Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:1633

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-01-2019
Datum publicatie
25-02-2019
Zaaknummer
AWB 18/6060
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nareis Eritrea tegenstrijdige verklaringen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/6060

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 28 januari 2019 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum 1] , van Eritrese nationaliteit,

eiser,

(gemachtigde: mr. M. Spapens, advocaat te Amsterdam),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 22 september 2017 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel “nareizigers asiel” bij [naam] (referente) afgewezen.

Bij besluit van 18 juli 2018 heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2018. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder is met afbericht niet verschenen.

Overwegingen

  1. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen, en dit standpunt in het besluit op bezwaar gehandhaafd, omdat de identiteit van eiser niet is aangetoond met officiële identificerende documenten en omdat de feitelijke gezinsband (huwelijksrelatie) tussen referente en eiser niet aannemelijk is gemaakt conform het beleid zoals neergelegd in C1/4.4.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Er is ook niet aannemelijk gemaakt dat eiser en referente in bewijsnood verkeren. Eiser heeft namelijk niet op geloofwaardige wijze aannemelijk gemaakt dat en waarom hij geen Eritrese identiteitskaart of een ander identificerend document heeft kunnen overleggen. Voor deze conclusie acht verweerder redengevend dat eiser tijdens de interviews 19 juni 2017 en 21 augustus 2017 tegenstrijdige en/of wisselende verklaringen heeft afgelegd over de redenen voor het niet kunnen overleggen van zijn identiteitskaart en schoolkaart. Tevens zijn er op dit punt verklaringen afgelegd die tegenstrijdig zijn met de schriftelijke verklaring hierover van eiser van 11 oktober 2016. Verweerder heeft daarnaast aan eiser tegengeworpen dat hij en referente tegenstrijdig of slechts summier hebben verklaard over de geboortedatum van eiser, de datum van hun (eerste) ontmoeting/contact, de datum van het huwelijk, de feitelijke verblijfplaats van eiser en referente na het huwelijk, een gestelde gevangenneming van referente en de reden voor vrijlating van referente uit die gevangenis, het werk van eiser, de datum van vertrek en de hobby’s van referente.

  2. Eiser is het oneens met verweerder. Eiser voert aan dat hij geen identiteitsbewijs kan tonen omdat deze is ingenomen door de autoriteiten bij zijn poging het land te verlaten op 12 februari 2012. Het is voorts helemaal niet merkwaardig dat eiser en referente hebben gezegd dat de identiteitskaart door eiser is ingeleverd toen hij in dienst ging. Dit is gangbare praktijk in Eritrea en blijkt ook uit het algemeen ambtsbericht Eritrea van juni 2018. Eiser heeft als deserteur ook nooit een nieuwe aan kunnen vragen. Eiser is immers ontsnapt uit militaire dienst en heeft ondergedoken gezeten totdat hij het land heeft kunnen verlaten. Eiser wijst er verder op dat uit het besluit in primo blijkt dat verweerder bewijsnood aanneemt ten aanzien van het ontbreken van zijn identiteitsbewijs. Reeds hierom kan dit hem niet worden tegengeworpen. Eiser ontkent ook tegenstrijdig te hebben verklaard over het ontbreken van zijn schoolkaart. De afgelegde verklaringen hierover liggen namelijk in elkaars verlengde en bijten elkaar niet. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat verweerder hem ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij en referente tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd over relevante aspecten van hun relatie. Tot slot meent eiser dat hij ten onrechte in bezwaar niet is gehoord door verweerder.

3. De rechtbank overweegt als volgt.

3.1.

Op grond van paragraaf C1/4.4.6 van de Vc, voor zover van belang, moet de vreemdeling die een beroep doet op artikel 29, tweede lid, van de Vw of het gezinslid bij wie de vreemdeling verblijf beoogt, de gestelde familierelatie aantonen door het overleggen van onder meer een geldig document voor grensoverschrijding dat de identiteit van de vreemdeling aantoont. Als de vreemdeling die een beroep doet op artikel 29, tweede lid, van de Vw of het gezinslid bij wie de vreemdeling verblijf beoogt, een of meerdere van de vereiste documenten niet over kan leggen, moet hij of het gezinslid aannemelijk maken dat het ontbreken van dit document of deze documenten niet aan hem is toe te rekenen.

3.2.

Uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 16 mei 2018 (o.a. ECLI:NL:RVS:2018:1509 en ECLI:NL:RVS:2018:1637) blijkt dat verweerder nieuw beleid hanteert voor de beoordeling van nareisaanvragen als de onderhavige en dat dit beleid als vaste gedragslijn wordt gevolgd bij de beoordeling of herbeoordeling van alle op 23 november 2017 lopende nareisaanvragen. Volgens het beoordelingskader van deze nieuwe gedragslijn betrekt verweerder, ongeacht de vraag of sprake is van bewijsnood aan de zijde van de vreemdeling, ook andere bewijsmiddelen dan officiële documenten bij de beoordeling van de vraag of een Eritrese vreemdeling de door hem of haar gestelde identiteit en familierechtelijke relatie aannemelijk heeft gemaakt. In dat kader kan verweerder ook een aanvullend onderzoek aanbieden, zoals een DNA-onderzoek of een aanvullend gehoor.

3.3.

De rechtbank stelt vast dat verweerder conform zijn hiervoor weergegeven nieuwe gedragslijn aanvullend onderzoek heeft aangeboden aan eiser in de vorm van een identificerend gehoor. Hiervan heeft eiser op 19 juni 2017 gebruik gemaakt in de Nederlandse ambassade te Khartoem in Soedan. Omdat dit interview niet op tijd kon worden afgerond is eiser een tweede gehoor aangeboden op 31 augustus 2017. Ook hiervan heeft eiser gebruik gemaakt.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich naar aanleiding van de verklaringen van eiser tijdens deze aanvullende gehoren, mede in het licht van de eerdere afgelegde verklaringen van referente, op het standpunt kunnen stellen dat het bestaan van het huwelijk tussen eiser en referente niet is komen vast te staan. Daarbij heeft verweerder terecht van belang geacht dat eiser en referente op essentiële onderdelen (met elkaar) tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd. Zo heeft referente in haar eerste asielgehoor en bij de indiening van onderhavige aanvraag verklaard dat eiser is geboren op [geboortedatum 1] , terwijl eiser in het eerste en tweede aanvullend gehoor bij deze aanvraag heeft verklaard dat hij is geboren op [geboortedatum 2] . Eiser heeft verder bij de twee aanvullende gehoren drie verschillende antwoorden gegeven op de vraag wanneer hij referente voor het eerst heeft ontmoet en twee verschillende antwoorden op de vraag op welke datum het huwelijk werd voltrokken. Eiser en referente hebben daarnaast met elkaar tegenstrijdige verklaringen afgelegd over de feitelijke plek van samenwoning aansluitend op het huwelijk, over de reden voor vrijlating van referente uit de gevangenis en over het werk van eiser in Eritrea.

4. De rechtbank verwerpt tot slot de beroepsgrond van eiser dat verweerder hem en referente ten onrechte in bezwaar niet heeft gehoord. Uit het bezwaarschrift, bezien in het licht van het primaire besluit en de wettelijke voorschriften die daarop van toepassing zijn, was op voorhand (gelet op alle tegenstrijdigheden en inconsistenties) in redelijkheid geen twijfel mogelijk dat het bezwaar niet tot een ander besluit had kunnen leiden. Verweerder heeft daarom op goede gronden geoordeeld dat het bezwaarschrift kennelijk ongegrond was als bedoeld in artikel 7:3, aanhef en onder b, Awb.

5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van A.J. Vervoordeldonk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2019.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.