Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:1865

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-02-2019
Datum publicatie
05-03-2019
Zaaknummer
09/827500-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Straatroof waarbij een vrouw van 70 van haar tas is beroofd waarin geld zal dat zij voor haar verjaardag heeft gekregen. De verdachte is na achtervolging door de bejaarde vrouw en oplettenden aangehouden. Hij was in het bezit van de weggenomen coupures.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/827500-17

Datum uitspraak: 22 februari 2018

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2003 te [geboorteplaats] ,

[adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 8 februari 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. I. Doves en van hetgeen door de raadsman van de verdachte mr. G.A.J. Purperhart, advocaat te Rotterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 23 augustus 2017 te 's-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een tas met inhoud, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het onverhoeds

(met kracht) vastpakken van de handtas van [benadeelde] en/of (vervolgens) die tas (met kracht) weg te trekken/rukken (uit de handen van [benadeelde] ).

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

Op 23 augustus 2017 heeft [benadeelde] (hierna te noemen: de aangeefster) aangifte gedaan van straatroof, meer specifiek diefstal met geweld, waarbij zij van haar handtas is beroofd. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard dat het de verdachte is geweest die zich aan dit feit heeft schuldig gemaakt.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft -overeenkomstig de aan de rechtbank overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnotities- betoogd dat de verklaring van de aangeefster aangaande de (herkenning van de) dader twijfelachtig is. De raadsman heeft verzocht daarom behoedzaam met die verklaring om te gaan en deze gelet op de twijfels uit te sluiten van het bewijs. De verklaring van de aangeefster staat bovendien op zichzelf, nu deze niet wordt gesteund door enig ander bewijsmiddel, zoals bedoeld in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Uit de verklaringen van de [getuige 1] en [getuige 2] blijkt niet dat de verdachte de diefstal heeft gepleegd, nu beiden hebben verklaard geen getuige te zijn geweest van de wegneemhandeling. Daarbij komt dat de verklaring van [getuige 2] over het door de verdachte overhandigen van geld dat afkomstig zou zijn geweest uit de tas van de aangeefster, aan een jongen geen steun vindt in de verklaring van de betreffende jongen zelf, genaamd [naam 1] . Ook beeldmateriaal van camera’s ter plaatse hebben niet geleid tot bewijs van betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegde feit.

De verdachte heeft van meet af aan ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan diefstal met geweld en heeft zijn medewerking verleend aan het onderzoek (aan zijn telefoon). Derhalve heeft de raadsman de rechtbank verzocht om de verdachte vrij te spreken van het hem ten laste gelegde feit.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging. 1

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank ten aanzien van de ten laste gelegde straatroof het volgende af.

Op 23 augustus 2017 heeft de aangeefster aangifte gedaan van de beroving van haar handtas. De beroving vond plaats op 23 augustus 2017 omstreeks 11.10 uur. De aangeefster, net zeventig jaar oud, had die ochtend een afspraak bij de fysiotherapeut aan de Regentesselaan in Den Haag. Zij verliet de praktijk te voet en droeg haar handtas in haar rechterhand. Vlak voor de Cartesiusstraat werd er plotseling met kracht aan haar tas getrokken. Zij zag een jongen met hoge snelheid van haar wegrennen. De jongen hield haar tas vast. De aangeefster heeft geprobeerd de jongen te volgen, maar de jongen van ongeveer 15 jaar oud, was te snel. Zij zag dat de jongen de Cartesiusstraat in rende, dat hij rechtdoor de Gaslaan oprende, en dat hij het stadspark De Verademing inrende. De aangeefster heeft heel hard geschreeuwd: “Houd de dief! Houd de dief! Hij heeft mijn tas gepikt!”. Bij De Verademing kwamen er twee mannen op de fiets naar haar toe. De fietsers zeiden dat zij een jongen met een rood shirt aan zagen rennen en dat deze jongen een tas vasthield. De fietsers gingen achter de jongen aan. Halverwege De Verademing kwam een van de mannen op de fiets weer naar haar toe gefietst. De fietser gaf haar haar portemonnee terug die kennelijk door de jongen uit haar tas was gehaald. Hij zei dat de jongen daar zat en dat de politie eraan kwam. De man wees daarbij naar het platform waar zich een open ijzeren trap bevond.

De aangeefster is naar het platform gelopen en zag dat de jongen die haar tas had geroofd werd vastgehouden door twee mannen. Zij weet zeker dat de jongen die op het platform werd vastgehouden dezelfde jongen betrof als de jongen die haar tas had geroofd, omdat hij er exact hetzelfde uitzag. Zij heeft de jongen omschreven als een jongen met licht getinte huidskleur, een stevig postuur, ongeveer 1.60 meter lang, zwart haar, 15 à 16 jaar. Hij droeg een rood t-shirt met lange mouwen met op de mouwen aan beide kanten ter hoogte van de bovenarm witte strepen, en een zwarte lange broek. De aangeefster zag dat 55 euro uit haar portemonnee was weggenomen. Dit geld had zij in het weekend voor haar verjaardag gekregen. Het bedrag bestond uit een briefje van 50 euro en een briefje van 5 euro.2

[getuige 2] heeft verklaard dat hij bij de [school] als sportleraar werkt. Op 23 augustus 2017 omstreeks 11.00 uur was hij bij De Verademing. Vanaf het fiets- voetpad zag hij twee fietsers aankomen. Zij riepen iets van: “Houd hem tegen, hij heeft iets gestolen!” Hij zag tegelijkertijd een jongen wegrennen voor deze fietsers. De jongen wilde de trap afrennen, richting de sportvelden. [getuige 2] heeft de vluchtende jongen omschreven als een jongen met een Marokkaans uiterlijk, een fors postuur, ongeveer 13 of 14 jaar oud. Hij droeg een rood trainingspak. Omdat de fietsers riepen dat deze jongen moest worden tegengehouden heeft [getuige 2] de jongen halverwege de trap tegengehouden. De jongen schopte en sloeg wild om zich heen. Ongeveer 10 seconden later kwam zijn collega [getuige 1] helpen om de jongen vast te houden. Halverwege de trap sprak de jongen een andere jongen, naar later is gebleken [naam 1] , aan en zei tegen hem: “Hier, hier pak!”. De jongen liet hierbij geld zien. [naam 1] twijfelde om het geld aan te nemen. [getuige 2] zei tegen [naam 1] dat, als hij het geld zou aanpakken, hij medeplichtig zou zijn. [naam 1] heeft het geld van de jongen die werd vastgehouden aangenomen en vervolgens aan [getuige 2] gegeven. Het geld is aan de politie overhandigd. Het geld betrof een briefje van 50 euro en een briefje van 5 euro. De politie was er binnen 5 tot 8 minuten.3

[getuige 1] heeft verklaard dat hij leraar is op de [school] , vlakbij De Verademing. Op 23 augustus 2017 stond hij op het schoolplein toen hij mannen hoorde schreeuwen dat iemand tegengehouden moest worden, omdat hij een tas had gestolen. Hij stond onderaan een trap. Als men die trap oploopt vanaf het schoolplein dan komt men op het bovendek van De Verademing. [getuige 1] zag dat een jongen die niet op de [school] zat, zich tussen de leerlingen door wilde wurmen. [getuige 1] is de trap opgelopen om de jongen tegemoet te lopen en heeft de jongen vervolgens vastgepakt. Hij voelde dat de jongen zich probeerde los te maken. Toen het iets rustiger was, heeft hij de jongen op de trap neergezet in afwachting van de politie. Hij heeft samen met een andere leraar de jongen vastgehouden tot de politie er was. [getuige 1] zag dat de jongen ineens heel snel iets onder zijn shirt vandaan haalde. Hij zag dat dit geld was dat opgerold zat in het shirt van de jongen. De jongen gaf dit aan een jongen die leerling is op de [school] . [getuige 1] heeft de leerling gezegd dat hij dit geld aan hem moest geven, omdat hij anders ook medeplichtig zou zijn. [getuige 1] heeft de jongen die hij heeft vastgehouden omschreven als een stevige, kleine jongen met een licht getinte huid, vermoedelijk van Marokkaanse afkomst, gekleed in een fel trainingspak.4

[naam 1] heeft tegenover de politie verklaard dat hij zich op 23 augustus 2017 op de sportvelden nabij de Gaslaan in Den Haag bevond. Dit heet wijkpark De Verademing.

Op de trap vanaf het sportcomplex naar de weg die daarboven loopt, werd een persoon vastgehouden door twee leraren van school. De jongen probeerde zichzelf los te trekken van de leraren. Dat lukte hem niet. [naam 1] ging bij hen staan. Op dat moment had de jongen geld in zijn handen en de jongen stak zijn hand in zijn richting uit. [naam 1] hoorde de jongen zeggen: “Pak, pak”. [naam 1] heeft de jongen omschreven als een jongen van ongeveer 14 jaar oud, met een licht getinte huidskleur, kleiner dan 1.70 meter en bruin/zwart haar.5

Op 23 augustus 2017, omstreeks 11.20 uur, zijn verbalisanten in opdracht van de dienstdoende centralist van de meldkamer Eenheid Den Haag naar het sportpark

De Verademing gegaan, alwaar iemand werd vastgehouden die zojuist een tas had weggenomen. Ter plaatse is de jongen die werd vastgehouden aangehouden.

De aangehouden verdachte ademde zwaar. Een wat oudere dame vertelde dat de jongen die was aangehouden, dezelfde jongen was als degene die haar tas had weggenomen. Aan de politie werd door een getuige geld overhandigd. Dit geld had de verdachte aan een andere jongen gegeven die het geld weer aan de leraar had gegeven. Het betrof een briefje van

50 euro en een briefje van 5 euro. Het geld is door de politie in ontvangst genomen.6

De verdachte heeft op 23 augustus 2017 tegenover de politie verklaard dat hij die dag een trainingspak droeg, een zwarte broek en een rode trui met witte lijnen van het merk Adidas.

Hij was tot 11.00 uur aanwezig op de sportdag bij HVV en daarna ging hij hardlopen bij de Gaslaan. Hij heeft zijn uiterlijk omschreven als mollig, een beetje kort, licht getint en bruin haar. Hij was aan het hardlopen en hoorde een man roepen dat hij moest stoppen omdat hij een vrouw zou hebben beroofd. Hij is toen doorgerend, omdat dit onzin was. Er kwam een leraar en die pakte hem in de houdgreep en toen moest hij wachten tot de politie kwam.

Hij heeft niks gedaan en aan niemand geld gegeven.7

De rechtbank overweegt dat uit het vorenstaande blijkt dat aangeefster onmiddellijk na de beroving waarbij haar tas met kracht is weggerukt, achter de dader is aangegaan en om hulp heeft geroepen, en dat zij ook onmiddellijk hulp heeft gekregen. In eerste instantie zijn twee fietsers achter de rennende dader die de tas nog in handen had, aangegaan. Zij hebben gezien dat de dader ter hoogte van de ijzeren trap bij het platform zat en hebben aan aangeefster doorgegeven dat de politie eraan kwam. Ook hebben zij de portemonnee van aangeefster aan haar teruggegeven. Aangeefster heeft daarbij gezien dat er 55 euro aan briefgeld van haar was weggenomen, te weten een briefje van 50 euro en een briefje van

5 euro. Bij de aanhouding van de verdachte is ditzelfde bedrag in dezelfde coupures aan de politie overhandigd. Dit geld had de verdachte in zijn kleding zitten en heeft hij volgens twee getuigen aan [naam 1] gegeven, die het geld op zijn beurt aan een van de getuigen heeft gegeven. De verdachte heeft ontkend dat hij geld heeft gegeven aan een jongen en aldus geen andere verklaring gegeven voor het aanwezig hebben van het geldbedrag in precies dezelfde coupures als die van het gestolen geld. Bovendien heeft de verdachte zichzelf omschreven met ongeveer dezelfde uiterlijke kenmerken als genoemd door de aangeefster en de getuigen bij het omschrijven van de dader, te weten een jongen met een mollig postuur, licht getint, bruin/zwart haar en gekleed in een trainingspak bestaande uit een rood shirt met witte strepen op de mouw en een zwarte broek. De rechtbank is van oordeel dat uit deze feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, waarbij de verdachte dus onafgebroken en achtereenvolgens door de verschillende betrokkenen is waargenomen totdat hij het gestolen bedrag overhandigde aan een derde en bij aanhouding vervolgens is herkend door de aangeefster, volgt dat het de verdachte is geweest die de tas van de aangeefster heeft gestolen. Daarbij heeft hij geweld gebruikt door met kracht aan de tas te trekken.

Derhalve is de rechtbank van oordeel dat op grond van bovenstaande bewijsmiddelen het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

hij op 23 augustus 2017 te 's-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een tas met inhoud, in elk geval enig goed, toebehorende aan [benadeelde] , welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen [benadeelde] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld bestond uit het onverhoeds

vastpakken van de handtas van [benadeelde] en vervolgens die tas met kracht weg trekken uit de hand van [benadeelde] .

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie mr. I. Doves heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het hem ten laste gelegde wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 60 dagen met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 46 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met de bijzondere voorwaarden zoals omschreven in het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 5 februari 2018, te weten dat de verdachte:

- zich gedurende een door de jeugdreclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op de door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de reclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

- naar school ( [naam 2] ) gaat;

- de gedragstraining [naam 2] ) volgt en afmaakt;

- meewerkt aan herstelrecht;

waarbij aan Jeugdbescherming west de opdracht wordt gegeven om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte een taakstraf in de vorm van een werkstraf zal worden opgelegd voor de duur van 20 uren, subsidiair 10 dagen jeugddetentie.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de raadsman de rechtbank verzocht om de door de officier van justitie gevorderde deels voorwaardelijke jeugddetentie te matigen en af te zien van oplegging van een taakstraf. Voorts heeft de raadsman betoogd dat de bijzondere voorwaarde “naar school gaan” niet nodig is, omdat de verdachte uit zichzelf naar school gaat en het disproportioneel is om daaraan 46 dagen voorwaardelijke jeugddetentie te koppelen, en dat de bijzondere voorwaarde “herstelrecht” niet passend is, omdat de verdachte ontkent het feit te hebben gepleegd.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank houdt bij het bepalen van de strafmaat rekening met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is gepleegd en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een straatroof door op straat met kracht aan de tas van het slachtoffer te trekken en deze van haar weg te nemen. De verdachte is er met hoge snelheid rennend vandoor gegaan. De aangeefster, een vrouw van zeventig jaar, is achter de verdachte aangegaan en heeft onmiddellijk om hulp geroepen. Twee fietsers zijn haar te hulp geschoten en op hun verzoek om de verdachte tegen te houden is de verdachte door een sportleraar vastgepakt. Even later is een collega bijgesprongen en samen hebben zij de verdachte vastgehouden tot de politie kwam. De verdachte bleek van het slachtoffer een tas met onder meer 55 euro te hebben weggenomen. Dit geldbedrag, een briefje van 50 euro en een briefje van 5 euro, is aan de politie overhandigd. Dit geld, in deze coupures, had aangeefster voor haar verjaardag gekregen. De verdachte heeft met zijn handelen inbreuk gemaakt op het persoonlijke eigendomsrecht van het zeventigjarige slachtoffer en bij haar een gevoel van machteloosheid veroorzaakt. Dit kan niet anders dan als verwerpelijk en uiterst laf worden bestempeld. Het is algemeen bekend dat dergelijke strafbare feiten doorgaans angst en gevoelens van onveiligheid veroorzaken bij slachtoffers daarvan en in zijn algemeenheid in de maatschappij. Hieraan heeft de verdachte zich kennelijk niets gelegen laten liggen. Door te volharden in ontkenning heeft de verdachte de indruk gewekt dat de gevolgen van zijn handelen hem onverschillig laten en dat hij weinig inzicht heeft in de ernst van het door hem gepleegde feit.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 12 januari 2018 is hij niet eerder veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.

De rechtbank heeft acht geslagen op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 5 februari 2018, opgemaakt en ondertekend door [naam 3] , raadsonderzoeker, onder meer inhoudende, verkort en zakelijk weergegeven, dat het feit dusdanig ernstig is dat de Raad voor de Kinderbescherming een voorwaardelijke jeugddetentie adviseert die deze ernst onderstreept, maar ook het doorzetten van verplichte hulpverlening garandeert waarbij het goed volgen van de gedragstraining kan werken om de kans op herhaling te verlagen.

De Raad adviseert de rechtbank daarom om de verdachte een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met naast de algemene voorwaarden, bijzondere voorwaarden, inhoudende een meldplicht, de verplichting onderwijs te volgen, een gedragstraining te volgen en af te maken en mee te werken aan herstelrecht. [naam 3] is ter terechtzitting als deskundige gehoord en hij heeft dit advies ter zitting bevestigd.

De rechtbank ziet evenwel in hetgeen de deskundige [naam 4] , jeugdreclasseringsmedewerker van Jeugdbescherming west ter terechtzitting omtrent de verdachte naar voren heeft gebracht en het feit dat de verdachte ‘first offender’ is, af van het opleggen van een jeugddetentie en ziet aanleiding voor het opleggen van de hierna volgende (andere) bijzondere voorwaarden.

De rechtbank is -alles afwegende- van oordeel dat na te melden deels voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf (met bijzondere voorwaarden) met aftrek van de in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebrachte duur aan jeugddetentie, een passende en geboden reactie vormt.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa en 312, van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het hem ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

diefstal, vergezeld van geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken;

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 60 (ZESTIG) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de tijd van 30 (DERTIG) DAGEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 32 (TWEEENDERTIG) uren, subsidiair 16 dagen jeugddetentie, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden;

stelt de proeftijd vast op 2 jaren, onder

de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende een door de jeugdreclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de jeugdreclassering, Jeugdbescherming west, zo frequent en zo lang deze instelling dat nodig acht

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van De Waag of een soortgelijke instelling,

geeft opdracht aan Stichting Jeugdbescherming west Zuid Holland, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.E.M.G. van Wezel, kinderrechter, voorzitter,

mr. D.G.J. Dop, rechter,

en mr. M.M.F. Holtrop, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. S. Imami-Kalloemisier, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 februari 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit – voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1500-2017240278 (blz. 1 t/m 87).

2 Proces-verbaal van aangifte, met bijlage, blz. 22 t/m 25.

3 Proces-verbaal van verhoor getuige, blz. 42 t/m 43.

4 Proces-verbaal van verhoor [getuige 1] , blz. 28 t/m 29.

5 Proces-verbaal van verhoor [naam 1] , blz. 50 t/m 51.

6 Proces-verbaal van aanhouding, blz. 12 t/m 13.

7 Proces-verbaal verhoor verdachte, blz. 31 t/m 37.