Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:1812

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-02-2019
Datum publicatie
03-04-2019
Zaaknummer
NL18.24050
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Albanië, veilig land van herkomst, bloedwraak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.24050

v-nummer: [nummer]


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. H.E. Visscher),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. K. Bruin).


Procesverloop
Bij besluit van 12 december 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.24051, plaatsgevonden op 31 januari 2019. Eiser is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Albanese nationaliteit. Op 22 juli 2018 heeft hij een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning. Hij heeft hieraan ten grondslag gelegd dat hij niet naar Albanië kan terugkeren omdat hij vreest het slachtoffer te worden van bloedwraak.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht, alsmede dat de broer van eiser in 2011 een misdrijf heeft begaan. Verweerder acht echter niet geloofwaardig dat eiser in zijn land van herkomst heeft te vrezen voor bloedwraak. Eiser komt daarom niet in aanmerking voor een asielvergunning. Verweerder acht Albanië als een veilig land van herkomst, onvoldoende is gebleken dat de Albanese autoriteiten niet bereid of in staat zijn om eiser bescherming te bieden. De asielaanvraag is afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000.

3. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat de dreigende bloedwraak ten onrechte als ongeloofwaardig is aangemerkt. Ten onrechte verwijst verweerder naar de procedure van de broer van eiser, [naam 2]1, om tot zijn oordeel te komen dat het relaas van eiser ook ongeloofwaardig is. Dat het relaas van de broer van eiser niet geloofwaardig is bevonden, betekent niet automatisch dat het relaas van eiser ook ongeloofwaardig is. Verweerder heeft een subjectief besluit genomen door zijn motivering grotendeels te baseren op de procedure van eisers broer. Ook heeft verweerder onterecht tegengeworpen dat eiser geen concrete aanknopingspunten heeft gegeven voor zijn relaas. Eiser is voor zijn informatie afhankelijk van anderen, en is als minderjarige bewust niet volledig ingelicht door zijn familieleden. Volgens de Kanun (de bloedwraakregels) mag bloedwraak alleen worden genomen tegen personen van 18 jaar of ouder. Verweerder heeft daarom niet kunnen tegenwerpen dat de bedreiging niet actueel is. Bescherming van de Albanese autoriteiten is volgens eiser ook twijfelachtig, nu eiser uit een regio komt waar de Kanun nog altijd geldt. Uit het blijven voortbestaan van dit diepgewortelde gewoonterecht blijkt dat de Albanese autoriteiten niet bereid zijn, of niet in staat zijn hiertegen bescherming te bieden.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat de dreigende bloedwraak niet geloofwaardig kan worden geacht. Verweerder heeft ter onderbouwing van het bestreden besluit verwezen naar het ongeloofwaardig geachte asielrelaas van de broer van eiser, omdat eiser zich beroept op hetgeen zijn broer is overkomen. Nu deze problemen niet geloofwaardig zijn geacht, en dit in rechte is komen vast te staan, heeft verweerder het relaas van eisers broer mogen meewegen ten nadele van de geloofwaardigheid van eisers relaas. Dat betekent echter niet dat eisers relaas niet op zijn eigen merites en objectief is beoordeeld. Verweerder heeft zich immers op basis van eisers stellingen ook op het standpunt gesteld dat eiser zelf geen concrete aanknopingspunten aannemelijk heeft gemaakt waaruit zou blijken dat een bloedwrakende familie het op hem gemunt heeft.

5. Verweerder heeft zich niet ten onrechte ook op dit standpunt gesteld. Verweerder heeft het als bevreemdingwekkend mogen beschouwen dat eiser niet weet hoe deze bloedwrakende familie heet, terwijl deze familie een centrale rol speelt in eisers relaas. Dat eiser enkel van horen zeggen heeft vernomen dat hij wordt bedreigd doet daar niet aan af. Omdat eiser eerder enkel eenmaal is bedreigd, en eiser zelf en zijn meerderjarige familieleden in deze periode ook geen problemen hebben ondervonden, heeft verweerder mogen concluderen dat niet is gebleken van een actuele dreiging.

6. Niet in geschil is dat Albanië in het algemeen als een veilig land van herkomst kan worden beschouwd. Verweerder heeft, mede gelet op het bovenstaande, terecht geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat Albanië voor hem persoonlijk niet veilig is. Niet is gebleken dat eiser bij voorkomende problemen geen bescherming bij de overheid zou kunnen vinden. Dat eiser uit een regio komt waar bloedwraak voorkomt, doet hier niet aan af. De aanvraag is terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. W.H. Mentink, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 ECLI:NL:RBLIM:2018:8837