Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:1837

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-02-2019
Datum publicatie
04-04-2019
Zaaknummer
NL19.1992
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Italië, artikel 17 Dublinverordening

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.1992


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. J.M.M. Heilbron),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.P. de Boo).

Procesverloop

Bij besluit van 29 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.1993, plaatsgevonden op 19 februari 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens waren ter zitting de tolk H.C. de Man en [A] en [B] aanwezig.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Ivoriaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1986.

Eiser heeft op 27 september 2018 een asielaanvraag ingediend. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 27 januari 2018 in Italië een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft aan de Italiaanse autoriteiten op 10 oktober 2018 gevraagd om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van de Dublinverordening. De autoriteiten van Italië hebben hiermee op 23 oktober 2018 ingestemd.

2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Deze verordening is de Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (de Dublinverordening). In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om terugname gedaan. Italië heeft dit verzoek aanvaard.

3. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte is uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en ten onrechte geen gehoor heeft gegeven aan zijn verzoek toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Eiser ondergaat psychische en psychologische behandelingen in het Centrum voor Transculturele Psychiatrie te [plaats]. Eiser moet hierdoor worden aangemerkt als een kwetsbaar persoon in de zin van het arrest Tarakhel, waardoor individuele garanties zijn vereist voor wat betreft opvang en medische behandeling voor hem in Italië. Aangezien eiser zich in Italië zal moeten registreren voor medische hulp, wat lang kan duren, en de medische voorzieningen en opvanglocaties in Italië in strijd zijn met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) heeft verweerder onvoldoende rekening gehouden met eisers medische beperkingen. Om dit te onderbouwen voert eiser een e-mail van zijn behandelaar aan, de rapporten van AIDA, SFH/OSAR en Artsen Zonder Grenzen, het rapport van Danish Refugee Council en Swiss Refugee Council van 12 december 2018 en het artikel van IRIN News van 7 december 2018. In de zienswijze heeft eiser een kopie van zijn medisch dossier overgelegd.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1

Niet in geschil is dat Italië correct aangemerkt is als de verantwoordelijke lidstaat en deze verantwoordelijkheid ook heeft geaccepteerd. De rechtbank dient te oordelen of verweerder terecht geen toepassing heeft gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.

4.2

Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening kan elke lidstaat besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht.

Op grond van paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000) maakt verweerder terughoudend gebruik van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming te behandelen op grond van artikel 17, eerste en tweede lid, van de Dublinverordening, als Nederland daartoe op grond van in de Dublinverordening neergelegde criteria niet is verplicht. Verweerder gebruikt de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming te behandelen in ieder geval indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. Of er zijn concrete aanwijzingen dat de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt.

4.3

Eiser voert in beroep aan dat hij moet worden aangemerkt als een kwetsbaar persoon in de zin van het arrest Tarakhel. De rechtbank is allereerst van oordeel dat niet iedere medische conditie met zich brengt dat een vreemdeling als kwetsbaar moet worden aangemerkt in de zin van het arrest Tarakhel. Uit de overgelegde stukken volgt dat eiser medische problemen heeft, namelijk PTSS en een schotwond in zijn rechter onderbeen, waarvoor hij medicatie voorgeschreven krijgt. Daarnaast is eiser op vrijwillige basis opgenomen in [plaats]. De arts heeft desgevraagd aangegeven:

“Ik kan geen uitspraak doen over mogelijke klachten en de intensiteit van de klachten als hij geen medische voorzieningen krijgt in Italië. Het advies blijft wel dat dhr. psychologische en psychiatrische behandeling nodig heeft, waaronder medicatie, traumabehandeling en ondersteunende begeleiding hiervoor.”

Eiser heeft met de door hem overgelegde stukken aannemelijk gemaakt dat hij medische klachten heeft, dit is ter zitting door de gemachtigde van verweerder ook onderkend, maar hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij een kwetsbaar persoon is als bedoeld in het arrest Tarakhel. In het algemeen geldt ten aanzien van Dublinclaimanten die onder medische behandeling staan dat zij desondanks kunnen worden overgedragen aan de verantwoordelijke lidstaat, omdat de medische behandeling ook daar voorhanden moet worden geacht, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel en de verplichtingen die voortvloeien uit onder meer de Opvangrichtlijn. Op grond van het arrest C.K. tegen Slovenië kan echter, ook als van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan, niet worden uitgesloten dat van de overdracht van een asielzoeker met een bijzonder slechte gezondheidstoestand moet worden afgezien. Volgens de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 16 januari 2019 heeft eiser, door de email te overleggen waarin niet de gevolgen voor de gezondheidstoestand van een overdracht op zichzelf beschreven worden, niet met objectieve gegevens de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en de aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand, zoals bedoeld in het arrest C.K. tegen Slovenië, aangetoond (ECLI:NL:RVS:2019:129). Er is derhalve niet gebleken dat er belemmeringen zijn voor de feitelijke overdracht van eiser aan Italië.

4.4

Uit de stukken waarop eiser een beroep heeft gedaan blijkt niet dat medische zorg op voorhand is uitgesloten of onvoldoende is. Evenmin heeft de vreemdeling gestaafd dat de voor zijn mentale aandoening benodigde medische zorg in Italië ontbreekt. De staatssecretaris heeft terecht daarnaar geen nader onderzoek gedaan. Daarnaast heeft eiser met de door hem aangeleverde stukken niet aangetoond dat de Dublinoverdracht op zichzelf een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie met zich kan brengen. Op grond van artikel 32 van de Dublinverordening vindt tussen Nederland en Italië bovendien een uitwisseling van medische gegevens plaats, mits eiser hiermee instemt. De relevante gegevens worden dan uitgewisseld met een gezondheidsverklaring, zodat de Italiaanse autoriteiten er zorg voor kunnen dragen dat in de bijzondere behoeften van eiser wordt voorzien, met name als het gaat om essentiële medische zorg.

Hoewel de situatie in Italië zorgelijk is, schetsen de door eiser overgelegde documenten geen wezenlijk ander beeld van de situatie in Italië dan de situatie die de Afdeling in voornoemde uitspraken heeft beoordeeld. De rechtbank is van oordeel dat, ingeval eiser toch tekortkomingen zal ondervinden, van eiser mag worden verwacht dat hij zich eerst tot de (hogere) Italiaanse autoriteiten, dan wel de geëigende instanties, wendt om over de gestelde tekortkomingen te klagen. Niet gebleken is dat een verzoek om bescherming in Italië bij voorbaat zinloos is.

5. De rechtbank is gezien bovengenoemde van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat de door eiser aangevoerde omstandigheden geen bijzondere individuele omstandigheden zijn die maken dat overdracht aan Italië van onevenredige hardheid getuigt. In deze omstandigheden behoefde verweerder dus geen aanleiding te zien om het asielverzoek op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich te trekken.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. de Zeben - de Vries, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.E. Maas, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.