Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:1841

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-02-2019
Datum publicatie
04-04-2019
Zaaknummer
NL19.2034
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Roemenië, geen procesbelang, n-o

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.2034


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. T. Neijzen),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.P. de Boo).

Procesverloop

Bij besluit van 29 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Roemenië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.2035, plaatsgevonden op 19 februari 2019.

Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Iraakse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1993.

Eiser heeft op 2 november 2018 een asielaanvraag ingediend. Uit Eurdodac is gebleken dat eiser op 29 oktober 2017 in Roemenië en op 24 april 2018 in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend.

Verweerder heeft op 15 november 2018 de Duitse autoriteiten verzocht om eiser op grond van de Dublinverordening terug te nemen. De Duitse autoriteiten hebben dit verzoek afgewezen en gewezen op de verantwoordelijkheid van Roemenië. Hierop zijn de autoriteiten van Roemenië op 30 november 2018 verzocht om eiser terug te nemen. Zij hebben hiermee ingestemd.

2. De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of eiser procesbelang heeft bij het onderhavige beroep. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder meer de uitspraak van 22 januari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:183), blijkt dat indien de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken zonder contact te onderhouden met zijn gemachtigde, hij kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming hier te lande. In dat geval heeft de vreemdeling geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het ingestelde beroep, aldus de Afdeling.

3. Op 14 februari 2019 heeft verweerder aan de Dublin unit van Roemenië laten weten dat de overdracht niet kan plaatsvinden, omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken.

4. Nu eiser met onbekende bestemming is vertrokken en eiser en zijn gemachtigde ook niet ter zitting zijn verschenen, neemt de rechtbank aan dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op asielrechtelijke bescherming in Nederland. Niet is gebleken dat eiser desondanks nog belang heeft bij een oordeel van de rechtbank over de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

5. Het beroep zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard wegens het ontbreken van belang.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. de Zeben - de Vries, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.E. Maas, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.