Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:1896

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-02-2019
Datum publicatie
04-03-2019
Zaaknummer
AWB 18 / 6975
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vrijstelling mvv-vereiste, kan-bepaling, belangenafweging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 18/6975

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 februari 2019 in de zaak tussen

[naam] , eiser,

gemachtigde: mr. M.C. Heijnneman,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 22 augustus 2018 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2019. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig [naam 2] , de gestelde echtgenote van eiser en A. Idris, tolk. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] , en heeft de Eritrese nationaliteit. De gestelde echtgenote van eiser heeft op 22 januari 2016 namens eiser een aanvraag ingediend tot verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis. Eiser heeft deze procedure niet afgewacht, en is via Italië naar Nederland gereisd, waar hij op 9 december 2016 een asielverzoek heeft ingediend. Bij besluit van 24 april 2017 heeft verweerder deze asielaanvraag niet in behandeling genomen. In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 augustus 2017 1is in rechte komen vast te staan dat Italië de verantwoordelijke lidstaat is voor de behandeling van eisers asielverzoek. Daarbij is geoordeeld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een huwelijk als bedoeld in de Dublinverordening2.

2. Op 1 februari 2018 heeft eiser een aanvraag gedaan voor een reguliere verblijfsvergunning met als verblijfsdoel, verblijf bij zijn minderjarige kind, [naam 3] , geboren op [geboortedatum 2] . Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 8 februari 2018 (het primaire besluit) afgewezen. Eiser heeft op 9 februari 2018 hiertegen bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Eiser is op dezelfde datum overgedragen aan de Italiaanse autoriteiten. Bij uitspraak van 27 maart 2018 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, is het verzoek van eiser afgewezen.3

3. Verweerder heeft aan de afwijzing van de aanvraag van eiser en de handhaving daarvan in het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser niet beschikt over een geldige mvv en dat hij niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste. De weigering om eiser vrij te stellen van het mvv-vereiste is niet in strijd met eisers familieleven met zijn gestelde echtgenote en hun kind als bedoeld in artikel 8 van het EVRM.4

4. Eiser heeft ten eerste in beroep aangevoerd dat hij slechts vanuit Italië naar Nederland is gereisd om met zijn echtgenote herenigd te worden. Daarom had aan hem een asielvergunning in het kader van nareis verleend moeten worden, in plaats van zijn aanvraag niet in behandeling te nemen op grond van de Dublinverordening. In dat kader had verweerder een afweging moeten maken van de belangen van zijn kind. Eiser verwijst daarbij naar een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 7 augustus 2018.5

Ter zitting heeft eiser aangevoerd dat hij zijn gezinsleven niet in Italië kan uitoefenen, omdat eiser aldaar geen verblijfsrecht heeft. Daarnaast heeft zijn gezin onvoldoende middelen om zich in Italië te vestigen.

De rechtbank oordeelt als volgt.

5. De rechtbank is van oordeel dat eisers beroep op voornoemde uitspraak van 7 augustus 2018 niet kan slagen, omdat geen sprake is van een vergelijkbaar geval. Zoals verweerder in zijn verweerschrift van 11 januari 2019 heeft vermeld, ziet die uitspraak immers niet op een aanvraag om een reguliere verblijfsvergunning, maar op een aanvraag om een asielvergunning die niet-ontvankelijk is verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Bovendien is deze bepaling, een zogenaamde ‘kan-bepaling’, in tegenstelling tot artikel 30, eerste lid, van de Vw, op grond waarvan eisers asielaanvraag van 9 december 2016 niet in behandeling is genomen.

6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat artikel 8 van het EVRM niet wordt geschonden door eiser niet vrij te stellen van het mvv-vereiste. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

7. Verweerder heeft allereerst in de belangenafweging kunnen meewegen dat eiser in Nederland familieleven is gaan uitoefenen, zonder dat hij hier mocht verblijven. Verweerder heeft ook in het nadeel van eiser kunnen meewegen dat hij zich enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken. Daarnaast is niet gebleken van een onmogelijkheid om het gezinsleven in Italië uit te oefenen. Hierbij zijn de belangen van de gestelde echtgenote en zijn kind meegewogen. Hetgeen eiser in dit kader in beroep heeft aangevoerd, betreft slechts een herhaling van zijn bezwaargronden. Eiser heeft verweerders standpunt in het bestreden besluit niet gemotiveerd weerlegd.

8. Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in tegenwoordigheid van mr. W.H. Mentink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2019.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 ECLI:NL:RVS:2017:2160

2 Verordening (EU) nr. 604/2013

3 ECLI:NL:RBROT:2018:2404

4 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

5 ECLI:NL:RBDHA:2018:9616