Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:1828

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-02-2019
Datum publicatie
04-04-2019
Zaaknummer
NL18.24641
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

statushouder Italië

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.24641


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. J.E. de Poorte),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R.A.B. van Steijn).


Procesverloop
Bij besluit van 19 december 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.24643, plaatsgevonden op 22 januari 2019. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1996 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit.

Op 4 november 2018 heeft eiser zich gemeld in AC Ter Apel en op 6 november 2018 heeft hij een asielaanvraag ingediend, waarna eisers vingerafdrukken naar Eurodac gezonden zijn. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 12 augustus 2015 in Italië en op 5 september 2017 in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend.

Op 28 november 2018 hebben de Italiaanse autoriteiten laten weten dat aan eiser internationale bescherming is verleend, waardoor de Dublinverordening niet van toepassing is. De vergunning van eiser in Italië is geldig tot 15 mei 2022. Op grond hiervan heeft verweerder, na eiser te hebben gehoord en een voornemen te hebben uitgebracht, de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000).

2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser in een andere lidstaat van de Europese Unie, te weten Italië, internationale bescherming geniet. Kort weergegeven heeft verweerder overwogen dat eiser om die reden een sterke(re) band met Italië heeft. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat Italië zijn verdragsverplichtingen jegens hem niet nakomt en dat niet mag worden uitgegaan van het interstatelijke vertrouwensbeginsel. In het geval van dreigende of zich voordoende problemen kan eiser de bescherming inroepen van de (hogere) autoriteiten dan wel geëigende instanties in Italië.

3. Eiser voert in beroep, samengevat, het volgende aan.

Vanwege de niet-betwiste gedwongen prostitutie moet eiser worden aangemerkt als een kwetsbaar persoon in de zin van het arrest Tarakhel, waardoor in analogie met de Dublinzaken individuele garanties vereist zijn voor wat betreft opvang en medische behandeling voor hem in Italië. Ondanks dat eiser in het bezit is van een verblijfsvergunning in Italië kan verweerder de in de zienswijze en beroepsgronden genoemde jurisprudentie (ECLI:NL:RBDHA:2018:14591 en ECLI:NL:RBOBR:2018:1438) en nieuwsberichten (ECRE van 26 september 2018 en JRS Europe van 25 september 2018) niet zomaar opzij schuiven, nu de situatie van statushouders ook valt onder de situatie zoals die beschreven is in genoemde rapporten en uitspraken. Eiser stelt verder onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch, van 27 maart 2018 (NL18.2828) dat de terugkeer van eiser naar Italië niet verantwoord is en niet kan worden uitgesloten dat de terugkeer van eiser zal leiden tot een ernstige verslechtering van zijn psychische gezondheidstoestand. Daarbij is van belang dat eiser in Italië geen behandeling zal verkrijgen, althans dat dit niet gegarandeerd is. Daarnaast voert eiser aan dat verweerder niet ingaat op de onderbouwing waarom er geen sprake is van ‘een zodanige band’ met Italië voor eiser. Dit levert een motiveringsgebrek op.

4. Ingevolge artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 niet-ontvankelijk worden verklaard in de zin van artikel 33 van Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming, indien de vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet.

Ingevolge artikel 3.106a, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 slechts niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, onder a, b of c, van de Vw 2000 indien, naar het oordeel van verweerder, alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking nemend, de vreemdeling in het betrokken derde land overeenkomstig de volgende beginselen zal worden behandeld:

  1. het leven en de vrijheid worden niet bedreigd om redenen van ras, religie, nationaliteit, lidmaatschap van een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging, en

  2. er bestaat geen risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw 2000, en

  3. het beginsel van non-refoulement overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag wordt nageleefd, en

  4. het verbod op verwijdering in strijd met het recht op vrijwaring tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling, zoals neergelegd in het internationaal recht, wordt nageleefd, en

  5. de mogelijkheid bestaat om de vluchtelingenstatus te verzoeken en, indien hij als vluchteling wordt erkend, bescherming te ontvangen overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag.

Volgens artikel 3.106a, tweede en derde lid, van het Vb 2000 wordt, voor zover thans van belang, de aanvraag slechts niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, indien sprake is van een zodanige band met het betrokken land, dat het voor de vreemdeling redelijk zou zijn naar dat land terug te gaan. Bij de beoordeling hiervan worden alle relevante feiten en omstandigheden betrokken, waaronder begrepen de aard, duur en omstandigheden van het verblijf.

5.1

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser internationale bescherming in Italië geniet. Wel in geschil is of eiser als statushouder bij terugkeer naar Italië in een met artikel 4 van het Handvest of artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) strijdige situatie terecht zal komen en of hij een ‘zodanige band’ heeft met Italië dat het voor hem redelijk is om naar dat land terug te gaan.

5.2

De rechtbank overweegt dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat Italië als lidstaat van de Europese Unie haar internationale verplichtingen naleeft. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat zich in zijn zaak feiten en omstandigheden voordoen waarmee deze presumptie wordt weerlegd. Eiser is hierin niet geslaagd. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

5.3

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de verklaringen van eiser over de gedwongen prostitutie in Italië niet ten onrechte als ongeloofwaardig heeft aangemerkt. Verweerder heeft terecht opgemerkt dat eiser tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over de reden van vertrek uit Italië. Zo heeft eiser tijdens het aanmeldgehoor Dublin op
8 november 2018 verklaard niet terug te willen naar Italië omdat hij daar gedwongen werd om lid te worden van een sekte genaamd [sekte]. Dat eiser niet meteen de waarheid heeft verteld omdat hij bang was een belofte te breken die hij had gemaakt tijdens een voodoo-ritueel heeft verweerder terecht geen plausibele verklaring gevonden voor de wisselende verklaringen. Daartoe is van belang dat eiser niet heeft kunnen aangeven waarom hij ten tijde van het Dublingehoor wel bang was om de gestelde belofte te verbreken en tijdens het gehoor bescherming EU op 14 december 2018 kennelijk niet. Verder heeft verweerder het eiser kunnen aanrekenen dat hij het ten tijde van het gehoor op 14 december 2018 stelde dat hij in telefonisch contact stond met de man die hem in Italië vanwege de gedwongen prostitutie zou bedreigen, niet kan onderbouwen. In dat kader is van belang dat eiser stelt aangifte te hebben gedaan van diefstal van zijn mobiele telefoon waarin het telefoonnummer van de (echtgenote van) deze man zou hebben gestaan, maar daarvan geen bewijs kan overleggen.

5.4

Gelet op het voorgaande – en voor zover het arrest Tarakhel überhaupt op eisers situatie als statushouder van toepassing zou zijn – heeft verweerder eiser terecht niet als kwetsbaar persoon aangemerkt.

5.5

Voorts volgt de rechtbank verweerders standpunt dat eiser met de verwijzing naar diverse jurisprudentie over asielprocedures in Italië, alsmede nieuwsberichten van ECRE en JRS Europe, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen aanspraak kan maken op de rechten die uit zijn Italiaanse verblijfsvergunning voortvloeien. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat de situatie van asielzoekers, een kwetsbare groep die speciale bescherming behoeft, niet te vergelijken is met die van statushouders, die dezelfde rechten hebben als staatsburgers op het gebied van werk, gezondheidszorg, onderwijs en sociale voorzieningen. Dat is ook in Italië zo. Het enkele feit dat een persoon terugkeert naar een lidstaat waar zijn economische positie slechter zal zijn dan in de lidstaat waar hij thans verblijft, is niet voldoende om te oordelen dat artikel 3 van het EVRM in dat geval zal worden geschonden. Artikel 3 van het EVRM verplicht in zijn algemeenheid de lidstaten ook niet te waarborgen dat eenieder binnen de jurisdictie van een lidstaat onderdak heeft of financiële ondersteuning ontvangt waarmee een bepaalde levensstandaard kan worden gewaarborgd. Weliswaar is de situatie in Italië moeilijk, maar is deze niet zo slecht dat sprake is van extreme armoede of ontberingen van eerste levensbehoeften en rechteloosheid waartegenover de Italiaanse autoriteiten onverschillig zouden staan. De rechtbank is van oordeel dat, ingeval eiser toch tekortkomingen zal ondervinden, van eiser mag worden verwacht dat hij zich eerst tot de (hogere) Italiaanse autoriteiten, dan wel de geëigende instanties, wendt om over de gestelde tekortkomingen te klagen. Niet gebleken is dat een verzoek om bescherming in Italië bij voorbaat zinloos is.

5.6

Eisers beroep op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch, van
27 maart 2018 kan hem ook niet baten. Eiser heeft gewezen op hetgeen de rechtbank onder rechtsoverweging 11 heeft geoordeeld, te weten dat uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak C.K. e.a. tegen Slovenië van 16 februari 2017 (ECLI:EU:C:2017:127) kan worden afgeleid dat zelfs als er geen gronden zijn om aan te nemen dat sprake is van systematische tekortkomingen in de asielprocedure en opvangomstandigheden in de aangezochte lidstaat, de Dublinoverdracht op zichzelf een reëel risico op een onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in artikel 4 van het Handvest kan meebrengen. Voor zover voornoemde uitspraak van het Hof al op de situatie van eiser als statushouder van toepassing is, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat eiser op geen enkele wijze heeft onderbouwd dat hij psychische klachten heeft, laat staan dat zijn gezondheidstoestand ernstig zou verslechteren bij terugkeer naar Italië.

6. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Italië niet overeenkomstig de in artikel 3.106a, eerste lid, van de Vb 2000 genoemde beginselen zal worden behandeld.

7. Tot slot heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank op grond van de aan eiser door de Italiaanse autoriteiten verstrekte verblijfsvergunning en onder verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (uitspraak van 30 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1794) terecht op het standpunt gesteld dat voldaan is aan het bepaalde in artikel 3.106a, tweede lid, van het Vb 2000, nu eiser in Italië erkend is als vluchteling en hierdoor wordt geacht een zodanige band met Italië te hebben dat het voor hem redelijk is om terug te keren naar dat land.

8. De aanvraag is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.E. Maas, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.