Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:1702

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-02-2019
Datum publicatie
04-04-2019
Zaaknummer
17_7599 en 17_7600
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft een vordering op een gelieerde vennootschap afgewaardeerd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat sprake is van een onzakelijke lening. Naar het oordeel van de rechtbank is niet de vereiste aangifte gedaan, zodat het aan eiseres is om te doen blijken dat sprake is van een zakelijke lening. Hierin is zij niet geslaagd. Naar het oordeel van de rechtbank is de afwaardering bij het vaststellen van de aanslag Vpb terecht buiten aanmerking gelaten. De verzuimboetes zijn terecht opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 04-04-2019
FutD 2019-0976
V-N Vandaag 2019/816
V-N 2019/42.20.8
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummers: SGR 17/7599 en SGR 17/7600

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 februari 2019 in de zaken tussen

[eiseres], gevestigd te [plaats] (België), eiseres

(gemachtigde: mr. J.S. van Daal),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor de boekjaren 2012/2013 en 2013/2014 aanslagen vennootschapsbelasting (Vpb) opgelegd. Daarbij zijn bij beschikkingen verzuimboetes opgelegd en is belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij afzonderlijke uitspraken op bezwaar de aanslag Vpb voor het boekjaar 2012/2013 verminderd en de aanslag Vpb voor het boekjaar 2013/2014 gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Het beroep dat ziet op de aanslag 2012/2013 is door de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer SGR 17/7599. Het beroep dat ziet op de aanslag 2013/2014 is geregistreerd onder zaaknummer SGR 17/7600.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari 2019.

Namens eiseres is, met bericht van verhindering, niemand verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. S.J. van Gestel en mr. H.H.C. Oprinsen.

Overwegingen

Feiten

1. [A] ([A]) houdt alle aandelen in eiseres. Eiseres houdt alle aandelen in [A] [B.V.] B.V. ([B.V.] BV). Tevens houden [A] en zijn echtgenote ieder tenminste 25% van de aandelen in de op 21 april 2008 naar Belgisch recht opgerichte vennootschap [vennootschap] ([vennootschap]). [vennootschap] hield zich bezig met de verhuur en exploitatie van en de handel in onroerend goed.

2. Eiseres en [B.V.] BV vormen een fiscale eenheid (de fiscale eenheid) voor de Vpb. Het boekjaar loopt van 1 juni tot en met 31 mei.

3. Door de fiscale eenheid zijn leningen verstrekt aan [vennootschap] (de vorderingen). De vorderingen bedragen per 1 juni 2012 € 1.022.387.

4. [vennootschap] heeft in het derde kwartaal van 2012 surseance van betaling aangevraagd en verkeert vanaf 14 februari 2013 in staat van faillissement. Het faillissement is op 26 januari 2016 gesloten door vereffening.

5. Eiseres is uitgenodigd tot het doen van aangifte Vpb voor de jaren 2012/2013 en 2013/2014. Tot de stukken van het geding behoren voor beide jaren herinneringen en aanmaningen tot het doen van aangifte alsmede verzendrapporten inzake deze aanmaningen. In de aanmaningen heeft verweerder erop gewezen dat mogelijk een boete zal worden opgelegd indien niet tijdig aangifte wordt gedaan. Eiseres heeft de betreffende aangiften Vpb niet ingediend.

6. Verweerder heeft daarop ambtshalve aanslagen Vpb en verzuimboetes opgelegd. De aanslag voor het jaar 2012/2013 heeft dagtekening 26 september 2015 en is opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 100.000. De aanslag voor het jaar 2013/2014 heeft dagtekening 19 maart 2016 en is opgelegd naar en belastbaar bedrag van € 50.000. De opgelegde verzuimboetes bedragen € 2.460 respectievelijk € 2.639.

7. Met betrekking tot het jaar 2012/2013 heeft eiseres gedurende de bezwaarfase alsnog een aangifte Vpb ingediend. Het aangegeven belastbaar bedrag bedraagt negatief

€ 1.469. Met betrekking tot het jaar 2013/2014 heeft eiseres gedurende de bezwaarfase ook alsnog een aangifte Vpb ingediend. Het aangegeven belastbaar bedrag bedraagt € 17.347.

8. Bij uitspraak op bezwaar is het belastbaar bedrag voor het jaar 2012/2013 verminderd naar € 21.957. Bij het bepalen van dit bedrag is uitgegaan van de ingediende aangifte waarbij correcties zijn toegepast voor beperkt aftrekbare kosten (€ 2.667) en op de vorderingen geïmputeerde rente (€ 20.759). De aanslag voor het jaar 2013/2014 is - gelet op een hogere vrijval omzetbelasting dan feitelijk aan belastbaar bedrag was vastgesteld - bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.

9. In de beroepsfase heeft eiseres een herziene aangifte Vpb 2012/2013 ingediend waarbij de vorderingen zijn afgewaardeerd. Het aangegeven belastbaar bedrag bedraagt negatief € 1.030.897.

Geschil

10. In geschil is of de afwaardering van de vorderingen bij het vaststellen van het belastbaar bedrag voor het jaar 2012/2013 in aanmerking dient te worden genomen of dat sprake is van een zogenoemde onzakelijke lening. Daarnaast is in geschil of terecht verzuimboetes zijn opgelegd. De onder 8 genoemde correctie voor beperkt aftrekbare kosten is niet langer in geschil. Evenmin is nog in geschil dat verweerder op de vorderingen voor het jaar 2012/2013 ten onrechte rente heeft geïmputeerd. Reeds om die reden dient het beroep met zaaknummer SGR 17/7599 gegrond te worden verklaard. Indien in 2012/2013 geen sprake is van een voorwaarts te verrekenen verlies is het voor het jaar 2013/2014 vastgestelde belastbaar bedrag niet in geschil.

11. Volgens eiseres dient de afwaardering van de vorderingen bij het vaststellen van het belastbaar bedrag voor 2012/2013 in aanmerking te worden genomen, hetgeen zou resulteren in een voorwaarts te verrekenen verlies van € 1.028.230 (€ 1.030.897 -/- € 2.667). Eiseres stelt dat de vorderingen niet dienen te worden aangemerkt als een onzakelijke lening. Met betrekking tot de aanslag voor het jaar 2013/2014 stelt eiseres zich op het standpunt dat ten onrechte geen verrekening van het verlies over het jaar 2012/2013 heeft plaatsgevonden. Niet in geschil is dat de belastbare winst voor 2013/2014 terecht op € 50.000 is vastgesteld. Ten slotte stelt eiseres dat zij geen herinneringen of aanmaningen tot het doen van aangifte heeft ontvangen zodat de opgelegde verzuimboetes vernietigd dienen te worden.

12. Volgens verweerder is sprake van een onzakelijke lening zodat de afwaardering van de vorderingen bij het vaststellen van het belastbaar bedrag voor 2012/2013 buiten aanmerking dient te blijven. Vanwege het vervallen van de correctie in verband met de rente-imputatie moet het belastbaar bedrag worden vastgesteld op € 1.198 zodat het beroep gericht tegen de aanslag voor het jaar 2012/2013 gegrond moet worden verklaard. Voor het jaar 2013/2014 geldt dat, nu geen verlies voor het jaar 2012/2013 is vastgesteld, terecht geen verliesverrekening heeft plaatsgevonden. Het beroep gericht tegen de aanslag voor het jaar 2013/2014 is dan ook ongegrond. Ten slotte stelt verweerder zich op het standpunt dat de verzuimboetes terecht zijn opgelegd.

Beoordeling van het geschil

13. Van een onzakelijke lening is sprake indien een (rechts)persoon aan een gelieerde (rechts)persoon een geldlening verstrekt en daarbij een debiteurenrisico aanvaardt dat een derde niet zou hebben aanvaard (zie HR 25 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN3442 en HR 25 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8952).

Bewijslastverdeling

14. In beginsel dient verweerder aannemelijk te maken dat eiseres met het verstrekken van de vorderingen een debiteurenrisico heeft gelopen dat een onafhankelijke derde niet zou hebben aanvaard, ook niet voor een hogere rente, zodat sprake is van een onzakelijke lening (zie HR van 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:645). De bewijslast ligt echter anders als de vereiste aangifte niet is gedaan. Het bepaalde in artikel 27e, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) brengt in dat geval mee dat het beroep ongegrond wordt verklaard, tenzij eiseres doet blijken, dat wil zeggen overtuigend aantoont, dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is (omkering en verzwaring van de bewijslast).

15. De rechtbank stelt vast dat de onder 5 genoemde aanmaning tot het doen van aangifte Vpb voor het jaar 2012/2013 de datum 2 oktober 2014 vermeldt als uiterste datum voor het doen van aangifte. Eiseres heeft de aangifte pas ingediend nadat bezwaar was gemaakt tegen de ambtshalve opgelegde aanslag, namelijk op 1 februari 2016. De gestelde termijn om aangifte in te dienen was toen reeds verstreken. De vraag die zich aandient is of deze termijnoverschrijding eiseres kan worden aangerekend.

16. Nu eiseres stelt dat zij noch de herinnering noch de aanmaning tot het doen van aangifte heeft ontvangen, is het aan verweerder om aannemelijk te maken dat de termijn waarbinnen aangifte moest worden gedaan aan eiseres bekend is gemaakt. Verweerder heeft daartoe een op 30 januari 2018 gedagtekend rapport overgelegd. Dit rapport is opgesteld door S.E. Tuasela, medewerker Verwerken en Behandelen bij Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen, en bevat onderzoeksresultaten ten aanzien van de opmaak en verzending van de aanmaning. Met voormeld rapport heeft verweerder onderbouwd dat de aanmaning tijdig en zonder problemen ter postverzending is aangeboden aan PostNL. Naar het oordeel van de rechtbank maakt verweerder aannemelijk dat de aanmaning is verzonden, hetgeen leidt tot een gerechtvaardigd vermoeden van ontvangst. Daarbij overweegt de rechtbank dat is gesteld noch gebleken dat de op de aanmaning gebruikte adresgegevens onjuist zouden zijn.

17. Het ligt vervolgens op de weg van eiseres om feiten te stellen op grond waarvan de ontvangst van de aanmaning redelijkerwijs kan worden betwijfeld. Met de enkele stelling dat de aanmaning niet door haar is ontvangen is eiseres daar niet in geslaagd.

18. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat door eiseres niet de vereiste aangifte is gedaan, hetgeen resulteert in omkering en verzwaring van de bewijslast. Dat neemt niet weg dat door verweerder ingenomen standpunten redelijk en dus niet willekeurig behoren te zijn.

De vorderingen

19. Voor zover eiseres stelt dat de vorderingen geen onzakelijke lening vormen omdat zij niet is gelieerd aan [vennootschap], kan deze stelling niet slagen. [A] neemt namelijk deel in zowel het kapitaal van eiseres als in het kapitaal van [vennootschap]. Daarmee is de gelieerdheid tussen eiseres en [vennootschap] gegeven. Dat eiseres niet direct aandelen houdt in [vennootschap] doet daar niet aan af. De stelling van eiseres dat gelieerdheid in dit verband ook getoetst moet worden op grond van Belgisch recht berust op een onjuiste rechtsopvatting.

20. Eiseres heeft aangevoerd dat andere aandeelhouders van [vennootschap] verplichtingen niet zijn nagekomen en op onrechtmatige wijze geld aan [vennootschap] hebben onttrokken. Voorts wijst eiseres op de ongunstige onroerendgoedmarkt. Naar het oordeel van de rechtbank geven deze omstandigheden geen inzicht in het debiteurenrisico dat eiseres heeft aanvaard door de leningen aan [vennootschap] te verstrekken. Ook anderszins is daaromtrent geen onderbouwing gegeven. Tot de stukken van het geding behoren niet een leningsovereenkomst of andere documentatie waaruit de leningsvoorwaarden blijken terwijl verweerder wel om overlegging van die stukken heeft verzocht. Daarbij komt dat verweerder erop heeft gewezen dat uit de jaarrekeningen van [vennootschap] over de boekjaren 2008/2009 en 2010, die kennelijk de meest recente beschikbare cijfers bevatten, volgt dat [vennootschap] verlieslijdend was, grotendeels met vreemd vermogen was gefinancierd en beschikte over een negatief eigen vermogen. Met hetgeen eiseres heeft aangevoerd slaagt eiseres er niet in om aannemelijk te maken, laat staan te doen blijken, dat de vorderingen als een zakelijke lening zijn aan te merken. Voor afwaardering van de vorderingen is dan ook geen plaats.

Belastbaar bedrag 2012/2013 (SGR 17/7599) en 2013/2014 (SGR 17/7600)

21. Gelet op wat hiervoor is overwogen is de afwaardering van de vorderingen bij het bepalen van het belastbaar bedrag voor het jaar 2012/2013 terecht buiten aanmerking gelaten. Met inachtneming van het standpunt van partijen dat op de vorderingen ten onrechte rente is geïmputeerd dient het vastgestelde belastbaar bedrag voor 2012/2013 te worden verminderd tot € 1.198 (€ 21.957 -/- € 20.759). Nu naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van een voorwaarts te verrekenen verlies in 2012/2013 is het belastbaar bedrag voor 2013/2014 niet te hoog vastgesteld.

De verzuimboetes

22. De verzuimboetes zijn voor beide jaren opgelegd op grond van artikel 67a van de Awr. Op grond van dit artikel kan de inspecteur een verzuimboete opleggen aan de belastingplichtige als deze niet heeft voldaan aan zijn aangifteverplichtingen. Hiervan is sprake indien de belastingplichtige niet binnen de op de aanmaning vermelde termijn zijn aangifte indient. Voor het opleggen van een verzuimboete is niet vereist dat sprake is van opzet of grove schuld van eiseres. Alleen bij afwezigheid van alle schuld (hierna: avas) dient oplegging van een boete achterwege te blijven.

23. Eiseres heeft gesteld dat zij voor beide jaren geen herinnering of aanmaning tot het doen van aangifte heeft ontvangen. Het is vervolgens aan verweerder om aannemelijk te maken dat de verplichting tot het doen van aangifte aan eiseres bekend is gemaakt. Zoals hierboven onder 16 en 17 reeds is overwogen, is verweerder daar in zaak SGR 17/7599 in geslaagd. Van avas is de rechtbank niet gebleken.

24. Inzake het beroep met zaaknummer SGR 17/7600 overweegt de rechtbank dat de onder 5 genoemde aanmaning tot het doen van aangifte Vpb voor het jaar 2013/2014 de datum 25 juni 2015 vermeldt als uiterste datum voor het doen van aangifte. Eiseres heeft pas aangifte ingediend nadat bezwaar was gemaakt tegen de ambtshalve opgelegde aanslag, namelijk op 21 juni 2016. De gestelde termijn om aangifte in te dienen was toen reeds verstreken.

25. Met betrekking tot de stelling van eiseres dat zij de aanmaning niet heeft ontvangen, overweegt de rechtbank dat verweerder een op 30 januari 2018 gedagtekend rapport heeft overgelegd. Dit rapport is opgesteld door S.E. Tuasela, medewerker Verwerken en Behandelen bij Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen, en bevat onderzoeksresultaten ten aanzien van de opmaak en verzending van de aanmaning. Met voormeld rapport heeft verweerder onderbouwd dat de aanmaning tijdig en zonder problemen ter postverzending is aangeboden aan PostNL. Naar het oordeel van de rechtbank maakt verweerder aannemelijk dat de aanmaning is verzonden, hetgeen leidt tot een gerechtvaardigd vermoeden van ontvangst. Daarbij overweegt de rechtbank dat is gesteld noch gebleken dat de op de aanmaning gebruikte adresgegevens onjuist zouden zijn.

26. Het ligt vervolgens op de weg van eiseres om feiten te stellen op grond waarvan de ontvangst van de aanmaning redelijkerwijs kan worden betwijfeld. Met de enkele stelling dat de aanmaning niet door haar is ontvangen is eiseres daar niet in geslaagd. Van avas is de rechtbank niet gebleken.

27. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder beide verzuimboetes terecht opgelegd en zijn deze passend en geboden.

Belastingrente

28. Eiseres heeft geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd tegen de belastingrente. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken. Wel dient de belastingrente in zaak SGR 17/7599 overeenkomstig de aanslag te worden verminderd.

29. Gelet op het voorgaande, dient het beroep met het zaaknummer SGR 17/7599 gegrond te worden verklaard en dient het beroep met het zaaknummer SGR 17/7600 ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

30. Het beroep met zaaknummer SGR 17/7599 wordt gegrond verklaard omdat ten onrechte rente is geïmputeerd op de vorderingen. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een situatie waarbij de noodzaak tot het instellen van beroep uitsluitend voortvloeit uit de handelwijze van eiseres. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om een proceskostenveroordeling achterwege te laten en veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 512 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor 1). Voor de bezwaarfase is geen vergoeding toegekend nu daar in de bezwaarfase niet om is verzocht.

Griffierecht

31. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat geen reden bestaat voor een veroordeling van de Belastingdienst in het door eiseres betaalde griffierecht. Nu het beroep met zaaknummer SGR 17/7599 gegrond wordt verklaard kan de rechtbank dit standpunt niet volgen. Indien een beroep gegrond wordt verklaard, houdt de uitspraak op grond van artikel 8:74 van de Algemene wet bestuursrecht tevens in dat het door indiener van het beroepschrift betaalde griffierecht door het bestuursorgaan wordt vergoed. De rechtbank zal verweerder dan ook opdragen het door eiseres betaalde griffierecht aan haar te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep met zaaknummer SGR 17/7599 gegrond, behoudens voor zover het zich richt tegen de voor het jaar 2012/2013 opgelegde verzuimboete;

- vernietigt de in het beroep met zaaknummer SGR 17/7599 bestreden uitspraak op bezwaar, behoudens voor zover deze betrekking heeft op de verzuimboete;

- vermindert de belastingaanslag 2012/2013 tot een berekend naar een belastbaar

bedrag van € 1.198 en vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van de bestreden uitspraak op bezwaar;

- verklaart het beroep met zaaknummer SGR 17/7600 ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 512;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 333 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, voorzitter, mr. T.A. de Hek en mr. E.E. Schotte, leden, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.