Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:1898

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-02-2019
Datum publicatie
01-03-2019
Zaaknummer
AWB 18 / 4878
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Eritrea. Nareis. Gestelde identiteit, gezinsband en huwelijk niet aannemelijk gemaakt. Ongegrond

N-o beroep fictief + pkv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 18/4878

V-nummers: [nummer 1] , [nummer 2] en [nummer 3]

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 februari 2019 in de zaak tussen

[naam] , eiser 1,

[naam 2] , eiseres,

[naam 3], eiser 2,

hierna te noemen: eisers,

gemachtigde: mr. M.C.M. van der Mark,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen.

Procesverloop

Eisers hebben op 1 juli 2018 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun bezwaar van 19 september 2017. Dit bezwaar was gericht tegen de afwijzing van hun aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) in het kader van nareis.

Bij besluit van 15 augustus 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder alsnog op het bezwaar beslist.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 20 december 2018. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door een waarnemer van hun gemachtigde, mr. M.C.M.E. Schijvenaars. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig [naam 4] (referent) en S. Mukankusi (tolk).

Overwegingen

1. Eisers hebben gesteld te zijn geboren op respectievelijk [geboortedatum] , [geboortedatum 2] en [geboortedatum 3] en de Congolese nationaliteit te bezitten. Namens hen is een aanvraag ingediend om verlening van een mvv in het kader van nareis door referent, die de pleegvader van eisers stelt te zijn.

2. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Eisers hebben hun identiteit en de gestelde gezinsband met referent niet aannemelijk gemaakt.

3. Op wat eisers daartegen hebben aangevoerd, wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Verweerder heeft met het bestreden besluit alsnog op de aanvraag van eisers beslist. Dat besluit zal hierna worden beoordeeld. De rechtbank is niet gebleken dat eisers een belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van hun eerdere beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Dat beroep is daarom niet-ontvankelijk.

5. Op grond van artikel 29, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw) kan een verblijfsvergunning asiel worden verleend aan de echtgenoot en de minderjarige kinderen van de vreemdeling aan wie een asielvergunning is verstrekt indien deze op het tijdstip van diens binnenkomst behoorden tot diens gezin en binnen drie maanden zijn nagereisd.

6. Volgens C1/4.4.6. van de Vreemdelingencirculaire 2000 moet de vreemdeling die een beroep doet op artikel 29, tweede lid, van de Vw zijn identiteit en de gestelde familierelatie aannemelijk maken. De vreemdeling doet dit door het overleggen van een geldig document voor grensoverschrijding, of een ander officieel en door de autoriteiten afgegeven document dat zijn identiteit aantoont, en, indien van toepassing, een document dat de familierechtelijke relatie tussen het kind en de ouders aantoont. Kan een vreemdeling dit niet, dan dient hij aannemelijk te maken dat dit niet aan hem is toe te rekenen.

7. Sinds november 2017 hanteert verweerder een nieuwe vaste gedragslijn voor het beoordelen van nareiszaken.1 Deze houdt – kort weergegeven – in dat verweerder ook andere bewijsmiddelen dan officiële documenten in zijn beoordeling betrekt, ongeacht of er sprake is van bewijsnood. Deze kunnen aanleiding geven tot nader onderzoek. Daarbij wordt in aanmerking genomen of de vreemdeling een aannemelijke verklaring heeft gegeven voor het ontbreken van officiële documenten, of bedoelde andere bewijsmiddelen substantieel bewijs opleveren en of er sprake is van contra-indicaties. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 16 mei 20182 geoordeeld dat deze in overeenstemming is met artikel 11, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn.3

8. Niet in geschil is dat eisers geen officiële documenten hebben overgelegd die hun identiteit kunnen aantonen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij geen officiële documenten kunnen overleggen. De enkele stelling dat eisers alles zijn verloren tijdens hun vlucht uit de Democratische Republiek Congo naar Oeganda heeft verweerder daartoe onvoldoende kunnen achten. Hierom heeft verweerder geen bewijsnood hoeven aan te merken. Het ligt namelijk op de weg van eisers als aanvragers van een mvv om aannemelijk te maken dat sprake is van bewijsnood. Niet duidelijk is welke documenten zij precies verloren zijn, wat ertoe heeft geleid dat het verloren is gegaan, en waarom zij geen vervangende identificerende documenten hebben kunnen verkrijgen.

9. De Oegandese vluchtelingenpassen van eiser 1 en eiseres en de UNHCR4 registraties van vluchtelingschap van eiser 1 en eiser 2 heeft verweerder niet als indicatieve documenten hoeven aan te merken, omdat niet duidelijk is van welke brongegevens is uitgegaan bij het opmaken van deze vluchtelingenpassen. Ook is niet duidelijk van welke brongegevens de UNHCR is uitgegaan voor de registraties van vluchtelingschap van eiser 1 en eiser 2. Hieruit volgt dat verweerder niet ten onrechte heeft geconcludeerd dat onvoldoende andere bewijsmiddelen dan officiële documenten voorhanden zijn om over te gaan tot het doen van nader onderzoek, al dan niet in de vorm van een identificerend gehoor met eisers.

10. Uit het voorgaande volgt dat verweerder niet ten onrechte heeft geconcludeerd dat eisers hun identiteit niet aannemelijk hebben gemaakt.

11. Nu eisers hun identiteit niet aannemelijk hebben gemaakt, komt daarmee de gestelde familierechtelijke relatie met referent ook niet vast te staan. De rechtbank komt niet toe aan verdere bespreking van wat daarover is aangevoerd.

12. Gelet op het voorgaande heeft verweerder kunnen concluderen dat het bezwaarschrift kennelijk ongegrond was, zodat er geen sprake is van schending van de hoorplicht als bedoeld in artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

13. Het beroep is ongegrond.

14. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 250,50 (1 punt voor het indienen van het samenhangende beroep tegen het niet tijdig beslissen, met een waarde van € 501,- per punt en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van €250,50 (tweehonderdvijftig euro en vijftig eurocent).

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in tegenwoordigheid van R. Ben Sellam, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2019.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 brief 23 november 2017 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van de Staten Generaal (Kamerstukken II 2017/18, 19637, nr. 2354).

2 ECLI:NL:RVS:2018:1508.

3 Richtlijn 2003/86/EG.

4 United Nations High Commissioner of Refugees.