Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:1592

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-02-2019
Datum publicatie
22-03-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 4635
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

vergoeding van gesubsidieerde rechtsbijstand terecht afgewezen omdat bedrijfsbelang, eiser echter wel als verweerder bij procedure betrokken, bedoeling wetgever, beroep gegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 18/4635

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 februari 2019 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser,

en

Raad voor Rechtsbijstand, verweerder

(gemachtigde: G. van Dort).

Procesverloop

Bij besluiten van 2 februari 2018 en 9 februari 2018 (de primaire besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eiser om vergoeding afgewezen.

Bij besluit van 23 mei 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen beide primaire besluiten ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2019.

Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft als gemachtigde van zijn cliënt de heer [X] (rechtzoekende) op 26 maart 2014 een toevoeging aangevraagd voor een procedure in hoger beroep en op 28 mei 2015 voor een cassatieprocedure. Deze toevoegingen zijn verleend. Op 18 januari 2018 en 26 januari 2018 heeft eiser om vergoeding hiervan bij verweerder verzocht.

2. Verweerder heeft de aanvragen om vergoeding afgewezen, omdat volgens verweerder uit het door eiser overgelegde arrest van het gerechtshof Den Haag van 12 mei 2015 blijkt dat het rechtsbelang voortvloeide uit het bedrijfsmatig handelen van rechtzoekende. Rechtzoekende heeft zijn voormalige advocaat aangesproken in verband met een beroepsfout omdat deze niet tijdig in hoger beroep is gekomen van twee vonnissen. Het onderliggende geschil heeft betrekking op een geldbedrag dat de ex-partner van rechtzoekende ter beschikking heeft gesteld aan rechtzoekende voor de exploitatie van zijn restaurant. Verweerder stelt zich op het standpunt dat, indien rechtzoekende geen onderneming gehad zou hebben, het geschil met de wederpartij niet was ontstaan en hij geen juridische bijstand van een advocaat nodig gehad had. Het aanspreken van deze advocaat is daarom volgens verweerder eveneens een bedrijfsmatig rechtsbelang. Met deze kennis, zijn de toevoegingen op grond van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e van de Wet op de Rechtsbijstand (Wrb) ten onrechte verleend.

3. Op grond van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wrb wordt rechtsbijstand niet verleend indien het rechtsbelang waarop de aanvraag betrekking heeft, de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf betreft, tenzij:

1˚ voortzetting van het beroep of bedrijf voor zover het niet in de vorm van een rechtspersoon wordt gevoerd, afhankelijk is van het resultaat van de aangevraagde rechtsbijstand, of

2˚ het beroep of bedrijf ten minste één jaar geleden is beëindigd, de aanvrager in eerste aanleg als verweerder bij een procedure is betrokken of betrokken is geweest en de kosten van rechtsbijstand niet op andere wijze kunnen worden vergoed.

4.1

Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Primair betwist hij dat sprake is van een bedrijfsmatig rechtsbelang en voert aan dat verweerders besluit dat dit wel zo is getuigt van een onzorgvuldige voorbereiding en motivering. Het geschil betrof eerder een boedelscheiding, omdat de verbreking van de relatie tussen rechtzoekende en zijn ex-partner de ware reden was waarom de ex-partner terugbetaling eiste. Het betrof dus een wraakactie in de privésfeer, of op zijn minst was sprake van verwevenheid met privébelangen.

4.2

Tussen partijen is niet in geschil dat voor de vraag of het rechtsbelang waarop de aanvraag om gesubsidieerde rechtsbijstand betrekking heeft de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf betreft, gekeken moet worden naar het rechtsbelang van het onderliggende geschil. Niet in geschil is dat het rechtsbelang bij een aansprakelijkheidsprocedure tegen een advocaat die een rechtzoekende bijstond in een procedure waarvan het rechtsbelang de uitoefening van een zelfstandig bedrijf betrof, eveneens de uitoefening van een zelfstandig bedrijf betreft. Deze situatie wordt door verweerder ook als voorbeeld van een bedrijfsmatige oorsprong genoemd in de werkinstructie Toevoegen ‘Bedrijfsmatig Handelen’, vindbaar op www.kenniswijzer.rvr.org. In geschil is alleen of het rechtsbelang van het onderliggende geschil van rechtzoekende met zijn ex-partner over de terugvordering van het geldbedrag, de uitoefening van een zelfstandig bedrijf betreft.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder deze vraag terecht bevestigend heeft beantwoord. Het onderliggende geschil heeft betrekking op het geldbedrag dat de ex-partner van rechtzoekende ter beschikking heeft gesteld aan rechtzoekende voor de exploitatie van zijn restaurant. Niet in geschil is dat eiser het geldbedrag heeft geïnvesteerd in zijn restaurant, los van de vraag of de ex-partner het geld risicodragend in het restaurant had geïnvesteerd dan wel dat sprake was van een geldlening. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat, indien rechtzoekende geen onderneming gehad zou hebben, het geschil met zijn ex-partner niet was ontstaan. Eisers stelling dat de ex-partner van rechtzoekende uit wraak het geld ook zou hebben teruggevorderd indien rechtzoekende geen restaurant zou hebben, kan de rechtbank niet volgen. Indien rechtzoekende geen restaurant zou hebben gehad, zou zijn ex-partner het geldbedrag hiervoor immers niet ter beschikking hebben gesteld en was het geschil over terugvordering hiervan niet ontstaan.

5. De rechtbank volgt eiser echter in zijn subsidiaire standpunt dat de uitzondering onder sub 2 van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e van de Wrb van toepassing is. Op grond van deze bepaling wordt rechtsbijstand voor een bedrijfsbelang toch verleend, indien het bedrijf ten minste één jaar geleden is beëindigd, de aanvrager in eerste aanleg als verweerder bij een procedure is betrokken of betrokken is geweest en de kosten van rechtsbijstand niet op andere wijze kunnen worden vergoed. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat deze uitzondering niet op gaat, omdat rechtzoekende zowel in eerste aanleg als in hoger beroep en cassatie eisende partij was in de procedure tegen de voormalige advocaat. Met eiser is de rechtbank echter van oordeel dat niet de procedure tegen de advocaat als de bedoelde procedure in de zin van artikel 12, tweede lid, sub e, van de Wrb beschouwd moet worden, maar de onderliggende procedure waarin deze advocaat rechtszoekende heeft bijgestaan. Hoewel de tekst van de wet hier geen duidelijkheid in verschaft, volgt de rechtbank eiser dat dit de bedoeling van de wetgever moet zijn geweest. Zoals eiser ter zitting heeft aangevoerd, kan het niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest om bij de hoofdregel of sprake is van bedrijfsbelang uit te gaan van het onderliggende geschil (en niet de daarop volgende aansprakelijkheidsprocedure waarvoor de toevoegingen zijn aangevraagd), maar tegelijkertijd bij de uitzonderingsbepaling wel uit te gaan van het geschil waarvoor de toevoegingen zijn aangevraagd. De rechtbank volgt deze uitleg, temeer deze ook steun lijkt te vinden in de Memorie van Toelichting op de Wijziging van de Wet op de rechtsbijstand (Tweede Kamer, vergaderjaar 2000-2001, 27 553, nr.3). Hierin staat dat als uitgangspunt wordt gekozen dat alleen gesubsidieerde rechtsbijstand wordt verleend indien het rechtsbelang dat voortvloeit uit het bedrijf de rechtzoekende meer als particulier dan als ex‑ondernemer raakt. Hieruit lijkt te volgen dat deze uitzonderingsbepaling als tegemoetkoming geldt voor ex‑ondernemers die ongewild betrokken raken bij juridische procedures die hun ex‑onderneming raken. In dit geval is rechtzoekende ongewild betrokken geraakt bij een terugvorderingsprocedure die zijn ex-onderneming (restaurant) raakt. Eiser diende zich hiertegen te verweren. Dat rechtzoekende vervolgens een aansprakelijkheidsprocedure tegen zijn advocaat is gestart en hiervoor gesubsidieerde rechtsbijstand nodig had, maakt dit niet anders.

6. Uit het voorgaande volgt dat verweerder ten onrechte eisers aanvragen om vergoeding van de toevoegingen heeft afgewezen.

7. Gelet op hetgeen overwogen in rechtsoverweging 5 is eisers beroep gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken. Gelet hierop kan hetgeen eiser verder heeft aangevoerd onbesproken blijven.

8. Aangezien niet is gebleken van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en kosten hiervoor volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (bijvoorbeeld de uitspraak van 23 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2780) overigens ook redelijkerwijs niet gemaakt hoeven te worden, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht dient te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming

van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Pluymaekers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.