Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:1878

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-02-2019
Datum publicatie
01-03-2019
Zaaknummer
09/818100-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte gevaar heeft veroorzaakt op een spoorweg door een metalen paal dwars over een trambaan te leggen. Het gevaar als bedoeld in artikel 164 van het Wetboek van Strafrecht bestaat, zodra voor een ongeluk kan worden gevreesd. De kans op zodanig ongeluk dient daarbij wel reëel te zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan in dit geval sprake. Door de verkeerspaal dwars over de rails te leggen heeft de verdachte een gevaarlijke situatie geschapen omdat naar de gewone loop der dingen, zonder buitengewone omstandigheden, er een reële mogelijkheid in het leven is geroepen dat een tram in botsing zou komen met de verkeerspaal. Bij dat oordeel betrekt de rechtbank dat de tramrails afgescheiden was van de weg en niet tevens werd gebruikt door auto’s zodat de paal niet door andere weggebruikers zou zijn opgemerkt. Uit de omstandigheid dat een zeker gevaar theoretisch nog bijtijds kon worden opgemerkt en voorkomen of dat het gevaar op tijd is afgewend, volgt niet dat het gevaar niet heeft bestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 09/818100-18 en 09/070096-18 (tul)

Datum uitspraak: 20 februari 2019

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1977 te [geboortedag] (Bulgarije),

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Alphen aan den Rijn, te Alphen aan den Rijn.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 6 februari 2019.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. N. Bakker en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. F.G.T. Meershoek naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 26 oktober 2018 te 's-Gravenhage opzettelijk en wederrechtelijk meerdere kaartlezers, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Ministerie van Buitenlandse Zaken/VROM, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt, door met een steen op/tegen genoemde kaartlezers te slaan;

2.

hij op of omstreeks 26 oktober 2018 te 's-Gravenhage, in ieder geval in Nederland, opzettelijk gevaar heeft veroorzaakt voor het verkeer door mechanische kracht over een spoorweg (te weten een trambaan), immers heeft hij, verdachte,(gedurende de nacht) een paal bestemd voor een verkeersbord en/of een metalen paal, (dwars) op en/of over de trambaan geplaatst/gelegd.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van feit 1 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit 2 heeft zij vrijspraak bepleit. Zij heeft daartoe aangevoerd dat er geen gevaar is veroorzaakt, omdat er de eerste uren nadat de verdachte de paal op de rails had gelegd, blijkens de dienstregeling geen tram zou rijden. Voorts heeft zij aangevoerd dat het de bedoeling van de verdachte was om de aandacht van de politie te trekken, zodat de paal op tijd zou zijn opgemerkt. Ook was zijn opzet niet gericht op het veroorzaken van gevaar.

3.3

De beoordeling van de tenlastelegging1

Ten aanzien van feit 1

Verbalisant [naam] is naar aanleiding van een melding dat een man stenen gooide naar het gebouw van het Ministerie van Buitenlandse Zaken naar de [locatie] te Den Haag gegaan. Daar zag hij dat een aantal kaartlezers van het Ministerie was vernield. Hij heeft de beelden bekeken van de beveiligingscamera’s. Daarop zag hij dat een man met een steen naar een kaartlezer liep en dat hij met deze steen tegen de kaartlezer sloeg. Hij zag dat de man vier kaartlezers heeft vernield.2

De verdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij de kaartlezers stuk heeft gemaakt.3

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte meerdere kaartlezers van het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft vernield.

Ten aanzien van feit 2

Bewijsmiddelen

Verbalisant [naam] heeft eveneens voornoemde camerabeelden van het Ministerie van Buitenlandse Zaken bekeken. Zij heeft daarop gezien dat de verdachte om 02:13 uur een verkeerspaal over de straat aan het slepen was in de richting van de trambaan. Zij zag dat hij de verkeerspaal overdwars op de trambaan liet liggen.4

Bij de rechter-commissaris heeft de verdachte verklaard dat hij de paal heeft verplaatst.5

Uit de dienstregeling van de lijnen 9 en 16 van de HTM blijkt dat op het betreffende spoor om 06:17 uur de eerste tram zou gaan rijden. Voordat met de dienstregeling wordt aangevangen, rijdt een tram zonder passagiers voor de lijndienst uit. Van deze tram kon niet worden nagegaan hoe laat deze over het spoor reed.6

Gevaar

Het gevaar als bedoeld in artikel 164 van het Wetboek van Strafrecht bestaat, zodra voor een ongeluk kan worden gevreesd. De kans op zodanig ongeluk dient daarbij wel reëel te zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan in dit geval sprake. Door de verkeerspaal dwars over de rails te leggen heeft de verdachte een gevaarlijke situatie geschapen omdat naar de gewone loop der dingen, zonder buitengewone omstandigheden, er een reële mogelijkheid in het leven is geroepen dat een tram in botsing zou komen met de verkeerspaal. Bij dat oordeel betrekt de rechtbank dat de tramrails afgescheiden was van de weg en niet tevens werd gebruikt door auto’s zodat de paal niet door andere weggebruikers zou zijn opgemerkt. Uit de omstandigheid dat een zeker gevaar theoretisch nog bijtijds kon worden opgemerkt en voorkomen of dat het gevaar op tijd is afgewend, volgt niet dat het gevaar niet heeft bestaan.

De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de raadsvrouw, dat de verdachte slechts de aandacht van de politie heeft willen trekken en dat de paal dus vervolgens op tijd door de politie zou worden ontdekt. De rechtbank is voorts van oordeel dat het misdrijf is voltooid op het moment dat de verdachte de paal op de rails heeft gelegd, zodat voor de beoordeling van het bestaan van het gevaar niet relevant is wat de verdachte daarna doet.

Opzet

De rechtbank is verder van oordeel dat er bij verdachte sprake is geweest van opzet en overweegt daartoe het volgende. De verdachte heeft een metalen paal naar de tramrails versleept en deze dwars over de rails neergelegd. De uiterlijke verschijningsvorm van deze gedraging is zodanig gericht op het veroorzaken van gevaar dat het opzet voor de rechtbank buiten redelijke twijfel is komen vast te staan.

De rechtbank kan evenmin het betoog van de raadsvrouw volgen dat het opzet op het veroorzaken van gevaar ontbreekt nu de verdachte enkel de aandacht van de politie heeft willen trekken. De rechtbank stelt vast dat de politie de verdachte niet in de directe omgeving van waar hij de paal heeft neergelegd heeft aangetroffen, maar een eind verderop op de [locatie] .

Conclusie

Gelet op de hierboven genoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat de verdachte opzettelijk gevaar heeft veroorzaak op een spoorweg.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van de verdachte bewezen dat:

1.

hij op 26 oktober 2018 te 's-Gravenhage opzettelijk en wederrechtelijk meerdere kaartlezers, toebehorende aan Ministerie van Buitenlandse Zaken/VROM, heeft vernield door met een steen tegen genoemde kaartlezers te slaan;

2.

hij op 26 oktober 2018 te 's-Gravenhage, opzettelijk gevaar heeft veroorzaakt voor het verkeer door mechanische kracht over een spoorweg (te weten een trambaan), immers heeft hij, verdachte, gedurende de nacht een metalen paal, dwars over de trambaan gelegd.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de vernieling van meerdere kaartlezers die bij het ministerie van Buitenlandse Zaken/VROM in gebruik waren. Dit is een ergerlijk feit dat naast schade ook hinder veroorzaakt voor (de medewerkers van) het ministerie. Het betreffen kostbare goederen, die zijn aangeschaft met belastinggeld. De kosten van herstel zullen dan ook uit algemene middelen worden voldaan.

Voorts heeft de verdachte een metalen verkeerspaal op tramrails geplaatst. Hierdoor is gevaar ontstaan voor het spoorwegverkeer en de daarbij betrokken personen. Dat de paal op tijd is opgemerkt en een ongeluk is voorkomen, is niet te danken aan de verdachte die na het plegen van het feit de plaats delict heeft verlaten.

De verdachte heeft verklaard dat hij zich niet geholpen voelde door de politie. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij kennelijk, in plaats van te proberen zijn problemen op een andere wijze op te lossen, tot het plegen van strafbare feiten is overgegaan. Hiermee heeft hij een instantie schade berokkend en gevaar veroorzaakt, terwijl de (potentiële) benadeelden part noch deel hadden aan de door de verdachte ervaren frustratie.

De persoon van de verdachte

De rechtbank heeft rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie, van 23 januari 2019. Daaruit volgt dat de verdachte voorafgaand aan het begaan van het bewezen verklaarde herhaaldelijk is veroordeeld ter zake van strafbare feiten, onder meer tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen. Deze eerdere veroordelingen waren ten tijde van het bewezen verklaarde onherroepelijk. Bovendien heeft de verdachte het bewezen verklaarde gepleegd in een lopende proeftijd. Deze veroordelingen en de opgelegde proeftijd hebben de verdachte er niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te begaan. De rechtbank weegt deze omstandigheid ten nadele van de verdachte mee bij de straftoemeting.

De verdachte heeft niet mee willen werken aan het opstellen van een reclasseringsrapport. Ook heeft hij een onderzoek door een psycholoog geweigerd. Hierdoor heeft de rechtbank geen inzicht verkregen in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en kan hier dan ook geen rekening mee houden bij het bepalen van de straf.

De op te leggen straf

De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat oplegging van een vrijheidsstraf op haar plaats is. De rechtbank zal echter een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is geëist, omdat zij van oordeel is dat met de op te leggen straf voldoende recht wordt gedaan aan de ernst van de feiten.

7 De vordering tenuitvoerlegging

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter van 8 juni 2018 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf, te weten gevangenisstraf voor de duur van 4 dagen.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering van de officier van justitie van 23 januari 2019 tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf, waartoe de verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter 8 juni 2018, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat deze zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 57, 164 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.4 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;

ten aanzien van feit 2:

opzettelijk gevaar veroorzaken voor het verkeer door mechanische kracht over een spoorweg;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 6 (ZES) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de politierechter in deze rechtbank van 8 juni 2018, gewezen onder parketnummer 09/070096-18, te weten gevangenisstraf voor de duur van 4 dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.P. Verbeek, voorzitter,

mr. M.E. Groeneveld-Stubbe, rechter,

mr. D.E. Alink, rechter,

in tegenwoordigheid van mrs. W. Braaksma en M.T. Planken, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 februari 2019.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2018289373, van de politie eenheid Den Haag, district Den Haag-Centrum, basisteam Hoefkade, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 94).

2 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 50.

3 Proces-verbaal verhoor verdachte inbewaringstelling, punt 3.

4 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 71.

5 Proces-verbaal verhoor verdachte inbewaringstelling, punt 3.

6 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 90.