Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:1690

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-01-2019
Datum publicatie
27-02-2019
Zaaknummer
NL18.23169
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Mondelinge uitspraak
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

mondelinge uitspraak, Dublin, Italië, beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.23169


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] eiser

(gemachtigde: mr. E.S. van Aken),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen).

Procesverloop

Bij besluit van 3 december 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.23170, plaatsgevonden op 24 januari 2019. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Eiser is een alleenstaande man van Algerijnse nationaliteit, geboren op [geboortedatum] . Hij heeft op 16 oktober 2018 in Nederland asiel aangevraagd.

2. Ter zitting is gebleken dat niet in geschil is dat Italië in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag, omdat eiser via dat land de Europese Unie is binnengekomen. Nederland heeft dan ook bij Italië een verzoek om overname gedaan. Met het claimakkoord van 26 november 2018 hebben de Italiaanse autoriteiten gegarandeerd om eisers verzoek om internationale bescherming in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. Dit is de juridische grondslag om aan te nemen dat Italië zich tegenover eiser zal houden aan zijn internationale verplichtingen.

3. Eiser verzet zich tegen overdracht aan Italië. Hij betoogt dat er sprake zou zijn van systematische tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen, zodat ten opzichte van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.

4. De rechtbank overweegt dat de rapportages van internationale organisaties die eiser in de besluitvormingsfase heeft overgelegd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) betrokken zijn in de uitspraken van 10 oktober 20181 en

19 december 20182. De Afdeling heeft daarin geconcludeerd dat verweerder in zijn algemeenheid ten opzichte van Italië nog steeds kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is daarom de vraag of uit het gezamenlijke rapport van de Danish Refugee Council en de Swiss Refugee Council van 12 december 2018, waarnaar ter zitting is verwezen, een wezenlijk ander beeld naar voren komt. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat hiervan niet gebleken is, zodat verweerder nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgegaan.

5. Verder zijn er geen aanvullende garanties van de Italiaanse autoriteiten nodig, omdat niet is aangetoond dat eiser een kwetsbaar persoon is.

6. Er was daarom geen aanleiding voor verweerder om de behandeling van de asielaanvraag aan zich te trekken met toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening3.

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier, op 24 januari 2019.

Dit proces-verbaal is digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 ECLI:NL:RVS:2018:3246

2 ECLI:NL:RVS:2018:4131

3 Verordening (EU) nr. 604/2013