Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:1855

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-02-2019
Datum publicatie
15-03-2019
Zaaknummer
09/842181-18 en 22/002215-16 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak. Het bewijsminimum wordt niet gehaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige economische kamer

Parketnummers: 09/842181-18 en 22/002215-16 (tul)

Datum uitspraak: 14 februari 2019

Tegenspraak

(Verkort vonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd in [plaats]

.

De terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 14 februari 2019.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. P.J.Ph. Dietz de Loos, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr. J. Eelman heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het aan de verdachte ten laste gelegde feit. De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De officier van justitie heeft voorts de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij arrest van het gerechtshof Den Haag van

15 september 2016, onder parketnummer 22/002215-16, voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie voor de duur van drie maanden, met dien verstande dat in plaats daarvan een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden zal worden tenuitvoergelegd.

De tenlasteleggingAan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 18 maart 2018 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een Iphone 7 (zwart) en/of sigaretten en toebehoren, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit:

- het aan die [slachtoffer] toevoegen van de woorden: "Snitches get stiches", althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- het weggrissen van de Iphone 7 van die [slachtoffer] op het moment dat hij aangeeft naar huis te willen en/of

- het bij de jas vastpakken en heen en weer schudden van die [slachtoffer] en/of

- het tegen de borst, de armen, de rug en de zij, althans tegen het lichaam slaan en/of schoppen van die [slachtoffer] en/of

- het drukken van de punt van een schroevendraaier in de zij en/of de nek, althans tegen het lichaam van die [slachtoffer] en/of

- het toepassen van een nekklem bij die [slachtoffer] terwijl hij op de grond lag en/of

- het (vervolgens) aan die [slachtoffer] toevoegen van de woorden: "Wacht hier 2 tot 3 minuten. Er komt een auto en wij stoppen jou daarin", althans woorden van gelijke aard en/of strekking.

Vrijspraak

De rechtbank stelt voorop dat voor bewezenverklaring van het ten laste gelegde conform de ‘unus testis-regel’ een bewijsminimum van twee wettige bewijsmiddelen geldt. De rechtbank heeft vastgesteld dat zich in het dossier een aangifte van [slachtoffer] bevindt waarin hij de verdachte aanwijst als dader van de ten laste gelegde straatroof, maar dat deze niet wordt gesteund door ander bewijs. Gelet hierop wordt niet aan het bewijsminimum voldaan. De rechtbank overweegt hierover in het bijzonder nog het volgende. Uit zendmastgegevens is gebleken dat de telefoon van de verdachte zich ten tijde van het ten laste gelegde in de directe omgeving van de plaats delict bevond. Uit dit gegeven volgt echter niet zonder meer de betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegde delict. De verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting namelijk verklaard dat het kan kloppen dat hij destijds in de directe omgeving van de plaats delict is geweest, omdat hij in die periode heel vaak in de buurt was van het Malieveld om daar weed te halen en te chillen in de spacetunnel (de tunnel in de parkeergarage onder het Malieveld). Deze verklaring van de verdachte voor zijn aanwezigheid op de plaats delict kan, gelet op de voorhanden zijnde stukken in het dossier, niet worden uitgesloten. Ten slotte ontbreken andere bewijsmiddelen in het dossier waaruit de betrokkenheid van de verdachte bij de ten laste gelegde straatroof blijkt.

De rechtbank acht op grond van het dossier en het verhandelde tijdens het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank zal gelet op het feit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van de hem ten laste gelegde straatroof de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie voor de duur van drie maanden, opgelegd bij arrest van het gerechtshof Den Haag van 15 september 2016, onder parketnummer 22/002215-15, afwijzen en het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opheffen.

De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof Den Haag van 15 september 2016, onder parketnummer 22/002215-15, voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie voor de duur van drie maanden;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. B. Hammer, voorzitter,

mr. E.J. van As, rechter,

mr. N.S.M. Lubbe, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. S. Imami-Kalloemisier, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 februari 2019.