Partneralimentatie

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu de vrouw – de onderhoudsgerechtigde – in Nederland woont, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het alimentatieverzoek. Op het verzoek tot partneralimentatie zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.

Inhoudelijke beoordeling

Lotsverbondenheid

De man stelt dat de lotsverbondenheid tussen de vrouw en hem, die als grondslag kan dienen voor de door de vrouw verzochte partneralimentatie, door de gedragingen van de vrouw is komen te vervallen. Hierdoor is de aanspraak van de vrouw op partneralimentatie komen te vervallen, aldus de man. De man heeft ter onderbouwing – verkort weergegeven - het volgende aangevoerd. De alcoholverslaving van de vrouw had en heeft een grote invloed op de thuissituatie en het hele gezin. Het gedrag van de vrouw, wanneer zij (te veel) heeft gedronken, is wispelturig en agressief en heeft geleid tot vele ruzies en huiselijk geweld tussen partijen, waarvan de kinderen vaak getuige zijn geweest. Als gevolg van alle incidenten zijn de kinderen sinds 21 december 2012 tot het moment dat zij 18 jaar werden onder toezicht gesteld geweest van Stichting Jeugdbescherming West. In 2014 is de situatie geëscaleerd waarna de vrouw een huisverbod opgelegd heeft gekregen. Ondanks dat partijen uit elkaar gingen wonen, stond de vrouw geregeld voor de deur en bleven er conflicten plaatsvinden tussen partijen. De politie heeft meermalen ingegrepen. Door het gedrag van de vrouw zijn ook meerdere huurders uit het huis van partijen in [woonplaats vrouw] , waar de vrouw woont, vertrokken. De vrouw weigert enige verantwoordelijkheid te nemen en de problemen onder ogen te zien. Tot op heden is de situatie niet verbeterd. De man vreest dat wanneer hij aan de vrouw een bijdrage per maand dient te voldoen, de vrouw dit zal gebruiken om alcohol te kopen en dat hij zo haar alcoholverslaving zal sponsoren. De man zou dit op geen enkele wijze kunnen verantwoorden aan de kinderen. Gelet op het voorgaande kan volgens de man van hem niet worden verwacht dat hij (nog langer) een financiële bijdrage blijft leveren aan de vrouw.

De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd betwist. Volgens de vrouw is hetgeen de man stelt deels onwaar en geeft dit geen correct beeld van de huwelijks- en gezinssituatie van partijen. De vrouw stelt dat de gezinsproblemen niet uitsluitend door de vrouw werden veroorzaakt. Niet alleen de vrouw dronk vanwege angst en stress soms teveel, (ook) de man was regelmatig onder invloed en het drinken van beide partijen leidde tot ruzies en geweld, waarbij de kinderen aanwezig waren. De vrouw werd regelmatig door de man mishandeld. Beide partijen gebruikten teveel drank en beide partijen hebben gefaald, aldus de vrouw.

De vrouw stelt dat er dan ook geen sprake is van zodanig grievend gedrag van haar zijde jegens de man dat van de man in redelijkheid niet gevergd kan worden dat hij partneralimentatie aan de vrouw betaalt.

De rechtbank kan op grond van artikel 1:157 BW bij echtscheidingsbeschikking of bij latere uitspraak aan de (ex-)echtgenoot die niet voldoende inkomsten tot zijn of haar levensonderhoud heeft, én deze inkomsten ook niet in redelijkheid kan verwerven op diens verzoek ten laste van de andere (ex-)echtgenoot een uitkering tot levensonderhoud toekennen. Bij de beantwoording van de vraag of in dit geval aan de vrouw een uitkering tot levensonderhoud moet worden toegekend en zo ja, tot welk bedrag, moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het concrete geval. Hierbij kunnen ook niet financiële factoren, zoals het gedrag van de vrouw, een rol spelen. In uitzonderlijke gevallen kan worden geconcludeerd dat aan de lotsverbondenheid tussen (ex-)echtgoten – welke lotsverbondenheid de grondslag vormt van de onderhoudsverplichting zoals bedoeld in artikel 1:157 BW – een einde is gekomen omdat de één zich zodanig grievend jegens de ander heeft gedragen dat in redelijkheid betaling van partneralimentatie niet gevergd kan worden. Bij de beoordeling van de vraag of een zodanige situatie zich voordoet, dient terughoudendheid te worden betracht vanwege het onherroepelijke karakter van zo’n beslissing.

De rechtbank is uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken gebleken dat er gedurende het huwelijk van partijen veel is gebeurd binnen het gezin, waar zowel de kinderen als de man en de vrouw last van hebben (gehad). De problematiek binnen het gezin heeft geleid tot een ernstig verstoorde verhouding tussen de man en de vrouw. De rechtbank acht het aannemelijk dat de negatieve dynamiek tussen partijen de oorzaak is (geweest) van de problemen. De rechtbank is in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw van oordeel dat door de man onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de ruzies en het huiselijk geweld tussen partijen, waarvan de kinderen getuige zijn geweest, enkel – zoals de man stelt – te wijten zijn aan eenzijdig gedrag van de vrouw. Bovendien is niet iedere vorm van wangedrag of grievend gedrag aanleiding om de onderhoudsverplichting te beëindigen of te matigen. Naar het oordeel van de rechtbank is het omschreven gedrag van de vrouw niet zodanig grievend dat in dit geval moet worden aangenomen dat van de man in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij bijdraagt in de kosten van levensonderhoud van de vrouw of dat er gronden zijn voor matiging van zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw. De rechtbank heeft bij dit oordeel de lange duur van het huwelijk – 20 jaar – betrokken. Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank voorbij aan dit (meest verstrekkende) verweer van de man.

Behoefte en behoeftigheid vrouw

Tussen de man en de vrouw is niet in geschil dat de behoefte van de vrouw op basis van de Hofnorm € 1.500,- (bruto) per maand bedraagt.

Partijen verschillen van mening over de vraag of de vrouw – die op dit moment geen baan heeft – verdiencapaciteit heeft en of van haar verwacht kan worden dat zij zich inspant om in haar eigen levensonderhoud te voorzien.

De rechtbank is gebleken dat de vrouw gedurende het huwelijk van partijen niet heeft gewerkt. Door deze gezamenlijke keuze heeft zij de afgelopen 20 jaar geen (relevante) werkervaring opgedaan. De rechtbank is van oordeel dat niet dan wel onvoldoende is gebleken dat de vrouw – die nu 43 jaar is – (hierdoor) in het geheel niet in staat is om eigen inkomen te genereren. Hoewel de sollicitatiepogingen van de vrouw tot op heden nog geen resultaat hebben gehad, is de rechtbank van oordeel dat van de vrouw kan worden verwacht dat zij zich verder inspant om een betaalde baan te vinden. Dit temeer nu de vrouw tijdens de zitting zelf ook heeft aangegeven dat zij wel kan en wil werken. De rechtbank vindt het redelijk van de vrouw te verlangen dat zij haar verdiencapaciteit benut door een betaalde baan te vinden waarbij zij in ieder geval – op termijn – het minimumloon van € 1.615,- per maand zal kunnen gaan verdienen. De rechtbank gaat er vanuit dat de vrouw binnen een jaar na inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand de helft van voornoemd bedrag verdient, dit is € 807,50 per maand, en binnen twee jaar na inschrijving van de echtscheiding een inkomen zal hebben van € 1.615,- per maand.

Dit betekent dat de rechtbank het volgende als uitgangspunt neemt. De vrouw heeft op dit moment onverminderd behoefte aan een bijdrage in haar levensonderhoud. Een jaar na inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand heeft de vrouw nog een aanvullende behoefte van € 807,50 per maand en vervolgens heeft de vrouw twee jaar na inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand geen behoefte meer aan een bijdrage in haar levensonderhoud van de man. De rechtbank zal hierna bezien in hoeverre de man de draagkracht heeft om tot dat moment een bijdrage te betalen.

Draagkracht man

De man en de vrouw hebben – naast de echtelijke woning in [woonplaats man] – een woning in [woonplaats vrouw] in eigendom. Deze woning wordt momenteel verhuurd, maar de man en de vrouw zijn het erover eens dat deze woning verkocht zal moeten worden. De rechtbank zal hierna dan ook twee draagkrachtberekeningen maken; een berekening voor de huidige situatie waarin de woning in [woonplaats vrouw] nog niet is verkocht en een berekening voor de toekomstige situatie waarin de woning in [woonplaats vrouw] is verkocht en geleverd aan een derde.

Situatie 1: vóór verkoop van de woning in [woonplaats vrouw]

Inkomen uit werk en woning

De rechtbank zal bij de berekening van de draagkracht van de man de overgelegde salarisspecificaties van januari tot en met maart 2018 als uitgangspunt nemen. Hieruit blijkt dat de man een inkomen heeft van € 5.861,- bruto per maand. Hiernaast ontvangt de man salariscompensatie ADV van € 155,90 bruto per maand, een algemene werkkostenregeling bijdrage van (324:12 =) € 27,- netto per maand alsmede vakantietoeslag en een eindejaarsuitkering.

De rechtbank gaat ervanuit dat de man in 2019 een soortgelijk inkomen uit arbeid ontvangt.

De rechtbank houdt voorts rekening met:

  • -

    WN-premie Pensioen OP/NP;

  • -

    WN-premie AAOP;

  • -

    de fiscaal aftrekbare hypotheekrente;

  • -

    de bijtelling eigen-woningforfait.

Inkomen uit sparen en beleggen

De rechtbank zal bij de berekening in box III rekening houden met de door de man onweersproken gestelde werkelijke huurinkomsten van de woning in [woonplaats vrouw] .

De rechtbank houdt daarnaast nog rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:

  • -

    de algemene heffingskorting;

  • -

    de arbeidskorting.

Uitgaande van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de man op € 4.393,- per maand.

De rechtbank neemt de volgende niet betwiste maandelijkse lasten in aanmerking:

- hypotheekrente € 859,-

- hypotheekaflossing € 425,-

- forfait overige eigenaarslasten € 95,-

- premie ziektekostenverzekering € 112,-

- premie aanvullende ziektekostenverzekering € 36,-

- verplicht eigen risico € 32,-

- bijdrage [jongmeerderjarige 2] € 424,-

De door de man opgevoerde bijdrage in de kosten van studie en levensonderhoud voor [jongmeerderjarige 1] van € 944,- per maand is tussen partijen in geschil. De man gaat hierbij uit van de WSF-norm van € 1.037,- minus de zorgtoeslag. Volgens de vrouw dient op het bedrag van € 944,- nog een bedrag van € 400,- per maand in mindering te worden gebracht omdat [jongmeerderjarige 1] als thuiswonende student geen woonlasten heeft. De rechtbank zal de vrouw volgen in haar standpunt en overweegt hiertoe als volgt. Volgens de Tremanormen maakt de WSF-norm bij hoger onderwijs geen verschil tussen thuis- en uitwonende studenten. Ervan uitgaande dat een thuiswonende student in het hoger onderwijs bespaart op zijn woonlast, kan zijn behoefte worden verlaagd, bijvoorbeeld met een bedrag ter hoogte van de gemiddelde basishuur. De rechtbank vindt het redelijk om de behoefte van [jongmeerderjarige 1] in dit geval te corrigeren omdat [jongmeerderjarige 1] bij de man woont en dus niet – zoals uitwonende studenten – kosten heeft voor de huur van een kamer. De rechtbank zal de behoefte op basis van de WSF-norm, gecorrigeerd met de zorgtoeslag, van € 944,- dan ook verlagen met een bedrag voor gemiddelde basishuur van € 400,- per maand. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te sluiten bij de oude WSF-norm, waarbij wel onderscheid werd gemaakt tussen thuis- en uitwonende studenten, zoals door de man is aangevoerd. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank rekening houden met een door de man te betalen bijdrage voor [jongmeerderjarige 1] van € 544,- per maand.

De rechtbank zal voorts het in de bijstandsnorm begrepen nominaal deel van de premie ZVW van € 35,- per maand en een ‘gemiddelde basishuur’ van € 226,- per maand in mindering op respectievelijk de ziekte- en de woonkosten van de man brengen.

Voor de man geldt de bijstandsnorm voor een alleenstaande van € 1.026,- per maand en een draagkrachtpercentage van 60%.

Gezien het voorgaande en gelet op de fiscale gevolgen laat de huidige draagkracht van de man ruimte tot het vaststellen van een partneralimentatie van € 441,- bruto per maand.

Situatie 2: na verkoop van de woning in [woonplaats vrouw]

De rechtbank zal in de tweede berekening dezelfde uitgangspunten ten aanzien van het inkomen uit werk en woning en de lasten hanteren als in het voorgaande genoemd en besproken, met uitzondering van het inkomen uit sparen en beleggen. In de situatie dat de woning in [woonplaats vrouw] is verkocht en geleverd aan een derde zal de man immers niet langer deze inkomsten in box III genieten. De rechtbank berekent het netto besteedbaar inkomen van de man in deze situatie op € 4.234,- per maand.

Gezien het voorgaande en gelet op de fiscale gevolgen laat de draagkracht van de man vanaf het moment dat de woning in [woonplaats vrouw] is verkocht en geleverd aan een derde de ruimte tot het vaststellen van een partneralimentatie van € 287,- bruto per maand.

Ingangsdatum

De rechtbank merkt ten aanzien van de ingangsdatum op dat op grond van artikel 1:157 BW de verplichting tot het verschaffen van een uitkering tot levensonderhoud niet eerder intreedt dan op de dag van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand.

Conclusie

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de man gedurende de periode dat de woning in [woonplaats vrouw] nog niet is verkocht en geleverd aan een derde een partneralimentatie van

€ 441,- bruto per maand aan de vrouw dient te voldoen en vanaf het moment dat deze woning is verkocht en geleverd aan een derde een partneralimentatie van € 287,- bruto per maand. De rechtbank merkt hierbij – onder verwijzing naar hetgeen zij heeft overwogen onder het kopje ‘behoefte en behoeftigheid’ – op dat de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw verschuldigd is tot twee jaar na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Daarna wordt de vrouw geacht geheel in haar eigen behoefte te kunnen voorzien. Het meer of anders verzochte ten aanzien van de partneralimentatie zal de rechtbank afwijzen.

Aanhechten berekeningen

De twee door de rechtbank gemaakte berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.

Voortgezet gebruik echtelijke woning

De man woont momenteel met de kinderen in de voormalige echtelijke woning. De man wil deze woning in het kader van de verdeling ook toebedeeld krijgen. Partijen hebben – zoals hierna zal blijken – tijdens de zitting afspraken gemaakt over de toedeling van deze woning aan de man, waarbij is afgesproken dat de man zes maanden de tijd krijgt om te bezien of hij dit kan financieren. Gelet hierop zal de rechtbank het verzoek van de vrouw om te bepalen dat de man bevoegd is de bewoning van de echtelijke woning aan de [EW] te [woonplaats man] en het gebruik van de zaken die behoren bij deze woning en tot de inboedel daarvan gedurende zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking voort te zetten dan ook toewijzen.

Verdeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek ten aanzien van de afwikkeling van het huwelijksvermogen.

De rechtbank gaat bij bepaling van het toepasselijk recht uit van het volgende. Nu de echtgenoten op [huwelijksdatum] 1998 met elkaar zijn gehuwd, is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 van toepassing op het huwelijksvermogensregime. Niet is gebleken dat de echtgenoten vóór het huwelijk een geldige rechtskeuze hebben uitgebracht. Ten tijde van de huwelijkssluiting had de man de Nederlandse nationaliteit en was de vrouw Burger van Rusland. De echtgenoten woonden ten tijde van het huwelijk in Nederland en zijn na de huwelijkssluiting in Nederland blijven wonen. Gelet op het voorgaande is op grond van artikel 4 lid 1 van het Verdrag Nederlands recht van toepassing. Dit recht is daarop nog steeds van toepassing.

Inhoudelijke beoordeling

Nu partijen geen huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt, moet worden aangenomen dat

tussen hen een algehele gemeenschap van goederen bestaat. Als uitgangspunt geldt dat de ontbonden huwelijksgemeenschap bij helfte tussen hen wordt verdeeld (artikel 1:100 BW, zoals dat gold voor 1 januari 2018).

Peildatum

De rechtbank overweegt dat voor de omvang en samenstelling van de gemeenschap als peildatum 21 maart 2018, de datum van indiening van het verzoek tot echtscheiding, geldt. Voor de waardering geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen – de datum van de feitelijke verdeling als peildatum.

Omvang

De man en de vrouw hebben de volgende vermogensbestanddelen opgevoerd die op de peildatum bestonden en in de verdeling moeten worden betrokken:

  1. de echtelijke woning aan de [EW] ( [postcode 1] te [woonplaats man]

  2. de woning aan de [adres] ( [postcode 2] ) te [woonplaats vrouw] ;

  3. de flat in Rusland;

  4. het buitenhuis (met grond) in Rusland;

  5. 1/3 eigendom appartement ouders van de vrouw in Rusland;

  6. spaarrekeningen bij SNS ( [nr. 1] & [nr. 2] ) en Rendementshypotheek bij SNS ( [nr. 3] ) gekoppeld aan de hypothecaire leningen;

  7. beleggingspolis ABN AMRO ( [nr. 4] );

  8. bankrekeningen;

a. bankrekening bij ABN AMRO ten name van de man ( [nr. 5] );

b. spaarrekening bij ABN AMRO ten name van de man ( [nr. 6] ;

c. bankrekening bij ABN AMRO ten name van de vrouw ( [nr. 7] );

d. bankrekening bij ING ten name van de vrouw ( [nr. 8] );

  1. inboedel Den Haag;

  2. inboedel Delft;

  3. inboedel Rusland;

  4. auto Dacia Logan ( [kenteken] ).

Hiernaast hebben partijen gesteld dat de volgende schulden in de gemeenschap vallen:

Spaarrekeninghypotheek SNS ( [nr. 1] );

Aflossingsvrije hypotheek SNS ( [nr. 2] );

Rendementshypotheek SNS ( [nr. 3] ).

De man en de vrouw hebben tijdens de zitting afspraken gemaakt over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. De rechtbank zal de afspraken hierna weergeven en op bepaalde punten (aanvullende) beslissingen nemen.

De echtelijke woning, hypothecaire geldleningen en hieraan gekoppelde spaarrekeningen

Partijen zijn het erover eens dat de (voormalige) echtelijke woning wordt toegedeeld aan de man voor € 285.000,-. De man krijgt vanaf het moment van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand zes maanden de tijd om na te gaan of hij de woning tegen de afgesproken waarde kan financieren. Indien de man het aandeel van de vrouw in de woning kan overnemen, dan dient de man er zorg voor te dragen dat de vrouw wordt ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldleningen bij SNS (spaarrekeninghypotheek [nr. 1] en aflossingsvrije hypotheek [nr. 2] ).

Gelet op deze afspraak zal de rechtbank de woning – en de spaarrekening bij SNS ( [nr. 1] & [nr. 2] ) die is gekoppeld aan de hypothecaire geldleningen – aan de man toedelen, onder de voorwaarde dat de man zorg draagt voor het ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire schuld, die de man dan op zich dient te nemen. De rechtbank zal hierbij – conform het verzoek van de man – bepalen dat de vrouw haar medewerking dient te verlenen aan het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid en de wijziging tenaamstelling van de echtelijke woning, bij gebreke waarvan deze beschikking (ex artikel 3:300 BW) in de plaats zal treden van de benodigde handtekening van de vrouw onder de notariële akte(n).

De woning in [woonplaats vrouw] , hypothecaire geldlening en hieraan gekoppeld spaardeel

Partijen hebben afgesproken dat de vrouw nog gedurende zes maanden na inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand in de woning in [woonplaats vrouw] mag blijven wonen. Uiterlijk aan het eind van deze zes maanden dient de vrouw deze woning te hebben verlaten. Partijen zullen de woning dan verkopen. De man zal zich wenden tot het [naam] Makelaardij met het verzoek om thans een schatting van de verkoopprijs te geven én na verloop van voornoemde termijn de woning in de verkoop te zetten. Als de woning is verkocht en geleverd aan een derde zullen partijen met de verkoopopbrengst van deze woning – vermeerderd met de waarde van het spaardeel van de Rendementshypotheek ( [nr. 3] ) en minus de kosten – de hypothecaire geldlening bij SNS ( [nr. 3] ) aflossen. Van de overwaarde zal vervolgens € 22.000,- aan de vrouw toekomen en de rest aan de man. De man zal na ontvangst van de resterende verkoopopbrengst het bedrag van

€ 22.000,- aan de vrouw betalen.

De rechtbank zal hierbij – conform het verzoek van de man – bepalen dat de vrouw de uiteindelijke verkoopovereenkomst met betrekking tot deze woning aan een derde dient te tekenen, bij gebreke waarvan deze beschikking (ex artikel 3:300 BW) in de plaats treedt van de benodigde handtekening van de vrouw, en dat de vrouw haar medewerking dient te verlenen aan de levering van deze woning aan een derde, bij gebreke waarvan deze beschikking (ex artikel 3:300 BW) in de plaats zal treden van de benodigde handtekening van de vrouw onder de notariële leveringsakte.

De flat, het buitenhuis en het appartement in Rusland

Partijen zijn overeengekomen dat de flat in Rusland, het buitenhuis (met grond) in Rusland en het 1/3 eigendomsrecht van het appartement van de ouders van de vrouw in Rusland aan de vrouw worden toebedeeld. De rechtbank zal dan ook bepalen dat deze vermogensbestanddelen aan de vrouw worden toegedeeld.

Overige vermogensbestanddelen

De man en de vrouw hebben over de spaarrekening ten name van de man bij ABN AMRO ( [nr. 6] afgesproken dat de man van het totale saldo € 5.000,- aan de vrouw zal betalen. De spaarrekening (met de rest van het saldo) komt vervolgens de man toe en de man zal deze spaarrekening voortzetten. De rechtbank zal deze afspraak hierna opnemen in het dictum.

De rechtbank begrijpt dat de man en de vrouw het er verder over eens zijn dat ieder van hen hetgeen hij/zij op dit moment onder zich heeft behoudt. Dit betekent dat de inboedel van de echtelijke woning in [woonplaats man] aan de man toekomt en dat de inboedels in Rusland en [woonplaats vrouw] aan de vrouw toekomen. Hiernaast behouden de man en de vrouw ieder hun eigen bankrekeningen, waarbij zij de saldi niet met elkaar zullen delen. Tot slot zal de man zijn beleggingspolis bij ABN AMRO en de Dacia Logan behouden.

De rechtbank gaat er vanuit dat partijen – eventueel met behulp van hun advocaten – nog een afspraak zullen maken wanneer de vrouw eventuele persoonlijke goederen (kleding en sieraden) die nog aanwezig zijn in de echtelijke woning in Den Haag kan ophalen.

De rechtbank zal aldus beslissen. Hetgeen meer of anders is verzocht in het kader van de verdeling zal de rechtbank afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:

*

spreekt de echtscheiding uit tussen de man en de vrouw, gehuwd op [huwelijksdatum] 1998 te [huwelijksplaats] ;

*

bepaalt dat de man met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand € 441,- bruto per maand aan de vrouw zal uitkeren zolang de woning in [woonplaats vrouw] nog niet is verkocht en geleverd aan een derde en

€ 287,- bruto per maand nadat de woning in [woonplaats vrouw] is verkocht en geleverd aan een derde, waarbij geldt dat de man de door hem te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw verschuldigd is tot twee jaar na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand;

*

bepaalt dat de man jegens de vrouw bevoegd is de bewoning van de woning aan de [EW] ( [postcode 1] te [woonplaats man] en het gebruik van de zaken, die behoren bij deze woning en tot de inboedel daarvan, voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van deze beschikking;

*

bepaalt, gelet op de afspraken tussen de man en de vrouw, ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap – onder voorwaarde van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand – het volgende:

1. de echtelijke woning aan de [EW] ( [postcode 1] te [woonplaats man] wordt tegen de tussen partijen afgesproken waarde van € 285.000,- toegedeeld aan de man alsmede de spaarrekening bij SNS ( [nr. 1] en [nr. 2] ) die is gekoppeld aan de hypothecaire geldleningen, onder de voorwaarde dat de man binnen zes maanden na inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand aantoont dat hij in staat is de (financiering ten behoeve van de) volledige eigendom van deze woning te verkrijgen en de vrouw te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldleningen bij SNS ( [nr. 1] en [nr. 2] ), zonder nadere verrekening;

hierbij geldt dat de vrouw haar medewerking dient te verlenen aan het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid en de wijziging tenaamstelling van de echtelijke woning, bij gebreke waarvan deze beschikking (ex artikel 3:300 BW) in de plaats zal treden van de benodigde handtekening van de vrouw onder de notariële akte(n);

2. de woning aan de [adres] ( [postcode 2] ) te [woonplaats vrouw] zal zes maanden na inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand – op welk moment de vrouw deze woning uiterlijk moet hebben verlaten – in de verkoop worden gezet door het [naam] Makelaardij;

bij verkoop en levering van de woning aan een derde moet met de verkoopopbrengst van deze woning – vermeerderd met de waarde van het spaardeel van de Rendementshypotheek ( [nr. 3] ) en minus de kosten – de hypothecaire geldlening bij SNS ( [nr. 3] ) worden afgelost, waarna van de overwaarde een bedrag van € 22.000,- aan de vrouw zal toekomen en het restant van de overwaarde aan de man zal toekomen;

hierbij geldt dat de vrouw de verkoopovereenkomst met betrekking tot deze

woning aan een derde dient te tekenen, bij gebreke waarvan deze beschikking

(ex artikel 3:300 BW) in de plaats treedt van de benodigde handtekening van de

vrouw, en dat de vrouw haar medewerking dient te verlenen aan de levering van deze woning aan een derde, bij gebreke waarvan deze beschikking (ex artikel 3:300 BW) in de plaats zal treden van de benodigde handtekening van de vrouw onder de notariële leveringsakte;

3. de flat in Rusland, het buitenhuis (met grond) in Rusland en het 1/3 eigendomsrecht van het appartement van de ouders van de vrouw in Rusland worden toegedeeld aan de vrouw, zonder nadere verrekening;

4. de man zal van het saldo op de spaarrekening bij ABN AMRO ten name van de man ( [nr. 6] een bedrag van € 5.000,- aan de vrouw betalen;

de spaarrekening (met de rest van het saldo) wordt vervolgens aan de man toegedeeld, die de spaarrekening zal voortzetten;

5. ten aanzien van de inboedels in [woonplaats man] [woonplaats vrouw] en Rusland, de bankrekeningen, de beleggingspolis bij ABN AMRO ( [nr. 4] ) en de Dacia Logan houdt ieder hetgeen hij/zij op dit moment onder zich heeft, zonder nadere verrekening van de waardes van deze vermogensbestanddelen;

6. aan de vrouw worden toegedeeld haar kleding en sieraden die zich nog in de voormalige echtelijke woning bevinden, waarbij geldt dat partijen in onderling overleg een datum afspreken waarop zij deze goederen zal ophalen;

*

verklaart deze beschikking tot zover – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M. van Paridon, S.M. Westerhuis-Evers en L. Koper, rechters, bijgestaan door mr. M. Verkerk als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 20 februari 2019.