Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:1818

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-02-2019
Datum publicatie
04-03-2019
Zaaknummer
NL18.23992
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Dublin Slowakije, medische zorg, interstatelijk vertrouwensbeginsel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.23992

v-nummers: [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] en [nummer 4]


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

[naam 2] , eiseres

alsmede voor de minderjarige kinderen: [naam 3] en [naam 4]

gezamenlijk te noemen eisers

(gemachtigde: mr. A.A. Agayev),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. K. Bruin).

Procesverloop

Bij besluiten van 11 december 2018 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.23993, plaatsgevonden op 31 januari 2019. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk is verschenen B. Nasseri Raveshti. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst omdat eisers ter zitting nog een stuk hebben overlegd. Nadat verweerder zijn reactie op eisers stuk heeft gegeven is het onderzoek gesloten op 4 februari 2019.

Overwegingen

1. Eisers zijn burgers van Azerbeidzjan. Op 4 augustus 2018 hebben zij aanvragen voor verblijfsvergunningen asiel ingediend.

2. In de bestreden besluiten heeft verweerder eisers aanvragen niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder acht Slowakije verantwoordelijk voor de behandeling van eisers asielaanvragen op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening,1 omdat deze lidstaat aan eisers Schengenvisa hebben verleend welke geldig waren van 1 mei 2017 tot en met 23 mei 2017. De Slowaakse autoriteiten hebben op 2 oktober 2018 ingestemd met de overname van eisers. In wat eisers hebben aangevoerd heeft verweerder geen aanleiding gezien om hun asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening alsnog aan zich te trekken.

3. Door eisers wordt niet bestreden dat Slowakije verantwoordelijk is voor hun asielaanvragen. Eisers stellen echter dat verweerder hun asielaanvraag had dienen over te nemen omdat een overdracht aan Slowakije in strijd is met het Unierecht. Eisers stellen dat ten aanzien van Slowakije in hun geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Zij hebben daartoe aangevoerd dat eiseres medische zorg behoeft voor haar epilepsie, depressieve stoornis, en zwangerschap. Overdracht aan Slowakije levert een reëel risico op behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest2, omdat Slowakije tijdens hun eerdere opvang aldaar niet in staat is gebleken om de noodzakelijk zorg te bieden. Eisers doen een beroep op het arrest C.K. e.a. tegen Slovenië.3

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Verweerder heeft de discretionaire bevoegdheid om te besluiten een verzoek om internationale bescherming alsnog te behandelen volgens artikel 17 van de Dublinverordening. Verweerder maakt volgens paragraaf C2/5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 gebruik van deze bevoegdheid indien er concrete aanwijzingen zijn waaruit blijkt dat de verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt, of in het geval er bijzondere, individuele omstandigheden zijn die maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. Het is aan de vreemdeling om concrete feiten en omstandigheden aan te voeren waaruit blijkt dat verweerder van zijn bevoegdheid gebruikt moet maken.

5. Verweerder heeft zich in deze zaak in redelijkheid op het standpunt mogen stellen dat verweerder eisers aanvragen niet had hoeven over te nemen op grond van artikel 17, eerste lid van de Dublinverordening. Verweerder heeft zich immers terecht op het standpunt gesteld dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat ten aanzien van Slowakije niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De enkele stellingen met betrekking tot slechte ervaringen met de Slowaakse medische voorzieningen, opvang, en beschikbaarheid van tolken brengen hier geen verandering in. Deze stellingen zijn immers niet nader onderbouwd. Daarbij is van belang dat uit artikel 19 van Opvangrichtlijn4 volgt dat eisers in Slowakije aanspraak kunnen maken op noodzakelijke medische zorg. Indien eisers menen dat Slowakije zijn verplichtingen jegens hen niet naleeft, bestaat voor hen de mogelijkheid om bij (hogere) autoriteiten aldaar te klagen.

6. Verweerder heeft zich ook op het standpunt mogen stellen dat de overdracht niet getuigt van onevenredige hardheid. Eisers hebben immers niet onderbouwd dat de specialistische zorg die eiseres behoeft niet in Slowakije beschikbaar zou zijn. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag erop vertrouwd worden dat eiseres in Slowakije behandeld kan worden. Eisers hebben niet onderbouwd dat Nederland het meest aangewezen land voor behandeling zou zijn.

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. W.H. Mentink, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Verordening (EU) Nr. 604/2013

2 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie

3 Uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie C-578/16 van 16 februari 2017

4 Richtlijn 2013/33/EU