Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:1853

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-02-2019
Datum publicatie
15-03-2019
Zaaknummer
09/827245-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging zware mishandeling stiefzoon en handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, WWM. Vrijspraak ter zake van bedreiging. Geen redelijke vrees en louter bevestigend gereageerd op de bewoordingen van een ander.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/827245-18

Datum uitspraak: 12 februari 2019

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte 1] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 3 december 2018 (pro forma) en 29 januari 2019 (inhoudelijk).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.R. Groeneveld en van hetgeen door verdachte en zijn raadvrouw mr. L. Rijsdam naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 10 mei 2018 te Alphen aan den Rijn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (met kracht) met een zware en/of grote (metalen) kandelaar, in elk geval een hard en/of zwaar voorwerp, in de richting van het hoofd, althans het lichaam, van die [slachtoffer 1] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, inden het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 10 mei 2018 te Alphen aan den Rijn [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door opzettelijk dreigend met een zware en/of grote (metalen) kandelaar, in elk geval een hard en/of zwaar voorwerp, in de richting van het hoofd, althans het lichaam, van die [slachtoffer 1] te slaan en/of door een zware en grote metalen kandelaar aan die [slachtoffer 1] te tonen;

2.

hij op of omstreeks 10 mei 2018 te Alphen aan den Rijn [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door tegen die [slachtoffer 1] dreigend te zeggen dat hij haar dood zou maken, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3.

hij op of omstreeks 10 mei 2018 te Alphen aan den Rijn een of meer wapens van categorie I onder 1, te weten een ploertendoder, voorhanden heeft gehad;

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde feit en van de feiten 2 en 3.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 primair ten laste gelegde feit. Volgens de verdediging heeft de verdachte geen opzet gehad op het verwonden van aangever.

De verdediging heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde feit wegens gebrek aan bewijs.

Met betrekking tot de onder 1 subsidiair en onder 3 ten laste gelegde feiten heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3

De beoordeling van de tenlastelegging1

Feit 1

Op 10 mei 2018 heeft [slachtoffer 1] (hierna: aangever of [slachtoffer 1] ) aangifte gedaan van poging zware mishandeling door de verdachte. Hij heeft verklaard dat hij die dag aanwezig was in de woning aan de [adres] in Alphen aan den Rijn, waar hij samen met zijn halfzus en moeder aan de keukentafel zat. Volgens aangever kwam de verdachte – zijn stiefvader - naar de keukentafel gedenderd en pakte hij onderweg een kaarsenstandaard vast. De verdachte hief de kaarsenstandaard naast zijn hoofd alsof hij een backhandslag wilde maken. Toen de verdachte zijn slag begon te maken probeerde de moeder van aangever hem vanaf de zijkant tegen te houden. Hierdoor raakte de slag aangever niet, maar de lamp die vlak voor hem voor de tafel hing. Volgens aangever zou de verdachte hem met veel kracht met het voorwerp op zijn hoofd hebben geraakt, als zijn moeder niet had ingegrepen. De verdachte richtte echt op hem.2

Getuige [getuige] – de halfzus van [slachtoffer 1] - heeft verklaard dat de verdachte met de kandelaar in zijn hand vlak naast haar stond. Hij maakte een slaande beweging met de kandelaar in de richting van [voornaam slachtoffer] [de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1] ]. Hierbij raakte hij de eettafel lamp.3

Betrokkene [slachtoffer 2] - de moeder van [slachtoffer 1] - heeft verklaard: “Hij ( [roepnaam verdachte] ) [de rechtbank begrijpt: de verdachte] zei dat hij de telefoon uit zijn handen [de rechtbank begrijpt: de handen van aangever] wilde slaan, dat is onzin.”4

[slachtoffer 2] heeft de politie aangewezen welke kandelaar de verdachte heeft gebruikt. De politie heeft vastgesteld dat de kandelaar was vervaardigd uit een hard, niet meebuigend materiaal, mogelijk een metaalsoort. De kandelaar was 40 centimeter lang en woog 776,4 gram.5

Conclusie rechtbank

De rechtbank acht de verklaring van aangever [slachtoffer 1] dat de slaande beweging met de kandelaar gericht was op zijn hoofd betrouwbaar, temeer nu deze op essentiële onderdelen – met name: het slaan in de richting van aangever en niet in de richting van zijn telefoon die op tafel lag – steun vindt in de verklaring van de halfzus en de moeder van de aangever. Dat het niet de bedoeling van de verdachte was om aangever te raken met de kandelaar maar wel de telefoon die op tafel voor hem lag, zoals de verdachte heeft verklaard, is niet aannemelijk geworden. De verklaring van aangever dat de verdachte de kandelaar naast zijn hoofd hield alsof hij een backhandslag wilde maken, past gelet op de meer horizontale zwaairichting van een backhandslag beter bij de verklaring van aangever dat de kandelaar richting zijn hoofd werd geslagen dan bij de verklaring van de verdachte dat hij op de telefoon mikte die op tafel lag, hetgeen een neerwaartse zwaairichting vereist. Dat de zwaai met de kandelaar met kracht is gebeurd, staat voldoende vast. De rechtbank stelt dan ook vast dat de verdachte met een kandelaar met kracht richting het hoofd van aangever heeft geslagen maar hem niet heeft geraakt door ingrijpen van de moeder van aangever.

Gelet op de afmetingen en het gewicht van de kandelaar zoals die door de politie zijn vastgesteld, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een grote en zware kandelaar. Het is een feit van algemene bekendheid dat het slaan met een dergelijk groot en zwaar voorwerp tegen iemands hoofd, een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel met zich brengt. Het handelen van de verdachte was naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan dan dat hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dergelijk letsel zich ook zou voordoen. Daarmee heeft de verdachte – ten minste – voorwaardelijk opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Naar het oordeel van de rechtbank kan gelet op het voorgaande wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel - het onder 1 primair ten laste gelegde feit - door met kracht met een zware en grote kandelaar in de richting van het hoofd van aangever te slaan.

Feit 2

[slachtoffer 2] heeft als volgt verklaard: “Ik zei tegen hem [de rechtbank begrijpt: de verdachte] dat als hij aan mijn zoon wilde komen, dat hij dan eerst mij dood moest maken. [roepnaam verdachte] zei hierop dat hij mij dan maar dood moest maken”.6

Getuige [getuige] heeft haar moeder horen zeggen: “Als je mijn kind iets aandoet, dan zal je eerst mij moeten doden.” Zij hoorde haar vader – de verdachte - vervolgens zeggen: “Dan doe ik dat”.7

Conclusie rechtbank

Op basis van bovengenoemde twee verklaringen, stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer 2] tegen de verdachte heeft gezegd (in deze of soortgelijke bewoordingen) dat hij eerst haar zou moeten doden voordat hij haar kind wat kon aandoen. De verdachte heeft vervolgens geantwoord dat hij dat zou doen.

Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht, is volgens vaste jurisprudentie vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd ook zou worden gepleegd (zie bijvoorbeeld Hoge Raad 20 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:245, r.o. 2.3).

Deze bewoordingen van de verdachte hebben ongetwijfeld gevoelens van schrik veroorzaakt bij [slachtoffer 2] . De rechtbank is echter van oordeel dat de reactie van de verdachte bij [slachtoffer 2] niet de redelijke vrees heeft veroorzaakt dat hij daadwerkelijk uitvoering zou geven aan zijn dreigement. Hierbij acht de rechtbank van belang dat de verdachte niet het initiatief heeft genomen tot het gebruiken van de hiervoor genoemde woorden , maar louter bevestigend heeft gereageerd op de woorden van [slachtoffer 2] . De rechtbank weegt daarbij mee de omstandigheden waaronder deze gebeurtenis heeft plaatsgevonden, namelijk een zeer emotionele situatie waarin de woede van de verdachte volledig gericht was op zijn stiefzoon en niet op [slachtoffer 2] , hetgeen ook voor [slachtoffer 2] duidelijk was.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de onder 2 ten laste gelegde bedreiging niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. De verdachte zal van dit feit worden vrijgesproken.

Feit 3

Omdat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft bekend, hij nadien niet anders heeft verklaard en zijn raadsman ten aanzien van dit feit geen vrijspraak heeft bepleit, kan de rechtbank ingevolge artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, te weten:

- De bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 29 januari 2019;

- Het proces-verbaal onderzoek wapen van 12 mei 2018, blz. 35.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van de verdachte bewezen dat:

1.

hij op 10 mei 2018 te Alphen aan den Rijn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met kracht met een zware en grote kandelaar, in de richting van het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op 10 mei 2018 te Alphen aan den Rijn een wapen van categorie I onder 3, te weten een ploertendoder, voorhanden heeft gehad;

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien weken, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan acht weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van 60 uren. De officier van justitie heeft verder gevorderd dat aan het voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd, te weten een meldplicht en een contactverbod ten aanzien van aangever [slachtoffer 1] en dat deze bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich verzet tegen het opleggen van een taakstraf en tegen een meldplicht bij de reclassering. Volgens de verdediging is de verdachte al genoeg gestraft nu hij in voorlopige hechtenis heeft gezeten en enige tijd een huisverbod heeft gehad. De gevorderde meldplicht zou bovendien problemen opleveren bij de zoektocht van de verdachte naar een baan.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. De verdachte heeft met een kandelaar met kracht geslagen in de richting van het hoofd van zijn stiefzoon en hem niet geraakt door ingrijpen van zijn partner, de moeder van zijn stiefzoon. De verdachte heeft daarmee op een volstrekt disproportionele manier gereageerd op het feit dat hij boos was op zijn. Met zijn gedrag heeft de verdachte grensoverschrijdend gehandeld en geen enkel respect gehad voor de lichamelijke integriteit van zijn slachtoffer. Dat de gevolgen van het handelen van de verdachte, kennelijk door het ingrijpen van zijn partner, beperkt zijn gebleven, is op geen enkele manier aan het handelen van verdachte te danken. Dat dit handelen bovendien plaatsvond in de thuissituatie en gericht was tegen de stiefzoon van de verdachte, is extra kwalijk. Een (stief)zoon moet zich immers juist veilig en geborgen kunnen voelen in de ouderlijke woning in het bijzijn van zijn (stief)vader. De rechtbank weegt deze omstandigheden in strafverzwarende zin mee.

De verdachte is verder schuldig aan het voorhanden hebben van een ploertendoder. Dat is een kwalijk en ook een zorgwekkend feit, temeer nu uit het dossier volgt dat de verdachte in staat is tot geweld tegen zijn stiefzoon en bij de stiefzoon bekend was dat zijn stiefvader over dit wapen beschikte. De stiefzoon van de verdachte moet dit als zeer bedreigend hebben ervaren. Ook dit rekent de rechtbank de verdachte aan.

De rechtbank heeft rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie, gedateerd 27 december 2018. Daaruit volgt dat de verdachte eerder is veroordeeld ter zake van een soortgelijk strafbaar feit tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Deze eerdere veroordeling was ten tijde van het bewezen verklaarde onherroepelijk. De veroordeling heeft de verdachte er niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te begaan. De rechtbank weegt deze omstandigheid ten nadele van de verdachte mee bij de straftoemeting.

De rechtbank heeft verder kennis genomen van een psychologisch onderzoek betreffende de verdachte van 25 juli 2018, uitgevoerd door GZ-psycholoog M. Hulshof. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat bij de verdachte geen sprake is van een ernstige ontregeling op grond van een psychiatrische stoornis. Van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de verdachte is niet gebleken, zodat hij volledig toerekeningsvatbaar is. De onderzoeker heeft wel vastgesteld dat bij de verdachte sprake is van reactieve agressie en dat hij moeite heeft om zijn emoties en frustraties op een adequate manier te uiten. Hij reageert dan primair door te dreigen of agressief gedrag te vertonen. De kans op herhaling van gewelddadig gedrag in de thuissituatie wordt, zonder behandeling, ingeschat als hoog. Het is volgens de onderzoeker daarom van belang dat de verdachte behandeling krijgt voor het bespreekbaar maken en reguleren van zijn emoties.

Tot slot heeft de rechtbank acht geslagen op een advies van Reclassering Nederland van 17 januari 2019 van C. van de Pol. Hierin wordt toegelicht dat de verdachte meewerkt aan reclasseringsbegeleiding en aan behandeling. Hoewel er – mede door de stellige, rigide houding van de verdachte – weinig tot geen concrete resultaten worden bereikt, vindt de verdachte bij zijn toezichthouders wel een luisterend oor. Verder wordt als beschermende factor gezien dat de stiefzoon van de verdachte inmiddels zelfstandig woont in een appartement dat de verdachte heeft gekocht. Mede daarom worden de risico’s op recidive en letselschade ingeschat als gemiddeld. Ook het feit dat de verdachte geen alcohol meer gebruikt en nuchter wil blijven, wordt als beschermende factor gezien. De reclassering adviseert om bij een veroordeling een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en een contactverbod met de stiefzoon van de verdachte. Een behandelverplichting bij De Waag heeft volgens de reclassering geen toegevoegde waarde, nu de psychiater die de verdachte daar behandelde heeft laten weten dat het voortzetten van de behandeling geen zin heeft. Bij de Waag is geprobeerd bij de verdachte soepelere denkpatronen te bewerkstelligen maar de kans dat dit lukt is klein.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een straf zoals die door de officier van justitie is gevorderd, in dit geval passend is. Weliswaar acht de rechtbank niet alle ten laste gelegde feiten bewezen, maar zoals hiervoor is toegelicht rekent zij in strafverzwarende zin mee dat het handelen van de verdachte heeft plaatsgevonden in de thuissituatie en gericht was tegen zijn stiefzoon. Een grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf dient als stok achter de deur om te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw in de fout gaat. De rechtbank volgt de verdediging niet in het betoog dat de verdachte al genoeg gestraft is en kiest daarom daarnaast voor het opleggen van een taakstraf. Het contactverbod ten aanzien van [slachtoffer 1] is nodig om confrontaties tussen beiden te voorkomen. De meldplicht bij de reclassering is van nut omdat de verdachte deze contacten kan gebruiken om zijn emoties en frustraties te uiten en omdat het van belang is dat de reclassering een vinger aan de pols kan houden.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van zijn stiefzoon. Gelet op de persoon van de verdachte en de gezinssituatie zoals die uit het dossier naar voren komt, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht (Sr) te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 14d Sr uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

7 De vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 700,-.

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, inclusief de wettelijke rente sinds 10 mei 2018. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 700,- ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1] .

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair verzocht de vordering van de benadeelde partij af te wijzen. Subsidiair heeft zij verzocht het toe te wijzen bedrag te matigen. De verdediging heeft erop gewezen dat de verdachte in financieel opzicht al erg veel heeft gedaan voor zijn stiefzoon.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. In de vordering wordt gesteld dat de benadeelde partij psychische gevolgen ervaart van de gebeurtenissen op 10 mei 2018, maar de aanwezigheid en de omvang van die psychische gevolgen zijn niet toegelicht met verifieerbare gegevens. De vordering is daarmee onvoldoende onderbouwd en het heropenen van het onderzoek om de benadeelde partij de gelegenheid te bieden deze onderbouwing alsnog te leveren, zou een onevenredige belasting van het strafgeding vormen. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank begroot op nihil.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

- 14 a, 14b, 14c, 14d, 14e, 22c, 22d, 45, 57, 302 van het Wetboek van Strafrecht.

- 13, 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.4 bewezen is verklaard, en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 primair:

poging zware mishandeling;

ten aanzien van feit 3:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 10 (TIEN) WEKEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot acht weken, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ter vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- gedurende de proeftijd geen contact legt of laat leggen – direct of indirect – met zijn stiefzoon [slachtoffer 1] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- zich op uiterlijk 15 februari 2019 meldt bij de Reclassering Nederland, Bezuidenhoutseweg 179 te Den Haag en zich daarna gedurende de proeftijd op door de reclassering te bepalen tijdstippen blijft melden bij deze instelling, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;

geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat bovengenoemde bijzondere voorwaarden en het -op grond van artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht- uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

veroordeelt de verdachte voorts tot:

een taakstraf voor de duur van 60 (ZESTIG) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 30 (dertig) dagen;

voorlopige hechtenis

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.C. de Winter, voorzitter,

mr. C.W. de Wit, rechter,

mr. M.P.M. Loos, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. S. Imami-Kalloemisier, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 februari 2019.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2018123032, van de politie eenheid Den Haag, district Alphen aan den Rijn, basisteam Waddinxveen/Zuidplas, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 61).

2 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1] , blz. 10.

3 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , blz. 20.

4 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 26.

5 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 31.

6 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 26.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , blz. 20.