Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:1608

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-01-2019
Datum publicatie
06-03-2019
Zaaknummer
AWB 18 / 3487
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kinderpardon, Armenië, meewerkcriterium, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 18/3487

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 januari 2019 in de zaak tussen

[naam] , eiseres,

gemachtigde: mr. N.B. Swart,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 13 april 2018 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 20 december 2018. Eiseres is ter zitting verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Tevens waren aanwezig [naam 2] (vader van eiseres), [naam 3] (moeder van eiseres) en [naam 4] (broertje van eiseres). Verweerder is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en heeft de Armeense nationaliteit. Zij verblijft sinds 2010 met haar ouders en broertje in Nederland. Op 4 oktober 2010 hebben zij een asielaanvraag ingediend, die op 17 mei 2011 is afgewezen. Deze afwijzing is in rechte vast komen te staan.1 Daarna zijn er verschillende verzoeken om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) ingediend door eiseres en haar ouders, welke allemaal zijn afgewezen.

2. Op 30 oktober 2015 heeft eiseres een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning regulier op grond van het kinderpardon.2 Bij besluit van 11 mei 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Bij het bestreden besluit heeft verweerder deze afwijzing gehandhaafd en het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich op het standpunt dat één van de contra-indicaties uit het beleid van toepassing is, omdat eiseres niet heeft meegewerkt aan haar vertrek. Daarbij heeft verweerder gewezen op het feit dat eiseres en haar gezinsleden in het bezit zijn van paspoorten en op het advies van de DT&V3 van 19 maart 2015 waarin is geconcludeerd dat zij niet hebben meegewerkt aan hun vertrek. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat de uitzetting van het gezin niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM.4

3. Op wat eiseres daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Op grond van artikel 3.71, eerste lid, van het Vb5 wordt de aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen als de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv6. Niet in geschil is dat eiseres niet beschikt over een geldige mvv. In geschil is of eiseres in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste.

5. Allereerst staat ter beoordeling of verweerder terecht heeft geconcludeerd dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van het kinderpardon en dus niet om die reden wordt vrijgesteld van het mvv-vereiste.

6. Uit paragraaf B9/6.2 van de Vc volgt dat verweerder aanneemt dat een vreemdeling heeft meegewerkt aan zijn vertrek als hij aannemelijk maakt dat hij zich, met het oog op zijn vertrek, heeft gewend tot:
1. de vertegenwoordiging van de eigen autoriteiten of die van een ander land waartoe toegang kan worden verkregen;
2. de IOM7 en deze organisatie heeft aangegeven dat zij niet in staat is het vertrek te realiseren om redenen gelegen buiten de invloedssfeer van de vreemdeling; en
3. de DT&V ten behoeve van facilitering bij het verkrijgen van de vereiste (reis)documenten en deze dienst heeft aangegeven dat dit niet is geslaagd om redenen gelegen buiten de invloedssfeer van de vreemdeling.

7. De rechtbank stelt vast dat eiseres en haar gezinsleden tijdens de hoorzitting op 10 januari 2017 geldige paspoorten hebben getoond en dat kopieën daarvan aan het dossier zijn toegevoegd. Reeds daarom heeft verweerder kunnen concluderen dat zij niet hebben meegewerkt aan hun vertrek. Er is immers geen sprake van het niet kunnen verkrijgen van reisdocumenten om redenen die zijn gelegen buiten de invloedssfeer van de vreemdeling, waardoor niet wordt voldaan aan de derde cumulatieve voorwaarde als genoemd onder punt 6. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat in alle redelijkheid van eiseres en haar gezinsleden mag worden verwacht dat zij hadden geprobeerd om, met hun geldige paspoorten, hun vertrek te realiseren voordat zij een aanvraag op grond van het kinderpardon indienden. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het kinderpardon is bedoeld voor die gevallen waarin, ondanks de door een vreemdeling verrichte inspanningen en actieve en coöperatieve houding, terugkeer niet kan worden gerealiseerd. De rechtbank wijst in dit kader op de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2016.8 Nu reeds gelet op wat hiervoor is besproken sprake is van een contra-indicatie, betekent dit dat de overige beroepsgronden met betrekking tot het meewerkcriterium geen bespreking behoeven.

8. Vervolgens heeft eiseres aangevoerd dat er onvoldoende rekening is gehouden met haar medische situatie en dat verweerder een nieuw advies had moeten vragen aan het BMA.9 De rechtbank volgt eiseres niet in dit betoog. Verweerder heeft aan het primaire besluit een BMA-advies ten grondslag gelegd. Het BMA heeft in dat advies geconcludeerd dat eiseres in staat is om te reizen en dat er bij het uitblijven van behandeling op korte termijn geen medische noodsituatie zal ontstaan. Vervolgens heeft eiseres in bezwaar noch in beroep medische stukken overgelegd, zodat verweerder geen aanleiding hoefde te zien om een nieuw advies op te vragen. De stelling dat eiseres een zelfmoordpoging heeft gedaan kan zonder onderbouwing met medische stukken geen aanleiding zijn om het BMA opnieuw in te schakelen. De beroepsgrond faalt.

9. Verder is in geschil of eiseres in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 8 van het EVRM.10

10. Uit de jurisprudentie van het EHRM11 en de Afdeling12 volgt dat bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op respect voor het privéleven dan wel familie- en gezinsleven een “fair balance” moet worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken. Bij deze afweging komt verweerder een zekere beoordelingsruimte toe.

11. Uit het arrest Butt tegen Noorwegen13 kan verder worden afgeleid dat zwaarwegende redenen van migratiebeleid in beginsel aanleiding zijn het gedrag van de ouders van een vreemdeling aan de desbetreffende vreemdeling toe te rekenen, in verband met het risico dat ouders gebruikmaken van de positie van hun kinderen om een verblijfsrecht te verkrijgen. Indien de vreemdeling of diens ouders hadden moeten weten dat het verblijfsrecht van die vreemdeling onzeker was, wordt alleen onder bijzondere omstandigheden aangenomen dat het gezinsleven op grond van artikel 8 van het EVRM in het gastland moet kunnen worden voortgezet.

12. De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder alle van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar bij zijn belangenafweging heeft betrokken. Vervolgens is de rechtbank van oordeel dat verweerder de belangenafweging niet ten onrechte in het nadeel van eiseres heeft laten uitvallen. Omdat eiseres en haar gezinsleden nooit een verblijfsvergunning hebben gehad en zij dus konden weten dat hun verblijfsrecht onzeker was, moet er sprake zijn van bijzondere omstandigheden. Verweerder heeft goed gemotiveerd waarom daar in dit geval geen sprake van is. Daarbij heeft verweerder er terecht op gewezen dat het feit dat eiseres en haar broertje in Nederland naar school gaan en dat hun sociale leven zich hier afspeelt geen bijzondere omstandigheid is, omdat dit inherent is aan langdurig verblijf van minderjarige kinderen in Nederland. Verder is niet gebleken van onoverkomelijke of bijzondere obstakels voor het gezin om zich in Armenië te vestigen. De rechtbank volgt de overwegingen van verweerder dat uit de orthopedagogische rapportage van de Universiteit Groningen van 20 december 2017, niet blijkt dat, ondanks de onzekerheid en onduidelijkheid over het leven in Armenië, eiseres zich niet zou kunnen handhaven in Armenië. Dit betekent dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat eiseres niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 8 van het EVRM.

12. Tot slot heeft eiseres een beroep gedaan op artikel 4:84 van de Awb.14 Ter zitting heeft zij toegelicht dat zij hiermee in feite een beroep doet op het beleid voor ‘schrijnende gevallen’. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit terecht opgemerkt dat indien eiseres meent dat zij voor een dergelijke verblijfsvergunning in aanmerking komt, zij een daartoe strekkende aanvraag kan indienen.

14. Het beroep is ongegrond.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.Z.B. Sterk, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2019.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Zie de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2012 (AWB 11/19802 en AWB 11/21306, niet gepubliceerd) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 1 oktober 2012 (2012075161/1/V1, niet gepubliceerd).

2 Definitieve regeling langdurig verblijvende kinderen, paragraaf B9/6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc)

3 Dienst Terugkeer & Vertrek

4 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

5 Vreemdelingenbesluit 2000

6 machtiging tot voorlopig verblijf

7 Internationale Organisatie voor Migratie

8 Uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2075

9 Bureau Medische Advisering

10 Art. 3.71, twee lid, aanhef en onder l, van het Vb

11 Europees Hof voor de Rechten van de Mens, zie bijvoorbeeld het arrest Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland van 31 januari 2006, nr. 50435/99.

12 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juli 2009, 200903237/1/V2, ECLI:NL:RVS:2009:BJ7527.

13 EHRM, arrest van 4 december 2012 nr. 47017/09.

14 Algemene wet bestuursrecht