Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:1824

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-02-2019
Datum publicatie
04-03-2019
Zaaknummer
AWB 18 / 6692
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Meer dan gebruikelijke afhankelijkheid, more than normal emotional ties, 8 EVRM

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/6692

v-nummers: [nummer 1] , [nummer 2] [nummer 3] en [nummer 4]

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 februari 2019 in de zaak tussen

[naam] , eiser,

[naam 2] , eiseres 1,

[naam 3] , eiseres 2,

[naam 4] , eiseres 3,

gezamenlijk te noemen; eisers

gemachtigde: mr. M.C. Heijnneman,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 5 februari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eisers, tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het verblijfsdoel ‘familie en gezin’ afgewezen.

Bij besluit van 15 augustus 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2019. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verder is verschenen [naam 5] , referent en M. Khari, tolk. Verweerder is, met bericht van hindering, niet verschenen.

Overwegingen

1. Eisers hebben de Syrische nationaliteit. Zij zijn de ouders en meerderjarige zussen van de meerderjarige referent en wonen in Damascus in Syrië. Referent is in het bezit van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Op 10 mei 2017 heeft referent namens eisers een aanvraag ingediend tot verlening van een mvv. Op 5 februari 2018 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.

2. In het bestreden besluit is het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Verweerder heeft aan de afwijzing van de aanvraag en de handhaving daarvan ten grondslag gelegd dat eisers geen geslaagd beroep kunnen doen op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) verblijf in Nederland, omdat geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid tussen eisers en referent.1 Hoewel referent een belangrijke steun kan zijn voor eisers, is niet gebleken dat zij voor het dagelijks functioneren of geestelijke welzijn afhankelijk zijn van referent. De overgelegde medische verklaringen tonen weliswaar aan dat eisers zorg nodig hebben, maar hieruit blijkt niet dat eisers voor hun zorg uitsluitend afhankelijk zijn van referent. De financiële ondersteuning door referent leidt evenmin tot de conclusie dat sprake is van een bijzondere afhankelijkheid. Immers, ook deze ondersteuning duidt op een gebruikelijke afhankelijkheid tussen de familieleden. Bovendien blijft voor referent de mogelijkheid bestaan om zijn familie vanuit Nederland financieel te ondersteunen.

3. Eisers stellen in beroep dat er tussen hen en referent wel degelijk sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie, en dus van beschermenswaardig familieleven, als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Eisers zijn afhankelijk van referent omdat zij kampen met uiteenlopende medische klachten en een verslechterende gezondheidssituatie. Ondanks dat referent is getrouwd in 2006, is hij inwonende mantelzorger geweest tot zijn vertrek uit Syrië in 2015. Ook is de familie afhankelijk van referent voor het organiseren en financieren van medische zorg en huisvesting. Dit is echter niet voldoende, omdat de medische hulp die referent vanuit Nederland kan bieden enkel ad-hoc is.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Volgens de vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), kan pas worden gesproken van beschermenswaardig gezinsleven tussen een ouder en een meerderjarig kind als sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie.2 Er moet dan sprake zijn van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Uit het arrest Kopf en Liberda tegen Oostenrijk3 volgt dat de vraag of sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie een vraag van feitelijke aard is. De beantwoording daarvan is afhankelijk van een daadwerkelijk bestaande hechte persoonlijke band. Verschillende elementen kunnen daarvoor relevant zijn zoals: samenwoning, financiële afhankelijkheid, emotionele afhankelijkheid, gezondheid van aanvrager en/of referent en banden met het land van herkomst.

5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken bij zijn beoordeling en dat hij niet ten onrechte heeft overwogen dat geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eisers en referent. Hoewel niet in geschil is dat eisers medische klachten hebben, hebben zij niet aannemelijk gemaakt dat zij zonder de aanwezigheid van referent niet zelfstandig kunnen functioneren. De rechtbank neemt hierbij mede in aanmerking dat niet gebleken is dat de meerderjarige zussen niet een deel van de zorg van hun ouders op zich kunnen nemen. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers in beroep in wezen volstaan met een herhaling van hun gronden in bezwaar en het standpunt van verweerder niet gemotiveerd weerlegd.

6. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft de gevraagde mvv dan ook terecht afgewezen.

7. Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in tegenwoordigheid van mr. W.H. Mentink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2019.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Zie paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000

2 Zaak van het EHRM A.W. Khan tegen het Verenigd Koninkrijk van 12 juni 2010, no. 47486/06

3 Zaak van het EHRM Kopf en Liberda tegen Oostenrijk van 17 april 2012, no. 1598/06