Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:1881

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-03-2019
Datum publicatie
01-03-2019
Zaaknummer
09-857218-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/857218-17

Datum uitspraak: 1 maart 2019

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

[geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats] ,

[adres]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 13 december 2017, 7 maart 2018,

18 mei 2018, 20 juli 2018, 16 oktober 2018, 11 januari 2019 (telkens pro forma) en

15 februari 2019 (inhoudelijk).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. D.M. Kortekaas en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman

mr. H.F. van Kregten naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 26 augustus 2017 te Alphen aan den Rijn, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om opzettelijk en - al dan niet - met voorbedachte rade een persoon genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet en - al dan niet - na kalm beraad en rustig

overleg, met een vuurwapen een (aantal) kogel(s) heeft afgevuurd op of in de richting van die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 26 augustus 2017 te Alphen aan den Rijn aan

a. a) [slachtoffer 1] en/of

b) [slachtoffer 2]

(telkens) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten

a. a) een (schot)wond in een bil van die [slachtoffer 1] en/of

b) een (schot)wond in een knie van die [slachtoffer 2] ,

heeft toegebracht door (telkens) met een vuurwapen een (aantal) kogel(s) af te vuren op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ;

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 26 augustus 2017 te Alphen aan den Rijn [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een vuurwapen een (aantal) kogel(s) af te vuren op of in de richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ;

2.

hij op of omstreeks 26 augustus 2017 te Alphen aan den Rijn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te

brengen met een auto op/in de richting van die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] is (in)gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 26 augustus 2017 te Alphen aan den Rijn [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een auto op/in de richting van die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] (in) te rijden;

3.

hij op of omstreeks 26 augustus 2017 te Alphen aan den Rijn een wapen van categorie III, te weten een semi-automatisch pistool [merk] , [model] ), en/of munitie van categorie III, te weten drie, althans een of meer, patro(o)n(en), voorhanden heeft gehad;

4.

hij op of omstreeks 26 augustus 2017 te Alphen aan den Rijn opzettelijk en wederrechtelijk

- de/een band(en) van een gele bestelbus (merk Volkswagen) en/of

- de/een band(en) en/of de/een (achter)ruit(en) van een grijze bedrijfsbus (merk Seat) en/of

- een kinderkamer en/of diverse andere zich in een loods bevindende goederen,

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of een of meer ander(en), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk die band(en) van die bestelbus en/of die bedrijfsbus lek te steken en/of die ruit(en) van die bedrijfsbus in te slaan en/of die kinderkamer en/of overige goederen kapot te slaan.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

Deze zaak vindt zijn grondslag in een conflict dat al geruime tijd bestaat tussen een aantal personen, woonachtig op het [woonwagenkamp] te Alphen aan den Rijn. Hoofdrolspelers in dat conflict zijn enerzijds de verdachte (die al tien jaar een relatie heeft met [naam 1] , woonachtig op [nummer] , alwaar de verdachte gewoonlijk verblijft) en anderzijds [naam 2] ) [slachtoffer 2] , met zijn gezin woonachtig op [nummer] . Aan de familie [slachtoffer 2] is gelieerd [slachtoffer 1] , de vriend van [dochter] ) [slachtoffer 2] . Op 26 september 2017 heeft een confrontatie plaatsgevonden tussen de verdachte enerzijds en [slachtoffer 1] ) en [slachtoffer 2] ) anderzijds. De verdachte arriveerde die dag per auto op het woonwagenkamp. Voordat hij dat woonwagenkamp opreed vond een woordenwisseling plaatst tussen hem en (onder meer) de echtgenote van [slachtoffer 2] . Bij aankomst op het woonwagenkamp was er een confrontatie tussen de verdachte en (in elk geval) [slachtoffer 1] , waarbij door [slachtoffer 1] met een voorwerp is geslagen op de voorruit van de auto van de verdachte. Die auto is vervolgens in de sloot terecht gekomen. Nadat de verdachte uit zijn auto was gestapt heeft hij diverse vernielingen aangericht. Hierna heeft de verdachte een vuurwapen ter hand genomen en (tenminste) twee schoten afgevuurd. Zowel [slachtoffer 2] als [slachtoffer 1] zijn gewond geraakt. [slachtoffer 2] heeft een schotverwonding opgelopen in de rechterknieholte en [slachtoffer 1] is door een kogel in zijn rechter bil geraakt.

Gelet op hetgeen aan de verdachte wordt tenlastegelegd ligt de vraag voor of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan (primair) poging tot doodslag, (primair) poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, vernieling en wapenbezit. De verdachte heeft de vernieling en het wapenbezit erkend, evenals het feit dat hij heeft geschoten. Hij ontkent de poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dan wel bedreiging. Wat de tenlastegelegde poging tot doodslag betreft betoogt de verdachte dat hij slechts op de grond geschoten, en bovendien heeft gehandeld in een situatie van noodweer dan wel noodweerexces. Dat laatste moet volgens de verdachte tot gevolg hebben dat –zo er al sprake is bewezenverklaring van poging tot doodslag- daarvoor geen straf kan volgen.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft – overeenkomstig haar op schrift gestelde requisitoir – gevorderd dat wettig en overtuigend bewezen wordt verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] (feit 2 primair), poging tot doodslag op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] (feit 1 primair), het voorhanden hebben van een vuurwapen met munitie (feit 3) en vernieling (feit 4).

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich - overeenkomstig de inhoud van de door hem overgelegde pleitnota op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1 en 2 aan hem tenlastegelegde feiten, vanwege – kort samengevat  het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Subsidiair verzoekt de raadsman dat de verdachte ten aanzien van deze feiten wordt ontslagen van alle rechtsvervolging. Over de feiten 3 en 4 heeft de raadsman zich niet uitgelaten. Bij een eventuele veroordeling verzoekt de raadsman om een relatief korte gevangenisstraf op te leggen alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

De rechtbank zal de feiten bespreken in de volgorde waarin zij zich in de tijd hebben voorgedaan.

3.4.1

Feit 2 : (primair) poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] door bij aankomst op het kamp met een auto op hen in te rijden

Verklaringen van aangever [slachtoffer 1]

heeft bij de politie verklaard dat hij geschreeuw en kabaal hoorde vanuit de richting van de ingang van het woonwagenkamp boven aan de heuvel en dat hij wist dat het de verdachte was die schreeuwde tegen zijn schoonmoeder. Hij heeft toen een aluminium stang gepakt uit de loods waar hij op dat moment werkzaam was2.

Bij de rechter-commissaris heeft [slachtoffer 1] verklaard dat hij de stang had gepakt, omdat hij voelde dat het helemaal fout zou gaan. Samen met zijn schoonvader is hij naar de ingang van het kamp gelopen/gerend. Toen hij bij de aldaar aanwezige brievenbus stond zag hij de verdachte hard van de heuvel af komen rijden in zijn auto. Hij kwam het gras opgereden waar [slachtoffer 1] stond. [slachtoffer 1] sprong opzij en sloeg met de stang op de voorruit van de auto van de verdachte. Vervolgens reed de verdachte over de brievenbus heen en zag [slachtoffer 1] de verdachte de rijbaan opsturen in de richting van zijn schoonvader3.

Verklaringen van aangever [slachtoffer 2]

heeft bij de politie verklaard dat hij werd opgeschrikt door het geschreeuw, met name door de verdachte, komend uit de buurt van de dijk. Ineens kwam de verdachte aangescheurd in zijn auto. Hij probeerde zijn schoonzoon aan te rijden. [slachtoffer 1] gaf een klap op de auto en kon nog net opzij springen. [slachtoffer 2] is toen gevlucht tussen twee autobussen door, die daar geparkeerd staan. De verdachte reed achter hem aan, tussen de twee bussen door, en ging met de auto vol gas de sloot in.4

Bij de rechter-commissaris heeft [slachtoffer 2] verklaard dat hij tussen de bussen stond en dat de verdachte bewust tussen de bussen door op hem af reed. De verdachte heeft hem willen aanrijden, want ze hadden oogcontact.5

Verklaring van de verdachte

De verdachte heeft ter zitting verklaard dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] hem stonden op te wachten bij de ingang van het kamp. Toen hij kwam aanrijden werd door [slachtoffer 1] met een hard voorwerp op zijn auto geslagen. Hij dacht dat al zijn ramen werden ingeslagen. Na de klap van [slachtoffer 1] schrok hij enorm en raakte hij met zijn auto de brievenbus. Vervolgens zag hij [slachtoffer 2] links van de auto staan met een honkbalknuppel. Uit een schrikreactie heeft hij naar links gestuurd, is tussen de bussen door gereden en met zijn auto in de sloot beland.6

De politie heeft ter plaatse onderzoek gedaan en het volgende geconstateerd. De weg vanaf de dijk richting het woonwagenkamp loopt met een bocht naar rechts. Na deze bocht stonden aan de linkerzijde van de weg twee grote touringcars geparkeerd. Tussen deze touringcars was ongeveer een ruimte van 4 of 5 meter breedte. Ter hoogte van de doorgang tussen deze touringcars stond een voertuig met de voorkant in een daarachter gelegen sloot en met de achterkant nog op de berm.7

Betrouwbaarheid verklaringen

De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] aan de ene kant en de verdachte aan de andere kant lijnrecht tegenover elkaar staan. Voorts stelt de rechtbank vast dat deze drie personen niet altijd even consistent hebben verklaard – zeker waar het hun eigen aandeel in de gebeurtenissen van 26 augustus 2017 betreft – en dat zij direct betrokkenen zijn bij het al langer bestaande conflict. Gelet hierop zal de rechtbank terughoudendheid en grote behoedzaamheid betrachten bij de beoordeling van de desbetreffende verklaringen. Dit uitgangspunt brengt met zich mee dat voor een bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten voldoende objectief steunbewijs zal worden vereist, dat ziet op de specifieke rol van de verdachte en dat bij het ontbreken daarvan naar het oordeel van de rechtbank het bewijs niet zal zijn geleverd, zodat vrijspraak zal moeten volgen.

De poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 1]

De rechtbank kan slechts vaststellen dat de verdachte het kamp is op komen rijden in zijn auto, dat [slachtoffer 1] met een aluminium staaf op de auto van de verdachte heeft geslagen en dat de verdachte tegen dan wel over een brievenbus is gereden. Niet is vast te stellen wat de volgorde van de gebeurtenissen is geweest en welke intentie de verdachte bij deze gebeurtenissen heeft gehad. Objectief steunbewijs voor de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] dat de verdachte bewust op [slachtoffer 1] zou zijn in- of afgereden is er niet. De rechtbank acht dan ook niet bewezen dat de verdachte gepoogd heeft om [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen dan wel dat hij deze heeft bedreigd.

Gelet op het vorenstaande dient de verdachte te worden vrijgesproken van het onder feit 2 primair en subsidiair tenlastegelegde jegens [slachtoffer 1] .

De poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 2]

Nadat de verdachte met zijn auto voorbij [slachtoffer 1] is gereden, is hij met zijn auto tussen de twee aldaar geparkeerde bussen door gereden en in de sloot beland. Gelet op de wijze waarop deze bussen langs de weg geparkeerd stonden en de geringe afstand tussen deze bussen, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat de verdachte bewust vanaf de weg tussen deze bussen door heeft gestuurd. Dat sluit aan bij de verklaring van [slachtoffer 2] dat hij tussen de bussen stond en de verdachte op hem in wilde rijden. In zoverre wordt de verklaring van [slachtoffer 2] door objectief bewijs ondersteund.

Niet is komen vast te staan hoe hard de verdachte in de richting van [slachtoffer 2] reed, hoe dicht hij hem was genaderd en waar [slachtoffer 2] precies stond. Er zijn dan ook onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat de verdachte zodanig reed, dat de kans op zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 2] aanmerkelijk was. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van de onder 2 primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 2] . Wel acht de rechtbank bewezen dat de verdachte zich met zijn handelen heeft schuldig gemaakt aan de onder 2 subsidiair tenlastegelegde bedreiging van [slachtoffer 2] .

3.4.2

feit 4: vernieling van diverse goederen

Nadat de verdachte uit zijn auto is gestapt heeft hij vernielingen aangericht aan auto’s en andere goederen van [slachtoffer 2] .

Aangezien de verdachte dit tenlastegelegde feit heeft bekend en de raadsman dienaangaande geen vrijspraak heeft bepleit, kan de rechtbank ingevolge artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering ten aanzien van de bewezenverklaring volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, te weten:

- de bekennende verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van

15 februari 2019;

- het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] d.d. 29 augustus 2017 (dossier 1),

blz. 24 tot en met 27;

- de als bijlage bij het proces-verbaal sporenonderzoek (dossier 2) gevoegde foto’s 24 tot en met 50, blz. 43 tot en met 69.

3.4.3

feit 1: poging tot doodslag op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] door met een vuurwapen te schieten

Verklaringen [slachtoffer 2]

heeft verklaard dat hij hoorde dat de verdachte vernielingen aanrichtte in zijn loods. Hij is toen bewapend met een knuppel naar die loods gelopen. De verdachte kwam uit de loods en trok een pistool. [slachtoffer 2] heeft zich omgedraaid en is weggerend. De verdachte heeft vervolgens geschoten. Een kogel heeft hem getroffen in zijn rechter knieholte en dit heeft geleid tot een slagaderlijke bloeding8.

Letsel [slachtoffer 2]

Uit forensisch medisch onderzoek blijkt dat [slachtoffer 2] een inschotverwonding in zijn rechter knieholte heeft opgelopen. Tijdens de operatie is bij [slachtoffer 2] een destructie van de rechter knieslagader (arteria poplitea) geconstateerd, een slagaderlijke bloeding met uitwendig bloedverlies en de doorbloeding van het rechter onderbeen was onvoldoende, ten gevolge van de schade aan de knieslagader. [slachtoffer 2] had een compartimentssyndroom in het rechter onderbeen. Bij dit syndroom is sprake van drukopbouw in het onderbeen door inwendige bloeding(en) en/of zwelling van weefsels, welke tot gevolg heeft dat slagaders worden dichtgedrukt en doorbloeding van de lager gelegen delen ontoereikend of zelfs onmogelijk wordt. Uit onderzoek kan worden vastgesteld dat [slachtoffer 2] in de rugzijde (achterzijde) van het rechter been in de knieholte is geschoten. Op het been zullen de littekens blijvend zichtbaar zijn. Ten gevolge van een zenuwbeschadiging heeft [slachtoffer 2] het onvermogen om zijn rechtervoet te buigen en heeft hij gevoelsstoornissen in zijn voet. De genezingsduur kan nog niet worden ingeschat.9

Verklaringen [slachtoffer 1]

heeft verklaard dat hij en [slachtoffer 2] naar de loods zijn gelopen. Er liepen nog een aantal mensen achter hun aan. Hijzelf was bewapend met een staaf en [slachtoffer 2] had een knuppel in zijn hand. De verdachte kwam uit de loods en trok gelijk een pistool. [slachtoffer 2] draaide zich om en toen heeft de verdachte op [slachtoffer 2] geschoten. Hij hoorde twee schoten en zag [slachtoffer 2] in elkaar zakken. [slachtoffer 1] draaide zich ook om en toen is er weer geschoten. Hij voelde dat hij in zijn rechterbil werd geraakt.10

Letsel [slachtoffer 1]

Uit de forensisch medisch onderzoek blijkt dat [slachtoffer 1] een schotverwonding met entree via de rechter bil heeft. Tevens is er een breuk in het schaambeen links, welke geen specifieke behandeling behoefde. [slachtoffer 1] is een nacht ter observatie in het ziekenhuis gebleven. Na twee weken is [slachtoffer 1] gezien op de polikliniek en is door de artsen besloten om de kogel in de bil niet operatief uit het lichaam te halen, vanwege het risico dat [slachtoffer 1] blijvend letsel oploopt. [slachtoffer 1] heeft niet in acuut levensgevaar verkeerd. De genezingsduur wordt geschat op 1 jaar met volledig functieherstel. 11

Verklaringen van de verdachte

De verdachte heeft verklaard dat hij sinds een jaar of zeven een vuurwapen in zijn bezit heeft. Nadat hij in de sloot terecht was gekomen met de auto, heeft hij het vuurwapen onder de bijrijdersstoel vandaan gepakt en bij zich gestoken onder zijn broeksband. Hij wilde niet dat de politie het wapen zou aantreffen in zijn auto en in beslag zou nemen. Op het moment dat hij de vernielingen pleegde aan de auto’s van [slachtoffer 2] , zag hij dat meerdere mensen, waaronder [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] agressief met knuppels en messen op hem af kwamen lopen. Hij voelde zich bedreigd en heeft schoten gelost om de agressors af te schikken. Hij heeft enkel naar de grond geschoten.12

Sporenonderzoek

Op 26 augustus 2017 is een onderzoek ingesteld op het [woonwagenkamp] in Alphen aan den Rijn. Nabij een houten hekwerk, ter hoogte van de loods, zijn drie hulzen aangetroffen. Deze hulzen zijn voorzien van de [bodemstempels]

Op de bestrating van de openbare weg zijn meerdere bloedsporen aangetroffen welke twee min of meer afzonderlijke trajecten vormden. Deze trajecten vormden tot direct naast de woonwagens met [nummer] een spoor. De twee slachtoffers werden bij deze woonwagens aangetroffen en medisch behandeld. De hulzen werden circa 4,5 meter vanaf de voorzijde van de loods aangetroffen.13

Forensisch onderzoek

[slachtoffer 2] is direct na het schietincident geopereerd en bij deze operatie is een kogelpunt uit zijn knieholte verwijderd. De kogelpunt is in beslag genomen14 en voorzien van een spoor identificatie [nummer]15.

Deze kogelkern is onderzocht door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI). De kogelkern is grotendeels vervormd en beschadigd, zo ontbreekt de kogelmantel. Gezien de mate van vervorming en beschadiging lijkt de oorspronkelijke kogel gericocheerd te zijn op een harde en relatief gladde ondergrond. Bij een dergelijk ricochet kan het zijn dat de kogelmantel en de kogelkern splitsen16.

Ten aanzien van de kogel die zich nog immer in het lichaam van [slachtoffer 1] bevindt is uitgebreid onderzoek gedaan naar de vraag of kan worden vastgesteld dat die kogel wel of niet gericocheerd is. Dit onderzoek heeft geen conclusie in één van beide richtingen opgeleverd.

Hulzen

Teven is aan NFI de vraag voorgelegd of de verschoten munitiedelen afkomstig zijn uit één of meerdere vuurwapens. Het NFI heeft op basis van twee hypothesen onderzoek gedaan. Hypothese 1 luidt ‘De hulzen zijn verschoten met één en hetzelfde vuurwapen’ en hypothese 2 luidt ‘De hulzen zijn verschoten met twee vuurwapens van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken’.

De conclusie van het NFI is dat er aanwijzingen zijn gevonden dat de hulzen zijn verschoten met één vuurwapen. Nu de vorm en de ligging van de systeemsporen in de hulzen een sterke gelijkenis vertonen met die van een semi-automatisch werkend pistool van het [merk] ), [model] . De afvuursporen in de kogelkern passen tevens bij het semi-automatisch werkende pistool van het kaliber 7,65 mm Browning waar de hulzen vermoedelijk uit verschoten zijn.

Is sprake van (voorwaardelijk) opzet?

Vaststaat dat de verdachte op 26 augustus 2017 heeft geschoten. Hij heeft echter altijd ontkend dat hij gericht heeft geschoten. Uit onderzoek is gebleken dat de kogel die [slachtoffer 2] in zijn rechterknie heeft getroffen gericocheerd is. Dat wil zeggen dat de kogel eerst een harde ondergrond heeft geraakt voordat deze in het lichaam van [slachtoffer 2] terecht is gekomen. Deze conclusie past bij de verklaring van de verdachte. Bij de kogel in het lichaam van [slachtoffer 1] is weliswaar niet vast te stellen of de kogel ook gericocheerd is, maar gelet op de verklaring van de verdachte en het feit dat van de andere kogel vast staat dat die gericocheerd is, gaat de rechtbank er van uit dat ook de kogel die [slachtoffer 1] heeft geraakt gericocheerd is, nu van het tegendeel niet is gebleken.

Hieruit volgt dat de verdachte naar het oordeel van de rechtbank niet het zogenaamde “vol opzet” (de intentie) had om [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] te doden.

Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of de verdachte in voorwaardelijke zin opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] .

Voor het aannemen van voorwaardelijk opzet is vereist dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangevers door het schieten zouden komen te overlijden. De rechtbank is van oordeel dat hiervan sprake is geweest. Daartoe is het volgende redengevend.

De schietpartij vond plaats op een verharde weg. Het is een feit van algemene bekendheid dat een kogel, wanneer deze met hard materiaal in aanraking komt, kan afketsen en in een andere richting gaat dan waarheen geschoten is. Naar het oordeel van de rechtbank moet de verdachte zich hiervan bewust geweest zijn. Door ondanks deze wetenschap toch minimaal twee kogels af te vuren in de richting van de slachtoffers heeft de verdachte bewust het risico aanvaard dat zij zouden worden geraakt en dat zij aan de gevolgen hiervan zouden overlijden. Dat dit risico aanmerkelijk was moge ook wel blijken uit het feit dat de slachtoffers ook daadwerkelijk beiden door een kogel zijn geraakt.

Nu bij verdachte sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van dodelijk letsel bij [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zal de rechtbank de onder 1 primair (impliciet subsidiair) tenlastegelegde pogingen tot doodslag bewezen verklaren.

De rechtbank is – met de officier van justitie en de raadsman – van oordeel dat de onder 1 primair (impliciet primair) tenlastegelegde pogingen tot moord niet kunnen worden bewezen verklaard, nu niet is komen vast te staan dat de verdachte heeft gepoogd [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] met voorbedachte raad van het leven te beroven. Verdachte zal in zoverre van dit feit worden vrijgesproken.

3.4.4

feit 3: bezit van een vuurwapen en munitie

Nu de verdachte heeft erkend dat hij een vuurwapen met munitie voorhanden heeft gehad en de raadsman dienaangaande geen vrijspraak heeft bepleit, kan de rechtbank ingevolge artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering ten aanzien van de bewezenverklaring volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, te weten:

- de bekennende verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van

15 februari 2019;

- het proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 8 september 2017 (dossier 1), blz. 77-78;

- een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 24 april 2018 met zaaknummer 2017.09.14.056 (aanvraag 002), opgesteld door ing. P.J.M. Pauw-Vugts, deskundige Forensisch Wapen- en Munitieonderzoek, (dossier 2) blz. 289 t/m 295.

3.4.5

Conclusie voor wat betreft de bewezenverklaring

De rechtbank verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 1 primair (impliciet subsidiair) tenlastegelegde poging tot doodslag op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , de onder feit 2 subsidiair tenlastegelegde bedreiging van [slachtoffer 2] , het onder 3 tenlastegelegde voorhanden hebben van een wapen en munitie en de onder 4 tenlastegelegde vernieling.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

1.

hij op 26 augustus 2017 te Alphen aan den Rijn, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van het leven te beroven, opzettelijk

met een vuurwapen kogels heeft afgevuurd in de richting van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 26 augustus 2017 te Alphen aan den Rijn [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door met een auto in de richting van die [slachtoffer 2] te rijden;

3.

hij op 26 augustus 2017 te Alphen aan den Rijn een wapen van categorie III, te weten een semi-automatisch pistool [merk] )), en munitie van categorie III, te weten drie patronen voorhanden heeft gehad;

4.

hij op 26 augustus 2017 te Alphen aan den Rijn opzettelijk en wederrechtelijk

- de banden van een gele bestelbus (merk Mercedes) en

- de banden en de achterruiten van een grijze bedrijfsbus (merk Seat) en

- diverse andere zich in een loods bevindende goederen,

toebehorende aan [slachtoffer 2] heeft vernield die banden van die bestelbus en

die bedrijfsbus lek te steken en die ruiten van die bedrijfsbus in te slaan en de

overige goederen kapot te slaan.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en strafbaarheid van de verdachte

4.1.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, in geval van een bewezenverklaring van het onder feit 1 primair tenlastegelegde, betoogd dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hem een beroep op noodweer(exces) toekomt. De verdachte moest zich verdedigen, omdat in ieder geval [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] agressief met knuppels en messen op hem af kwamen lopen en de intentie hadden de verdachte aan te vallen. Als al geoordeeld zou moeten worden dat de verdediging door de verdachte niet proportioneel zou zijn geweest, komt hem een beroep op noodweerexces toe omdat hij als onmiddellijk gevolg van die aanval in een hevige gemoedsbeweging is geraakt.

4.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen beroep op noodweer(exces) toekomt. De verklaring van de verdachte dat hij niet anders kon dan zich verdedigen, acht de officier niet aannemelijk.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Van noodweer is sprake indien sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdediging noodzakelijk was.

De rechtbank is van oordeel dat er mogelijkerwijs op enig moment sprake is geweest van een noodweersituatie toen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] in de richting van de verdachte zijn gekomen met knuppels en/of messen. Maar gesteld al dat deze noodweersituatie daadwerkelijk heeft bestaan, dan is, deze situatie in ieder geval beëindigd op het moment dat de verdachte zijn vuurwapen heeft getoond aan beide mannen. Uit de omstandigheid dat zowel [slachtoffer 2] als [slachtoffer 1] een kogel aan de achterzijde van hun lichaam hebben gekregen, leidt de rechtbank immers af dat zij zich na het zien van het vuurwapen hebben omgedraaid en van de verdachte zijn weggelopen/-gerend. De door de verdachte gestelde aanranding was daarmee geëindigd, zodat er niet langer een noodzaak was om zichzelf te verdedigen. Het beroep op noodweer kan daarom niet slagen.

Voor de beoordeling van het door de verdachte gedane beroep op noodweerexces geldt dat van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging slechts sprake kan zijn indien:

a. de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden was, dan wel indien

b. op het tijdstip van de hem verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar was beëindigd en de noodzaak tot verdediging er dus wel was geweest (maar niet meer bestond), doch zijn gedraging niettemin het onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging die was veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.

Zoals de rechtbank hiervoor reeds heeft overwogen was er op het moment van schieten geen sprake meer van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding (nogmaals: zo die zich al heeft voorgedaan), zodat de onder a. genoemde situatie zich niet heeft voorgedaan.

Voorts blijkt uit het dossier niet dat bij de verdachte sprake is geweest van een hevige gemoedsbeweging. Ook ter terechtzitting is hierover niets nader aangevoerd door de verdediging. De rechtbank acht daarom onvoldoende aannemelijk dat sprake is geweest van een dergelijke situatie en komt om die reden tot de conclusie dat ook de onder b. genoemde situatie zich niet heeft voorgedaan. Het beroep op noodweerexces slaagt daarom eveneens niet.

Conclusie rechtbank

De rechtbank concludeert dat er ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het onder 1. primair tenlastegelegde feit en de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De rechtbank acht de verdachte derhalve strafbaar voor wat betreft alle de bewezenverklaarde feiten.

5 De strafoplegging

5.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van tien jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, op te leggen. Hierbij houdt de officier van justitie rekening met de richtlijnen die het openbaar ministerie hanteert bij poging doodslag met zwaar lichamelijk letsel. Daarnaast is rekening gehouden met het feit dat de verdachte niet gericht heeft geschoten.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht een lagere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, zo mogelijk gelijk aan de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, gecombineerd met een geheel voorwaardelijke straf en bijzondere voorwaarden, nu ook de aangevers schuld hebben gehad aan de confrontatie. De gevorderde straf van de officier van justitie acht de raadsman buitenproportioneel hoog.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de

omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke

omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is

gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren zal worden opgelegd. De rechtbank stelt vast dat de officier van justitie in haar requisitoir deze strafeis slechts in zeer algemene termen heeft onderbouwd, in elk geval niet zodanig concreet dat daaruit valt af te leiden welke strafmaatuitgangspunten zij heeft gehanteerd en welke factoren daarop vervolgens een verhogende of verminderende invloed hebben uitgeoefend. Slechts bij repliek heeft de officier van justitie daarover in beperkte mate duidelijkheid gegeven, met name door aan te geven dat zij de door haar bewezen geachte pogingen tot doodslag als afzonderlijke feiten ziet, wat zou moeten voeren tot een straf die tien jaren ver te boven gaat, en dat zij vervolgens een aantal omstandigheden van het geval in gunstige zin aan de verdachte heeft toegerekend.

De rechtbank zal in het onderstaande zo concreet mogelijk aangeven welke factoren een rol hebben gespeeld bij haar beslissing omtrent strafsoort en strafmaat.

Het is duidelijk dat bij die beslissing de nadruk moet liggen op de bewezenverklaarde poging tot doodslag, meermalen gepleegd. Omtrent de overige bewezenverklaarde feiten overweegt de rechtbank het volgende.

Het met een auto inrijden op een persoon is, indien dit – zoals in dit geval – als een bedreiging wordt aangemerkt, een vorm van bedreiging die van een zodanige ernst is, dat die in combinatie met het voorhanden hebben van een schietklaar pistool met munitie op datzelfde moment op de openbare weg, tot het opleggen van geen andere straf kan voeren dan één die vrijheidsbeneming met zich brengt. Dat geldt niet voor de mede bewezenverklaarde vernielingen, maar een matigende invloed op de straf gaat daar in elk geval niet van uit. Voor al deze feiten tezamen is oplegging van een gevangenisstraf van een jaar op zijn plaats.

Voor wat betreft de bewezenverklaarde poging tot doodslag, meermalen (te weten: twee maal) gepleegd staat voorop, dat daarvoor een strafmaximum van 13 jaar en vier maanden geldt. De wetgever beschouwt dit delict als behorende tot de categorie ernstiger misdrijven. Dat neemt niet weg dat het gedrag dat tot toepassing van deze strafbepaling leidt vele verschillende vormen kan aannemen zodat in ieder concreet geval dient te worden nagegaan welke mate van ernst daaraan uit een oogpunt van straftoemeting moet worden toegekend. Daarover overweegt de rechtbank het volgende.

De verdachte heeft met een met scherpe patronen geladen pistool schoten afgevuurd waardoor twee personen, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , gewond zijn geraakt. [slachtoffer 2] is daardoor in een levensbedreigende situatie terecht gekomen die, naar mag worden aangenomen, is afgewend doordat snel medische hulp ter plaatse was. Dat heeft niet kunnen voorkomen dat [slachtoffer 2] langdurige behandeling nodig heeft gehad en de rest van zijn leven nadelige gevolgen van zijn letsel zal ondervinden. Dat laatste geldt, zij het in mindere mate, ook voor [slachtoffer 1] .

Gelet op deze omstandigheden moeten de bewezenverklaarde delicten als zodanig ernstig worden beschouwd, dat zij in aanmerking zouden komen voor toepassing van tenminste de helft van het geldende strafmaximum. De rechtbank ziet evenwel, anders dan de officier van justitie, aanleiding om het afvuren door verdachte van de beide schoten, die elkaar onmiddellijk hebben opgevolgd, te zien als een onderdeel van één en hetzelfde wilsbesluit, zodat de bewezenverklaarde pogingen tot doodslag uit een oogpunt van strafoplegging niet als afzonderlijke feiten kunnen worden beschouwd. Dat betekent dat, uitgaande van de helft van het strafmaximum, oplegging van een straf van tenminste 6 jaar en 8 maanden voor beide feiten tezamen in aanmerking zou komen.

Ten gunste van de verdachte houdt de rechtbank er rekening mee dat niet is komen vast te staan dat het afvuren van de schoten gericht is gebeurd, wat niet wegneemt dat de verdachte door te schieten een onaanvaardbaar risico heeft genomen. Het voert echter wel tot strafmatiging. Hetzelfde geldt voor de omstandigheden waaronder het schieten heeft plaatsgevonden. Duidelijk is geworden dat dit heeft kunnen gebeuren door een cumulatie van gebeurtenissen als gevolg van een conflict tussen de verdachte en [slachtoffer 2] , waaraan niet uitsluitend de verdachte schuld draagt. Dat is geen enkele rechtvaardiging voor het plegen van deze delicten, maar heeft – eveneens – een matigende uitwerking op de strafoplegging.

Een en ander brengt de rechtbank tot de slotsom dat voor de bewezenverklaarde poging tot doodslag, meermalen gepleegd, oplegging van een straf van vier jaren passend is. Daarmee komt – gelet op hetgeen eerder is overwogen omtrent de strafwaardigheid van de overige bewezenverklaarde feiten – de op te leggen straf uit op vijf jaren.

6 De vordering van de benadeelde partij

6.1.1

Vordering [slachtoffer 2]

Als benadeelde partij heeft [slachtoffer 2] , bijgestaan door zijn raadsman

mr. J.L.J. van Apeldoorn, zich gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot:

Materiële schade:

€ 231,84 kledingschade, werkschoenen en werkbroek

€ 4.195,07 schade vernieling van de kinderkamer

€ 175,00 schade, reclame op de auto

Immateriële schade

€ 8.000,-

[slachtoffer 2] vordert totaal € 12.601,91 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Daarnaast wordt € 2.959,- aan proceskosten gevorderd.

6.1.2

Vordering [slachtoffer 1]

Als benadeelde partij heeft [slachtoffer 1] , bijgestaan door zijn raadsman

mr. J.L.J. van Apeldoorn, zich gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot

€ 7.000,- aan immateriële schade en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Daarnaast wordt € 1.240,31 aan proceskosten gevorderd.

6.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ook heeft de officier van justitie gevorderd om de gevorderde proceskosten toe te wijzen.

6.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partij dienen te worden afgewezen, gelet op het bepleite ontslag van alle rechtsvervolging.

Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vorderingen, omdat deze een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Hierbij heeft de verdediging aangevoerd dat de eigen schuld van de benadeelde partijen moet worden meegenomen bij de bepaling van de hoogte van de schade.

6.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte in beginsel jegens de benadeelde partijen naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de door de bewezen verklaarde strafbare feiten toegebrachte schade, maar dat bij het bepalen van de omvang van die civielrechtelijke aansprakelijkheid een rol speelt of, en zo ja in welke mate de schade is veroorzaakt door omstandigheden die aan de benadeelden kunnen worden toegerekend. Uit de beschikbare stukken en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank af dat een conflict tussen verdachte en de benadeelde partijen oorzaak is geweest van de bewezenverklaarde strafbare feiten. Deze omstandigheden maken dat mogelijk sprake is van eigen schuld aan de zijde van de benadeelde partijen. Nu het procesdossier hierover geen uitsluitsel biedt, derhalve beoordeling van de vorderingen nader onderzoek vergt, levert een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van de benadeelde partijen een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal de vorderingen derhalve niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partijen hun vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.

Dit brengt mee dat de benadeelde partijen dienen te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

7 De inbeslaggenomen goederen

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ten aanzien van het in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp – zoals vermeld op de als bijlage I aangehechte beslaglijst – gevorderd dat:

Bijlage I

1.00

STK Vuurwapen IMITATIE: wordt onttrokken aan het verkeer.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat onder de verdachte een goed in beslag is genomen. Dit is weergeven op de zich in het dossier bevindende beslaglijst I.

Onttrekking aan het verkeer:

Het in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten een imitatie vuurwapen (nummer 1) op de als bijlage I aangehechte beslaglijst, zal worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en dit aan de verdachte toebehorende voorwerp bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane feiten is aangetroffen, terwijl het voorwerp kan dienen tot het begaan van soortgelijke feiten.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 36 b, 36c, 36d, 45, 57, 285, 287 en 350 van het Wetboek van Strafrecht;

- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder feit 1 primair, impliciet primair (jegens [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] ) en feit 2 primair (jegens [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] ) en subsidiair (jegens [slachtoffer 1] ) tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder feit 1 primair, impliciet subsidiair (jegens [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] ), feit 2 subsidiair (jegens [slachtoffer 2] ), feit 3 en 4 tenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 primair, impliciet subsidiair

poging doodslag, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2 subsidiair

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

ten aanzien van feit 3

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de wet wapens en munitie;

ten aanzien van feit 4

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, meermalen gepleegd.

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) JAREN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen

bepaalt dat de benadeelde partijen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen tot schadevergoeding en dat de benadeelde partijen hun vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partijen in de proceskosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

verklaart onttrokken aan het verkeer het in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp op de als bijlage I aan dit vonnis gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen:

- 1.00 STK Vuurwapen IMITATIE

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.W. du Pon, voorzitter,

mr. G.P. Verbeek, rechter,

mr. M.M.F. Holtrop, rechter,

in tegenwoordigheid van A.M.C. van der Zwan, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 maart 2019.

mrs. Verbeek en Holtrop zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL2017244266-16 (Dossier 1), van de politie eenheid Den Haag, district Alphen aan den Rijn, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 344) en naar het Forensisch dossier, onderzoek Punt (Dossier 2), met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 304).

2 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 september 2017 (dossier 1), blz. 136 t/m 138.

3 Het proces-verbaal verhoor van getuigen [slachtoffer 1] bij de rechter-commissaris, d.d. 16 januari 2018.

4 Het proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2] , d.d. 29 augustus 2017 (dossier 1), blz. 24 t/m 27.

5 Het proces-verbaal verhoor van getuigen [slachtoffer 2] bij de rechter-commissaris, d.d. 16 januari 2018.

6 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 15 februari 2019.

7 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 augustus 2017 (dossier 1), blz. 30 en de als bijlage bij het proces-verbaal sporenonderzoek (dossier 2) gevoegde foto’s 1 en 17, blz. 20 en 36.

8 Het proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2] d.d. 29 augustus 2017 (dossier 1), blz. 24 t/m 27.

9 Een geschrift, te weten een pro Justitia rapportage medisch forensisch onderzoek, zaaknummer RC 17/3377 – FARR15, d.d. 16 februari 2018, opgemaakt door [naam 3] , forensisch arts FMG, (dossier 2) blz. 181 t/m 194.

10 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] d.d. 28 augustus 2017 (dossier 1), blz. 16 t/m 21.

11 Een geschrift, te weten een pro Justitia rapportage medisch forensisch onderzoek, zaaknummer RC 17/3377 – FARR15, d.d.16 februari 2018, opgemaakt door [naam 3] , forensisch arts FMG (dossier 2), blz. 195 t/m 208.

12 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 15 februari 2019.

13 Het proces-verbaal sporenonderzoek (met bijlagen) d.d. 8 september 2017 (dossier 1), blz. 77 t/m 97

14 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 augustus 2017 (dossier 1), blz. 34-35.

15 Het proces-verbaal sporenonderzoek (met bijlagen) d.d. 5 september 2017 (dossier 2), blz. 157 t/m 159.

16 Een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut met zaaknummer 2017.09.14.056 (aanvraagnummer 002) d.d. 24 april 2018, opgemaakt door ing. P.J.M. Pauw-Vugts deskundige Forensisch Wapen- en Munitieonderzoek, (dossier 2) blz. 289 t/m 295.