Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:1606

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-01-2019
Datum publicatie
26-02-2019
Zaaknummer
AWB 18 / 4874
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

MVV Nareis. Gezinsband meerderjarig kind verbroken door huwelijk. Herstel verbroken gezinsband wordt niet aangenomen. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 18/4874

V-nummers: [nummer 1] en [nummer 2]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 24 januari 2019 in de zaak tussen

[naam] , eiseres,

mede namens haar minderjarige kind,

[naam 2] , geboren op [geboortedatum 2] ,

gemachtigde: mr. M.C.M. van der Mark,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 8 juni 2018 (het bestreden besluit) waarbij de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis voor verblijf bij haar vader, [naam 3] (referent), is afgewezen.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 20 december 2018. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.C.M.E. Schijvenaars, namens haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ook waren referent en D. Madjlessi (tolk) op zitting aanwezig. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum 3] en heeft de Iraanse nationaliteit en is de meerderjarige dochter van referent. Zij is gehuwd geweest van 12 december 2012 tot 12 juli 2016. Uit dit huwelijk is haar zoon geboren. Haar zoon heeft de Iraakse nationaliteit. Aan referent is op 16 december 2016 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. Referent heeft op 22 februari 2017 onderhavige aanvraag ingediend voor eiseres en haar minderjarige zoon.

2. In het bestreden besluit is de aanvraag afgewezen. De feitelijke gezinsband tussen eiseres en referent is verbroken omdat zij gehuwd is geweest en de zorg draagt voor haar zoon die uit dit huwelijk is geboren. Wanneer de feitelijke gezinsband eenmaal als verbroken wordt beschouwd, wordt herstel van die gezinsband niet meer aangenomen.

De rechtbank overweegt als volgt.

3. De staatssecretaris heeft in paragraaf C2/4.1 van de Vc1 vastgelegd hoe hij beoordeelt of een meerderjarig kind voldoet aan het vereiste van afhankelijkheid, opgenomen in artikel 29, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw2. Hij kijkt daarvoor naar de gezinssituatie ten tijde van de beoordeling van de aanvraag én de gezinssituatie ten tijde van het vertrek van de desbetreffende referent uit het land van herkomst of bestendig verblijf. Hij heeft hierbij zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij paragraaf B7/3.2.1 van de Vc.

4. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling3 houdt de in dit beleid vereiste normale afhankelijkheidsrelatie tussen een meerderjarig kind en zijn ouders in dat zo’n kind toch nog feitelijk afhankelijk is van zijn ouders zolang het bij zijn ouders woont en zij het merendeel van de verzorging van het gezin en het huishouden op zich nemen. Ook al valt het kind juridisch niet meer onder de verantwoordelijkheid van zijn ouders en heeft het gelet op zijn leeftijd geen verzorging meer nodig. Als een meerderjarig kind de verzorgende rol van de ouders heeft overgenomen, bestaat dus geen normale afhankelijkheidsrelatie meer en is de feitelijke gezinsband verbroken. Als vervolgens de feitelijke situatie wijzigt, neemt de staatssecretaris geen herstel van de verbroken gezinsband aan4.

5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de staatssecretaris zich op het standpunt kunnen stellen dat in dit geval de feitelijke gezinsband tussen eiseres en referent al was verbroken voordat referent Nederland in reisde. Eiseres is van 2012 tot medio 2016 getrouwd geweest, ze heeft een gezin gesticht en draagt de zorg voor haar zoon die uit dat huwelijk is geboren. De staatssecretaris heeft zich daarom onder verwijzing naar diens beleid op het standpunt kunnen stellen dat herstel van de feitelijke gezinsband niet meer wordt aangenomen. Dat zij na haar scheiding weer in haar ouderlijk huis is gaan wonen maakt dit niet anders. De beroepsgrond slaagt niet.

6. Omdat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 29, tweede lid, van de Vw, heeft de staatssecretaris zich op het standpunt kunnen stellen dat niet verder wordt getoetst aan andere gronden zoals artikel 8 van het EVRM5. De Vw biedt buiten artikel 29, tweede lid, van de Vw geen grond voor verlening van een verblijfsvergunning asiel ter bescherming van ‘family life’, als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. De beoordeling van de toepassing van artikel 8 van het EVRM moet buiten genoemde bepalingen plaatsvinden in een procedure over de verlening van een verblijfsvergunning regulier. De grond slaagt daarom niet.

7. Eiseres heeft ook verwezen naar artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn6 waaruit volgt dat de lidstaten bij de afwijzing, intrekking of niet verlengen van een verblijfstitel onder andere rekening moeten houden met de aard en de hechtheid van de gezinsband van de betrokken persoon, en met het bestaan van familiebanden of culturele of sociale banden met zijn land van herkomst.

8. De rechtbank stelt vast dat bij besluit van 29 september 2004 tot wijziging van het Vb7, het Vb is gewijzigd in verband met de implementatie van de Gezinsherenigingsrichtlijn (Stb. 2004, 496). De wijziging is in werking getreden op 1 november 2004. Volgens de transponeringstabel ligt de regel in artikel 17 Gezinsherenigingsrichtlijn besloten in de artikelen 3:2 en 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht. Eiseres kan dan ook geen rechtstreeks beroep doen op artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn.

9. De rechtbank volgt eiseres niet in het aangevoerde dat de hoorplicht is geschonden. Van het horen van belanghebbenden kan onder meer worden afgezien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Dit is het geval als uit het bezwaarschrift zelf direct blijkt dat de bezwaren ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. Dit moet worden beoordeeld aan de hand van de inhoud van het bezwaarschrift in samenhang met wat in eerste instantie door betrokkene is aangevoerd. Gelet op wat eiseres in bezwaar heeft aangevoerd en de motivering van het primaire besluit heeft de staatssecretaris van het horen van eiseres mogen afzien.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in tegenwoordigheid van S.A.K. Kurvink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2019.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Vreemdelingencirculaire 2000

2 Vreemdelingenwet 2000

3 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

4 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3067

5 Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden

6 Richtlijn 2003/86/EG

7 Vreemdelingenbesluit 2000