Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:1567

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-02-2019
Datum publicatie
01-03-2019
Zaaknummer
C/09/526718 / HA ZA 17-147
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

en in vrijwaringszaak C-09-535893-HA ZA 17-736.

Aansprakelijkheid tussenpersoon en taxateur ivm onderverzekering opstal en inboedel. Eigen schuld verzekerde. Causaliteitsafweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

Vonnis in hoofdzaak en vrijwaring van 20 februari 2019

in de (hoofd)zaak met zaaknummer / rolnummer: C/09/526718 / HA ZA 17-147 van

[eiser] te [plaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. J. Backx te Rotterdam,

tegen

1 [de VOF] te [plaats 2] ,

2. [partij A] te [plaats 3] ,

3. [BV I] te [plaats 2] ,

gedaagden,

advocaat mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam,

en in de (vrijwarings)zaak met zaaknummer / rolnummer C/09/535893 / HA ZA 17-736 van

1 [de VOF] te [plaats 2] ,

2. [partij A] te [plaats 3] ,

3. [BV I] te [plaats 2] ,

eisers,

advocaat mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam,

tegen

1 [BV II] te [plaats 4] ,

2. [partij B] te [plaats 5] ,

gedaagden,

advocaat mr. D.K. Baas te Arnhem.

Eiser in de hoofdzaak zal hierna [eiser] worden genoemd. Gedaagden in de hoofdzaak / eisers in de vrijwaring worden gezamenlijk aangeduid als [de VOF c.s.] of afzonderlijk als respectievelijk [de VOF] , [partij A] en [BV I] Gedaagden in de vrijwaring worden gezamenlijk aangeduid als [BV II c.s.] of afzonderlijk als [BV II] en [partij B] .

1 De procedure in de hoofdzaak en in de vrijwaring

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de inleidende dagvaardingen van 31 januari 2017 met producties 1 t/m 17;

  • -

    de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring, tevens houdende conclusie van antwoord in de hoofdzaak met producties 1 t/m 12;

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident tot oproeping in vrijwaring;

  • -

    het vonnis in incident van 17 mei 2017, waarin het [de VOF c.s.] is toegestaan om [partij B] in vrijwaring op te roepen;

  • -

    de dagvaardingen in vrijwaring van 3 en 4 juli 2017 met producties 1 t/m 8;

  • -

    de conclusie van antwoord in vrijwaring met producties 1 t/m 15;

  • -

    de tussenvonnissen van 27 december 2017, waarin zowel in de hoofdzaak als in de vrijwaringszaak een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    de akte overleggen producties, tevens houdende wijziging eis van de zijde van [eiser] met producties 18 t/m 26;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 8 oktober 2018, gehouden in de hoofdzaak en in de vrijwaring en de daarin genoemde stukken.

1.2.

De processen-verbaal van comparitie zijn, met instemming van partijen, buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld opmerkingen van feitelijke aard te maken op de verslaglegging. Bij brief van 15 oktober 2018 heeft mr. Backx namens [eiser] van deze mogelijkheid gebruik gemaakt.

1.3.

De zaak is na de comparitie verwezen naar de rol voor uitlaten voortprocederen. Op 23 en 24 oktober 2018 hebben partijen de rechtbank bericht dat zij er niet in zijn geslaagd overeenstemming te bereiken. Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten in de hoofdzaak en in de vrijwaring

2.1.

[eiser] en zijn echtgenote [de echtgenote] zijn in februari 2014 eigenaar geworden van het perceel met woonhuis aan de [adres] (hierna: de woning).

2.2.

[eiser] heeft de woning en de daarin staande inboedel laten verzekeren door [de VOF] , die sinds jaar en dag zijn assurantietussenpersoon was. [partij A] en [BV I] (gedaagden sub 2 en 3) zijn de vennoten van [de VOF] . Binnen [de VOF] was de heer [X] (hierna: [X] ) de contactpersoon van [eiser] .

2.3.

Volgens het op 14 februari 2014 door [de VOF] afgegeven polisblad was de woning met ingang van die datum bij Reaal verzekerd voor een bedrag van € 772.200 en de inboedel voor € 155.500.

2.4.

[eiser] en [de echtgenote] hebben de woning vanaf het najaar van 2016 grondig laten verbouwen. Daarbij zijn – voor zover van belang – veel op maat gemaakte kasten en andere inbouwmeubels in de woning geplaatst. Tijdens de verbouwing hebben [eiser] en [de echtgenote] tijdelijk elders gewoond. In die periode is de inboedel (wederom door tussenkomst van [de VOF] ) verzekerd op hun tijdelijke woonadres. Partijen hebben toen afgesproken dat de waarde van de woning na afloop van de verbouwing door middel van een taxatie zou worden vastgesteld.

2.5.

Op 26 mei 2015 heeft [eiser] [X] bericht dat hij en [de echtgenote] op 30 juli 2015 terug zouden verhuizen naar de woning. Hij heeft [X] gevraagd de dekking voor de inboedel op zijn tijdelijke woonadres per die datum te beëindigen.

2.6.

[X] heeft vervolgens op 4 juni 2015 een bezoek gebracht aan de woning. Naar aanleiding van dit bezoek heeft hij [eiser] , met kopie aan zijn contactpersoon bij de verzekeraar, het volgende gemaild:

“De bouw begint inmiddels in de afrondende fase terecht te komen. Eind juli gaan jullie in ieder geval weer in de woning wonen.

Ik stel voor om “rond” die periode een afspraak te maken met een taxateur voor het vaststellen van de te verzekeren herbouwwaarde. (...) Met een taxatierapport ben je niet alleen goed maar ook voldoende verzekerd. Dit voorkomt discussies of vertraging bij een onverhoopte schade.

Ik weet niet of het nodig is en of je dat wilt maar t.z.t. wellicht ook even hebben over een taxatie van de inboedel…???”

2.7.

Later die dag heeft [X] aan [eiser] nog een mail gestuurd met de volgende inhoud:

“Ik wil maandag met verzekeraar bespreken de verzekerde som (nu 782.300 euro overigens) alvast wat te verhogen in afwachting van het taxatierapport. De herbouwwaarde zal de komende weken snel gaan oplopen. (…) Zal ik bijvoorbeeld vragen het bedrag te verhogen tot 1,5 miljoen voorlopig? Gaan we het bedrag verhogen dan zal uiteraard wel de premie wat stijgen. (…) Ik zal mijn kontakt persoon dan ook gelijk vragen maandag e.e.a. even te bevestigen.”

2.8.

Op 8 juni 2015 heeft [X] [eiser] gemaild dat de verzekerde som van het woonhuis, na overleg met de verzekeraar, per die datum is verhoogd tot € 1,5 miljoen in afwachting van het einde van de verbouwing en het taxatierapport. Het bijbehorende polisblad (met daarop een verzekerde som voor het woonhuis van € 1,5 miljoen en voor de inboedel van € 155.500) is op 3 juli 2015 aan [eiser] toegezonden. [X] besluit zijn mail met de tekst

Voor nu geen zorgen over het verzekering”.

2.9.

[BV II] is een expertise- en taxatiebureau. [X] heeft haar verzocht de woning en de inboedel van [eiser] te taxeren.

2.10.

Op 24 september 2015 heeft [partij B] namens [BV II] een bezoek gebracht aan de woning met het doel de opstal en de inboedel te taxeren. [X] was daarbij aanwezig. Tijdens de bezichtiging bleek [partij B] dat de opstal hoogwaardig was afgewerkt en dat daarbij gebruik was gemaakt van bijzondere materialen. Ook het meubilair bestond (deels) uit bijzondere materialen. Daarnaast stond er in de hal van het woonhuis een bijzondere sculptuur, was er veel luxueuze kleding aanwezig en stond er een grote hoeveelheid (professionele) elektronische apparatuur. [partij B] heeft [eiser] aan het eind van de bezichtiging gevraagd om facturen, waaruit de kosten van de verbouwing en de waarde van de inboedel zouden blijken. Omdat [eiser] deze facturen in verband met zijn verhuizing niet direct beschikbaar had, is afgesproken dat [eiser] de bonnen op een later moment aan [partij B] zou aanleveren. Dat heeft hij niet gedaan.

2.11.

Op 2 november 2015 heeft [X] [eiser] een whatsapp-bericht gestuurd met een vraag over de facturen. [eiser] heeft toen geantwoord:

“Geef me nog een maandje”.

2.12.

Op 20 april 2016 heeft [eiser] [X] een e-mail gestuurd met – voor zover van belang – de volgende inhoud:

“Moesten we nu nog iets met die taxateur of is alles helemaal goed zo? Heb volgens mij geen papieren binnen gekregen. Weet dat ik door onderstaande mail [de mail van [X] aan [eiser] van 8 juni 2015, zie 2.8] dekking heb maar wil het graag netjes hebben door middel van een polis. Kun je me deze zenden.“

2.13.

[eiser] heeft [X] op 23 april 2016 gerappelleerd. Op 26 april 2016 heeft [X] [eiser] het volgende gemaild:

“Ik reageer later deze week nog even want zou het toch wel prettig vinden als die taxatie gedaan zou worden. Ik ga de taxateur hierover even bellen en je dan berichten ..

Overigens zijn (naast mijn dekkingsbevestiging) door verzekeraar ook aangepaste polissen naar jullie gezonden. Ik zal die ook nog even naar je mailen … Op dit moment is verzekerd wat betreft het pand (exclusief de grond) een bedrag ad. ruim 1.570.000 euro en de inboedel voor ruim 155.000 euro.”

2.14.

Op 4 mei 2016 heeft [X] [partij B] een e-mail gestuurd met de volgende inhoud:

“Ik had je geprobeerd te bellen maar helaas was je niet bereikbaar.

Inmiddels al weer enige tijd terug zijn wij geweest bij mijn relatie de heer [eiser] , [adres] voor het vaststellen van een correcte verzekerde som voor de inboedel en opstalverzekering. De heer [eiser] had deze woning en heeft deze compleet gerenoveerd, aan- en verbouwd.

Wil jij met de heer [eiser] kontakt opnemen om met hem te bespreken welke bescheiden jij nog nodig hebt om een rapport te maken met te verzekeren bedragen? Een CC van deze mail heb ik naar de heer [eiser] toegezonden. Je kunt hem per mail bereiken of via zijn mobiele nummer (…). “

2.15.

Op diezelfde dag heeft [X] de op dat moment geldende polisbladen (met daarop een verzekerde som voor het woonhuis van € 1.579.000 en voor de inboedel van € 155.500) aan [eiser] toegestuurd. [X] sluit zijn e-mail af met “NB: ik heb de taxateur gevraagd zsm kontakt met je op te nemen …”

2.16.

[partij B] reageert, eveneens op 4 mei 2016, met een e-mail aan [X] :

“Dank voor je bericht! Ik heb je verzekerde in de afgelopen tijd een aantal malen getracht te bellen maar steeds zonder succes. Ik pak het volgende week direct op.”

2.17.

[X] heeft het bericht van [partij B] – eveneens op 4 mei 2016 – doorgestuurd aan [eiser] met het verzoek zelf contact op te nemen met [partij B] .

2.18.

Op 31 mei 2016 heeft [eiser] een e-mail gestuurd aan [X] en [partij B] met het bericht dat hij in verband met de geboorte van zijn kind even onbereikbaar was, maar dat hij graag op korte termijn een afspraak met [partij B] zou inplannen. Op 2 juni 2016 heeft [eiser] [partij B] verzocht om per e-mail wat mogelijke data voor een nieuwe afspraak te sturen.

2.19.

Tot het maken van een afspraak is het niet gekomen. Op 8 juni 2016 is de woning van [eiser] afgebrand.

2.20.

Omdat al bij een eerste inventarisatie bleek dat zowel de woning als de inboedel was onderverzekerd, hebben [eiser] en [de echtgenote] [de VOF] bij brief van 20 juni 2016 aansprakelijk gesteld voor de schade die zij lijden als gevolg van de onderverzekering.

2.21.

In de akte van taxatie van 26 april 2017 is de totale waarde van de inboedel voorafgaand aan de brand vastgesteld op € 514.043,34. De schade aan de inboedel is getaxeerd op € 397.088,56. Rekening houdend met de zogenoemde “onderverzekeringsbreuk” (de inboedel was immers verzekerd voor € 155.500), heeft Reaal € 120.120,75 aan [eiser] uitgekeerd. Een bedrag van € 276.967,81 is onvergoed gebleven.

2.22.

De waarde van de opstal voorafgaand aan de brand is bij akte van taxatie van 12 februari 2018 vastgesteld op € 1.931.892. De schade is bepaald op € 1.307.245,95. Rekening houdend met onderverzekering (de verzekerde som onder de opstalverzekering was € 1.579.000), heeft Reaal aan [eiser] € 1.068.455,87 uitgekeerd. Een bedrag van € 238.790,08 is niet vergoed.

3 Het geschil

in de hoofdzaak

3.1.

[eiser] vordert, samengevat en voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad:

  • -

    i) hoofdelijke veroordeling van [de VOF c.s.] tot betaling aan [eiser] van € 274.215,42 (de schade als gevolg van de onderverzekering van de opstal, de kosten van opruiming, huurderving en tuinaanleg daaronder begrepen), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 of 20 juni 2016;

  • -

    ii) hoofdelijke veroordeling van [de VOF c.s.] tot betaling aan [eiser] van € 317.656,36 (de schade als gevolg van de onderverzekering van de inboedel, de kosten van opruiming, opslag en transport en de kosten van tijdelijk verblijf elders daaronder begrepen), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 of 20 juni 2016;

  • -

    iii) hoofdelijke veroordeling van [de VOF c.s.] tot betaling van de buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf een door de rechtbank te bepalen datum;

  • -

    iv) hoofdelijke veroordeling van [de VOF c.s.] in de proces- en nakosten.

3.2.

[de VOF c.s.] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in de vrijwaringszaak

3.4.

[de VOF c.s.] vordert – samengevat – dat [BV II c.s.] bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld om aan [de VOF c.s.] te betalen al datgeen waartoe [de VOF c.s.] in de hoofdzaak ten behoeve van [eiser] zal worden veroordeeld, te vermeerderen met de proceskosten van [de VOF c.s.] in zowel de hoofdzaak als in de vrijwaringszaak, de nakosten daaronder begrepen.

3.5.

[BV II c.s.] voert verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in de hoofdzaak en de vrijwaring

de ontvankelijkheid van de vordering in vrijwaring tegen [BV II]

4.1.

[BV II c.s.] heeft zich in de vrijwaringsprocedure op het standpunt gesteld dat [de VOF c.s.] niet-ontvankelijk is in haar vordering, voor zover die tegen [BV II] is ingesteld. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de rechtbank in de hoofdprocedure alleen verlof heeft verleend om [partij B] (en dus niet [BV II] ) in vrijwaring op te roepen.

4.2.

Hoewel juist is dat de rechtbank [de VOF c.s.] bij vonnis van 17 mei 2017 alleen heeft toegestaan om [partij B] op te roepen in vrijwaring, zal de rechtbank om proceseconomische redenen ook de vordering tegen [BV II] beoordelen. Tussen partijen staat immers niet ter discussie dat de taxatieopdracht is gegeven aan [BV II] en dat deze namens [BV II] feitelijk is uitgevoerd door [partij B] . Partijen zijn het er ook over eens dat dit betekent dat – als [partij B] daarbij een verwijtbare fout heeft gemaakt – zowel [partij B] als [BV II] voor de gevolgen daarvan kan worden aangesproken en dat de eventuele schade door [BV II] als werkgever van [partij B] moet worden gedragen. Daarbij komt dat de procedure door de oproeping van [BV II] niet onredelijk is vertraagd ( [BV II] en [partij B] hebben immers gezamenlijk verweer gevoerd) en dat geen van partijen door die oproeping is benadeeld.

hoofdelijke aansprakelijkheid van [de VOF c.s.] en [BV II c.s.] ?

4.3.

Alle partijen die (beweerdelijk) bij het totstandkomen van de onderverzekering betrokken zijn, zijn in deze procedure vertegenwoordigd. [eiser] heeft ervoor gekozen om alleen [de VOF c.s.] in de procedure te betrekken, waarna [de VOF c.s.] op haar beurt [BV II c.s.] in vrijwaring heeft opgeroepen.

4.4.

Vast staat dat tussen [eiser] en [de VOF c.s.] een overeenkomst van opdracht is ontstaan, die inhield dat [de VOF c.s.] moest zorgen voor een passend verzekeringspakket voor [eiser] . Dit betekent dat [de VOF c.s.] – als zij in de uitvoering van haar werkzaamheden is tekortgeschoten – schadeplichtig is jegens [eiser] . [de VOF c.s.] en [BV II c.s.] zijn het erover eens dat er daarnaast tussen [eiser] en [BV II c.s.] een overeenkomst van opdracht is gesloten, die inhield dat [BV II c.s.] de woning en de inboedel van [eiser] zou taxeren. Zij hebben zich beiden op het standpunt gesteld dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade van [eiser] , als [BV II c.s.] jegens [eiser] is tekortgeschoten. Ook de rechtbank zal daarvan in het hierna volgende uitgaan.

4.5.

Dit betekent dat de rechtbank de aan ieder van partijen gemaakte verwijten zal beoordelen. Vervolgens zal zij afwegen in hoeverre de verschillende partijen hebben bijgedragen aan de totstandkoming van de schade van [eiser] en in hoeverre zij (op de voet van artikel 6:10 en 6:101 BW) de schade van [eiser] voor hun rekening moeten nemen.

de verwijten van [eiser] aan het adres van [de VOF c.s.]

4.6.

Zoals gezegd staat vast dat tussen [eiser] en [de VOF c.s.] een overeenkomst van opdracht is ontstaan. Dit betekent dat [X] (als feitelijk opdrachtnemer namens [de VOF c.s.] ) op grond van artikel 7:401 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) de zorg van een goed opdrachtnemer in acht moest nemen. [eiser] stelt dat [X] dit niet heeft gedaan, doordat hij een situatie heeft laten ontstaan waarin zowel de opstal als de inboedel fors onderverzekerd was.

4.7.

Voor de beoordeling van de vraag of [X] een beroepsfout heeft gemaakt, geldt als uitgangspunt dat de assurantietussenpersoon volgens vaste rechtspraak de zorg moet betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend tussenpersoon mag worden verwacht. Het is daarbij de taak van de tussenpersoon om te waken voor de belangen van de verzekeringnemer bij de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen. Dit betekent onder andere dat de tussenpersoon erop moet toezien dat de verzekeringen de beoogde dekking (blijven) bieden. Bij het afsluiten en beheren van de verzekeringen moet de tussenpersoon een actieve houding aannemen. Hij mag daarbij niet achterover leunen en afwachten met welke gegevens de verzekeringnemer komt. Als hij weet of moet weten dat hij (nog) niet over alle benodigde informatie beschikt, zal de tussenpersoon zich actief informerend moeten opstellen.

4.8.

Kort gezegd verwijt [eiser] [de VOF c.s.]

  • -

    a) dat [X] , na het taxatiebezoek op 24 september 2015, niet de verzekerde sommen heeft verhoogd in afwachting van het taxatierapport; en

  • -

    b) dat [X] er onvoldoende op heeft toegezien dat het taxatierapport daadwerkelijk tot stand kwam.

ad a. niet verhogen van verzekerde sommen

4.9.

[eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat [X] , na het taxatiebezoek op 24 september 2015, de verzekerde sommen had moeten verhogen in afwachting van het taxatierapport. Hiertoe heeft [eiser] gesteld dat het [X] tijdens het bezoek van [partij B] duidelijk moet zijn geworden dat de verzekerde sommen bij lange na niet voldoende waren. [de VOF c.s.] heeft zich op het standpunt gesteld dat [X] geen enkele reden had aan te nemen dat sprake was van een onderverzekering en dat er voor hem daarom geen aanleiding bestond de verzekerde sommen te verhogen.

4.10.

Met [de VOF c.s.] is de rechtbank van oordeel dat het [X] niet kan worden verweten dat hij, in afwachting van het taxatierapport van [partij B] , de verzekerde sommen niet (tijdelijk) heeft verhoogd. [eiser] heeft onvoldoende aangevoerd om te komen tot de conclusie dat [X] als assurantietussenpersoon beschikt over voldoende specialistische kennis om de waarde van een “bijzondere” inboedel als die van [eiser] zelfstandig in te schatten. Datzelfde geldt voor het bepalen van de herbouwwaarde van de (met luxueuze materialen verbouwde) opstal. Dat [X] niet over de benodigde expertise beschikte, blijkt ook uit het feit dat hij [BV II] heeft gevraagd een taxatie uit te voeren. Vast staat dat [partij B] tijdens of na het bezoek aan de woning van [eiser] op 24 september 2015 niet heeft gezegd (of heeft laten doorschemeren) dat de verzekerde sommen ontoereikend waren. Ook na het taxatiebezoek wist [X] dus niet dat er sprake was van onderverzekering.

4.11.

Ten aanzien van de inboedel komt daarbij dat [eiser] zelf – terwijl hij wist voor welk bedrag de inboedel verzekerd was – niet heeft gezegd dat die inboedel veel meer waard was. Anders dan [eiser] heeft gesteld, hoefde [X] uit zijn e-mail van 11 december 2014 dat er “zeker nog 200k losse spullen” waren, niet te begrijpen dat de inboedel méér waard was dan de verzekerde som van € 155.000. Voor zover al moet worden aangenomen dat [eiser] in zijn e-mail heeft gedoeld op de waarde van de inboedel, is de rechtbank met [de VOF c.s.] van oordeel dat de tekst van die mail niet zodanig duidelijk was dat [X] daaruit had moeten begrijpen dat sprake was van een onderverzekering op de inboedel. Daarbij komt dat partijen sindsdien nog regelmatig met elkaar hebben gesproken over de verzekerde sommen, en dat [eiser] daarbij nooit is teruggekomen op zijn (gestelde) mededeling dat zijn inboedel ruim € 200.000 waard was. [X] kan dus niet verweten worden dat hij uit mededelingen van [eiser] niet heeft begrepen dat de inboedel onderverzekerd was.

4.12.

De enkele omstandigheid dat de inboedel van [eiser] (zoals hij stelt) al sinds 2011 voor ongeveer € 150.000 was verzekerd, maakt evenmin dat [X] had moeten begrijpen dat de inboedel onderverzekerd was. Hoewel vaststaat dat [eiser] sinds 2011 verschillende keren is verhuisd naar steeds grotere woningen, betekent dat niet dat [X] had moeten vermoeden dat de inboedel in 2016 onderverzekerd was. [X] heeft immers ter zitting onweersproken gesteld dat het niet standaard zo is dat de inboedel in een grote woning méér waard is dan die in een kleine woning. Bovendien was de inboedel van [eiser] verzekerd voor een fors hoger bedrag dan een “gemiddelde” inboedel.

4.13.

Voor [X] bestond er dus geen aanleiding om te vermoeden dat de verzekerde som voor de inboedel ontoereikend was.

4.14.

Datzelfde geldt voor de opstal. In dit verband geldt dat [X] al in juni 2015 het initiatief had genomen de verzekerde som van de opstal aanzienlijk te verhogen (zie 2.8). Voor zover [eiser] heeft gesteld dat [X] op basis van zijn e-mail aan [X] van 5 juni 2015 dat “de makelaar waarvan hij het huis gekocht had, op basis van zijn kennis en tekeningen een taxatie heeft gemaakt die op 2,5 miljoen uitkomt” had moeten begrijpen dat de opstal onderverzekerd was, gaat de rechtbank daaraan voorbij. Zoals [X] in reactie op de e-mail van [eiser] terecht schrijft, betreft de prijsinschatting van de makelaar de verkoopwaarde en niet de te verzekeren herbouwwaarde. [X] hoefde er dus op basis van de e-mail van [eiser] niet vanuit te gaan dat de opstal onderverzekerd was.

4.15.

Het taxatiebezoek van [partij B] op 24 september 2015 maakte dat niet anders. Gesteld noch gebleken is dat er tijdens dat bezoek zodanige informatie boven tafel kwam, dat [X] op dat moment had moeten vermoeden dat de opstal onderverzekerd was.

4.16.

In het licht van het vorenstaande kan het [X] niet worden verweten dat hij de verzekerde bedragen voor de opstal en de inboedel niet heeft verhoogd, in afwachting van het taxatierapport van [BV II] .

ad b. onvoldoende toezicht op totstandkoming taxatierapport

4.17.

[de VOF c.s.] heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat zij niet aansprakelijk is voor de gevolgen van eventuele fouten van [BV II c.s.] , omdat zij geen partij is bij de taxatieopdracht die aan [BV II] is verstrekt. [de VOF c.s.] heeft in dit verband betoogd dat er een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen tussen [eiser] en [BV II] , waarbij zij alleen heeft gediend als degene die [eiser] en [BV II] met elkaar in contact heeft gebracht. Bij de uitvoering van de overeenkomst is [de VOF c.s.] geen partij geweest en daarom – zo begrijpt althans de rechtbank het standpunt van [de VOF c.s.] – kan haar ook geen verwijt gemaakt worden van de gevolgen van het uitblijven van het taxatierapport.

4.18.

De rechtbank passeert deze betwisting van [de VOF c.s.] Zoals uit 4.7 blijkt, is het (onder andere) de taak van de assurantietussenpersoon om ervoor te zorgen dat de verzekeringen van zijn klanten voldoende dekking bieden. Voor zover de tussenpersoon niet beschikt over de kennis om de benodigde dekking zelf te bepalen, zal hij iemand moeten inschakelen die die expertise wél bezit. Dat is in dit geval ook gebeurd door de inschakeling van [BV II] . [X] moest er dan ook in het kader van de uitoefening van zijn eigen werkzaamheden (het zorgen voor een passende dekking) op toezien dat [BV II] daadwerkelijk een taxatierapport zou opleveren, op basis waarvan de benodigde dekking kon worden bepaald. Daarbij is irrelevant of de opdracht tot taxatie afkomstig was van [de VOF c.s.] of van [eiser] .

4.19.

De vraag is dus of [X] jegens [eiser] is tekortgeschoten door geen actie te ondernemen, toen het taxatierapport van [partij B] uitbleef. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is, en wel om de volgende redenen.

4.20.

Tussen partijen is niet in geschil dat [partij B] , na afloop van het bezoek op 24 september 2015, [eiser] heeft verzocht om facturen aan te leveren en dat [eiser] dit heeft nagelaten. [de VOF c.s.] heeft zich op het standpunt gesteld dat het voor [eiser] duidelijk moet zijn geweest dat [partij B] het taxatierapport alleen kon opstellen als hij de nodige bonnen zou ontvangen. Kennelijk verbindt [de VOF c.s.] daaraan de conclusie dat het op de weg van [eiser] lag om ervoor te zorgen dat [partij B] zijn werkzaamheden zou afmaken en dat er daarbij geen verantwoordelijkheden op haar rustten.

4.21.

De rechtbank gaat voorbij aan dit standpunt van [de VOF c.s.] Zelfs als het [eiser] duidelijk moet zijn geweest dat de waarde van zijn opstal en inboedel pas kon worden vastgesteld als hij de gevraagde facturen aan [partij B] zou aanleveren (wat [eiser] overigens gemotiveerd heeft betwist), ontsloeg dat [X] niet van zijn verplichting om te bewerkstelligen dat de taxatie zou worden afgerond. Alleen dan kon hij immers zorgen voor voldoende verzekeringsdekking. Om die reden had hij er ofwel bij [eiser] op moeten aandringen dat hij de gevraagde bonnen aan [partij B] zou aanleveren, of had hij bij [partij B] moeten informeren waarom hij zijn werk nog altijd niet had afgerond. In plaats daarvan heeft [X] in de periode tussen 2 november 2015 en eind april / begin mei 2016 (en pas nadat [eiser] hem had gevraagd hoe het ervoor stond met de taxatie) geen enkele actie ondernomen. Hij heeft noch bij [eiser] , noch bij [partij B] geïnformeerd naar de stand van zaken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [X] daarmee niet de zorg betracht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend assurantietussenpersoon mag worden verwacht.

tussenconclusie: het aan [de VOF c.s.] te maken verwijt

4.22.

In het licht van het vorenstaande stelt de rechtbank vast dat [de VOF c.s.] kan worden verweten dat [X] in de periode tussen november 2015 en april 2016 geen enkele actie ondernam, toen het taxatierapport van [BV II c.s.] uitbleef. Daardoor bleef onduidelijk of de dekking van de verzekering voldoende was (en bleek later dat dit niet het geval was).

causaal verband

4.23.

[de VOF c.s.] betwist dat er een causaal verband bestaat tussen de fout van [X] en de schade van [eiser] . Zij voert aan dat niet vaststaat dat het taxatierapport vóór de brand zou zijn afgerond, als [X] eerder navraag had gedaan naar de stand van zaken. Uit mededelingen van [eiser] na de brand zou volgens [de VOF c.s.] blijken dat [eiser] andere prioriteiten had dan het aanleveren van bonnen aan [partij B] .

4.24.

De rechtbank gaat hieraan voorbij. [eiser] heeft erkend dat hij in oktober 2015 in beslag werd genomen door zijn verhuizing en in mei 2016 door de geboorte van zijn kind. Niettemin heeft [de VOF c.s.] niet inzichtelijk gemaakt waarom [eiser] – als [X] hem zou hebben gewezen op het belang daarvan – tussen november 2015 en mei 2016 geen actie zou hebben ondernomen om de gevraagde bonnen aan [partij B] aan te leveren. Hij heeft bovendien door stil te zitten (en er niet op aan te dringen dat [eiser] de bonnen zou aanleveren) [eiser] de gelegenheid ontnomen om [partij B] tijdig van de benodigde informatie te voorzien.

4.25.

Ook het verweer van [de VOF c.s.] dat de schade in redelijkheid niet aan de beroepsfout van [X] kan worden toegerekend, wordt verworpen. [de VOF c.s.] heeft in dit verband aangevoerd dat het voor haar niet voorzienbaar was dat de schade zo groot zou zijn. Anders dan [de VOF c.s.] lijkt aan te nemen, is echter de omvang van de schade niet van belang voor de vraag of deze in redelijkheid aan [de VOF c.s.] kan worden toegerekend. Doordat [X] , anders dan van hem mocht worden verwacht, de taxatie niet adequaat heeft opgevolgd, is het risico ontstaan dat [eiser] onderverzekerd zou zijn. Dat risico heeft zich in dit geval verwezenlijkt. De enkele omstandigheid dat [X] geen aanleiding had te vermoeden dat de onderverzekering zo groot zou zijn, doet er niet aan af dat de daardoor veroorzaakte schade aan [de VOF c.s.] kan worden toegerekend.

4.26.

Dit betekent dat de rechtbank ervan uitgaat dat de schade het gevolg is van het handelen van [de VOF c.s.]

de verwijten van [de VOF c.s.] aan het adres van [BV II c.s.]

4.27.

Tussen [de VOF c.s.] en [BV II c.s.] is niet in geschil dat tussen [eiser] en [BV II] een overeenkomst van opdracht is ontstaan, die inhield dat [BV II] op verzoek van [eiser] diens opstal in inboedel zou taxeren. Dit betekent dat [BV II] in de uitoefening van haar werkzaamheden voor [eiser] de zorg van een goed opdrachtnemer in acht moest nemen.

4.28.

Nu [partij B] namens [BV II] de taxatieopdracht heeft uitgevoerd, moet worden beoordeeld of [partij B] heeft gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam taxateur onder deze omstandigheden mocht worden verwacht. Daarbij is in de rechtspraak uitgemaakt dat een taxateur niet alleen moet beschikken over de nodige vakbekwaamheid, maar dat hij ook de juiste mate van zorg moet betrachten ten opzichte van zijn klant. Daarnaast moet hij zelf beoordelen welke werkzaamheden hij moet ondernemen om de belangen van zijn klant te bedienen en mag hij zich daarbij niet beperken tot de werkzaamheden die hem uitdrukkelijk zijn opgedragen. Tot slot is in de rechtspraak bepaald dat een taxateur er rekening mee moet houden dat ook anderen dan zijn opdrachtgever belang hebben bij een juiste uitvoering van zijn werkzaamheden. Dit betekent dat een taxateur zich bij het verrichten van zijn werk óók rekenschap moet geven van de belangen van derden.

4.29.

[de VOF c.s.] stelt dat [BV II c.s.] in de uitoefening van haar taak als taxateur tekort is geschoten, dan wel onzorgvuldig heeft gehandeld. [de VOF c.s.] stelt in dit verband:

  • -

    a) dat [partij B] na het bezoek op 24 september 2015 niet aan [X] kenbaar heeft gemaakt dat zowel de herbouwwaarde van de woning als de waarde van de inboedel de verzekerde som oversteeg, terwijl [partij B] bij uitstek ter zake kundig is;

  • -

    b) dat [partij B] heeft nagelaten een taxatierapport op te stellen.

ad a: niet adviseren tot verhogen verzekerde som

4.30.

Vast staat dat [partij B] op de hoogte was van de hoogte van de verzekerde sommen, te weten € 1.579.000 voor de opstal en € 155.500 voor de inboedel. Ook staat vast dat [partij B] tijdens zijn bezoek aan de woning heeft geconstateerd dat de woning hoogwaardig was afgewerkt met luxueuze en bijzondere materialen, dat er veel op maat gemaakte inbouwmeubels aanwezig waren, dat er in de hal van de woning een kunstwerk stond, dat er veel luxueuze kleding aanwezig was en dat er een grote hoeveelheid (professionele) elektronische apparatuur in de woning stond.

4.31.

Ter terechtzitting hebben [eiser] en [de echtgenote] toegelicht dat er in hun slaapkamer een Hästens bed stond, dat er in de woning handgemaakte gordijnen van paardenhaar hingen, dat er een compleet ingerichte fitnessruimte en bioscoop waren en dat zij beschikten over een inloopkast met een grote hoeveelheid designerkleding. Op de foto’s die [eiser] en [BV II c.s.] in het geding hebben gebracht, is bovendien een goed gevulde klimaatkast met wijn en champagne en een grote hoeveelheid luxueuze haar- en huidverzorgingsproducten te zien. Op de door [eiser] in het geding gebrachte inboedellijst, behorend bij de akte van taxatie, staat een grote hoeveelheid kleding van merken als Armani, Hugo Boss, Dolce & Gabbana, Moncler, Prada en Oger en schoenen van merken als Santoni, Prada, Gucci en Balenciaga. Hoewel deze inboedellijst is ingebracht in de hoofdzaak en deze ter zitting niet uitputtend is besproken, gaat de rechtbank er – mede nu [partij B] zelf heeft toegelicht dat [eiser] en [de echtgenote] veel designerkleding bezaten – vanuit dat deze lijst in ieder geval indicatief is voor de hoeveelheid en het soort kleding dat [partij B] tijdens zijn taxatiebezoek heeft aangetroffen.

4.32.

Kortom: [partij B] heeft tijdens zijn taxatiebezoek kunnen vaststellen dat de woning niet alleen zeer hoogwaardig was afgewerkt en was voorzien van bijzondere (inbouw) meubels, maar ook dat deze luxueus was aangekleed en dat [eiser] en [de echtgenote] veel dure gebruiksvoorwerpen bezaten.

4.33.

Hoewel [partij B] heeft gesteld dat hij niet heeft ingeschat dat de inboedel onderverzekerd was, kan naar het oordeel van de rechtbank van een taxateur worden verlangd dat hij in staat is de waarde van een inboedel grofweg in te schatten. Het verschil tussen de verzekerde som van € 155.500 en de uiteindelijk vastgestelde waarde van € 514.043,34 is zó groot dat [partij B] – ook als de inboedel van [eiser] zo complex was dat [partij B] de precieze waarde niet onmiddellijk kon vaststellen – wel moet hebben kunnen inschatten dat de inboedel hoogstwaarschijnlijk onderverzekerd was. Hij heeft niettemin nagelaten [eiser] of [X] daarop te attenderen. Hoewel [de VOF c.s.] terecht heeft aangevoerd dat het niet de taak is van een taxateur om de verzekerde sommen vast te stellen (dat is immers de verantwoordelijkheid van de tussenpersoon), kon in dit geval wel van [partij B] worden verlangd dat hij actie zou ondernemen naar aanleiding van de (op zijn minst ernstige vermoedens van) onderverzekering van de inboedel. Dit kon hij doen door bijvoorbeeld [eiser] en/of [X] te informeren over zijn vermoedens dat sprake was van onderverzekering van de inboedel, of door in ieder geval zijn taxatierapport spoedig op te stellen (zie hierna onder b.).

4.34.

Dat ligt anders voor wat betreft de opstal. De stellingen van [eiser] zijn onvoldoende om te kunnen vaststellen dat [partij B] tijdens het taxatiebezoek op 24 september 2015 heeft kunnen of moeten zien, dat ook de opstal onderverzekerd was. Het verschil tussen de verzekerde som van de opstal van € 1.579.000 en de uiteindelijk vastgestelde herbouwwaarde van € 1.931.892 is ook niet zodanig dat alleen al op basis daarvan kan worden aangenomen dat [partij B] de onderverzekering op het oog had kunnen vaststellen. Dat geldt temeer nu [partij B] ter zitting (onweersproken) heeft gesteld dat hij meer informatie wenste te ontvangen over de zogenoemde “e-domotica” (huisautomatisering), die leidt tot een waardeverhoging van de opstal, maar dat [eiser] die informatie niet heeft verstrekt.

ad b: niet opstellen taxatierapport

4.35.

Vast staat dat aan [BV II] de opdracht is gegeven een taxatierapport op te stellen, maar dat dit rapport er niet is gekomen. [de VOF c.s.] en [BV II c.s.] zijn het erover eens, dat [partij B] voor het finaliseren van zijn rapport input nodig had van [eiser] in de vorm van facturen, maar dat [eiser] die facturen niet heeft aangeleverd.

4.36.

[BV II c.s.] heeft zich op het standpunt gesteld dat het niet haar taak is om onophoudelijk te vragen naar de gegevens die zij nodig heeft om een taxatierapport op te stellen, als haar opdrachtgever die gegevens niet aanlevert. Dat is de rechtbank met [BV II c.s.] eens. Niettemin ligt het naar het oordeel van de rechtbank in zo’n geval wél op de weg van een taxateur om zijn klant erop te wijzen dat hij nog wacht op gegevens, en dat hij zijn werk anders neerlegt. Dat geldt te meer in een geval als dit, waarin de taxateur weet of op zijn minst ernstige vermoedens moet hebben dat er sprake is van een forse onderverzekering.

4.37.

[partij B] heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat hij [eiser] na het taxatiebezoek één of twee keer heeft geprobeerd te bellen, en dat hij daarna een afwachtende houding heeft aangenomen. Vast staat dat [partij B] de voicemail van [eiser] niet heeft ingesproken en ook niet op andere wijze contact heeft gezocht. Ook heeft hij [eiser] niet gemeld dat hij zijn werkzaamheden zonder de facturen niet zou kunnen afronden. Daarmee heeft [partij B] naar het oordeel van de rechtbank onzorgvuldig gehandeld jegens [eiser] . Nu [partij B] op zijn minst aanleiding had te veronderstellen dat er sprake was van een forse onderverzekering van de inboedel, kon van hem meer worden verwacht dan het plegen van één of twee (onbeantwoorde) telefoontjes in zeven maanden tijd, zonder daarbij een bericht achter te laten en/of [eiser] te attenderen op de mogelijke onderverzekering.

tussenconclusie: het aan [BV II c.s.] te maken verwijt

4.38.

In het licht van het vorenstaande heeft [partij B] onzorgvuldig gehandeld door na 24 september 2015 geen actie te ondernemen, terwijl hij wist of moet hebben geweten dat de inboedel fors onderverzekerd was. Gelet op die wetenschap had [partij B] [eiser] en/of [X] direct moeten wijzen op de mogelijke onderverzekering, of had hij in ieder geval niet achterover mogen leunen, toen [eiser] de gevraagde facturen niet aanleverde. Daarmee heeft [partij B] onzorgvuldig gehandeld jegens [eiser] . [de VOF c.s.] en [BV II c.s.] zijn het erover eens dat dit betekent dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade van [eiser] .

causaal verband

4.39.

[BV II c.s.] betwist dat er een causaal verband bestaat tussen haar tekortkoming en de schade van [eiser] . Zij voert aan dat de schade van [eiser] niet het gevolg is van het tekortschieten van [partij B] , maar dat deze is veroorzaakt doordat [eiser] de gevraagde gegevens niet heeft aangeleverd en [de VOF c.s.] de verzekerde sommen niet heeft verhoogd.

4.40.

De rechtbank passeert dit standpunt. [BV II c.s.] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat [eiser] – wanneer [partij B] hem duidelijk zou hebben laten weten dat hij zonder de gevraagde gegevens zijn werk niet kon doen – zou hebben nagelaten de gevraagde facturen aan te leveren. Evenmin heeft [BV II c.s.] duidelijk gemaakt waarom [de VOF c.s.] geen actie zou hebben ondernomen, wanneer [partij B] zijn taxatierapport zou hebben afgerond. De enkele suggestie van [BV II c.s.] dat [eiser] het taxatierapport wellicht niet aan [de VOF c.s.] zou hebben opgestuurd of dat [de VOF c.s.] vervolgens niets zou hebben gedaan, is in dit verband onvoldoende. Dit geldt temeer nu moet worden aangenomen dat uit het taxatierapport van [partij B] zou blijken dat [eiser] fors onderverzekerd was. Bij die stand van zaken valt niet in te zien waarom [eiser] en/of [X] geen actie zou ondernemen na ontvangst van het taxatierapport van [partij B] .

eigen schuld van [eiser] ?

4.41.

[de VOF c.s.] en [BV II c.s.] hebben zich op het standpunt gesteld dat de onderverzekering (op zijn minst mede) het gevolg is van omstandigheden die aan [eiser] kunnen worden toegerekend. Zij hebben in dit verband het volgende aangevoerd:

  • -

    a) [eiser] heeft verzuimd [X] te informeren over de aanschaf van nieuwe, op maat gemaakte meubelen en heeft niet verteld dat hij van alle zaken het duurste had;

  • -

    b) [eiser] heeft geen bonnen aan [partij B] aangeleverd, terwijl hij wist dat het taxatierapport alleen kon worden opgesteld als [partij B] zou beschikken over facturen;

  • -

    c) [eiser] wist wat de verzekerde sommen waren, maar heeft nooit gezegd dat deze ontoereikend waren;

  • -

    d) [eiser] was onbereikbaar toen [partij B] probeerde contact met hem te leggen;

  • -

    e) [eiser] heeft (naar de rechtbank begrijpt: na 4 mei 2016) vier weken gewacht voordat hij contact opnam met [partij B] .

ad a: niet mededelen van prijs verbouwing en nieuwe inboedelgoederen

4.42.

Gelet op de gemotiveerde betwisting door [eiser] , hebben [de VOF c.s.] en [BV II c.s.] onvoldoende gesteld ter onderbouwing van hun standpunt dat [eiser] hen niet heeft verteld dat hij nieuwe, op maat gemaakte meubels had en dat hij van alles het duurste in huis had. Dat [eiser] geheimzinnig heeft gedaan over de prijs van zijn spullen ligt, gelet op het doel van de taxatie en het belang van [eiser] bij een goede waardebepaling van zijn woning en inboedel, ook niet voor de hand. Bovendien behoort het nu juist tot de expertise van [partij B] om de waarde van de opstal en de inboedel vast te stellen en heeft hij ter zitting erkend dat hij het verschil tussen een normale inboedel en een dure inboedel kan zien.

ad b: niet aanleveren van bonnen

4.43.

Vast staat dat partijen tijdens het bezoek op 24 september 2015 hebben afgesproken dat [eiser] de facturen van zijn verbouwing en meubels zou aanleveren, maar dat hij dit heeft nagelaten. [eiser] heeft betwist dat het hem duidelijk was dat [partij B] de taxatie niet zou kunnen afronden als hij de bonnen niet kreeg. Wat daar ook van zij: vast staat dat [eiser] de op 24 september 2015 gemaakte afspraak niet is nagekomen, wat hem kan worden verweten. Daar staat tegenover dat [X] (afgezien van één whatsapp-je op 2 november 2015) en [partij B] (afgezien van twee onbeantwoorde telefoontjes, zonder daarbij een voicemailbericht achter te laten) [eiser] niet hebben herinnerd aan de gemaakte afspraak. Ook hebben zij hem niet geïnformeerd over, dan wel herinnerd aan, het belang van die bonnen. Omdat [X] en [partij B] professionele partijen zijn weegt het aan hen te maken verwijt zwaarder dan het verwijt aan het adres van [eiser] , zoals hierna in 4.50 en 4.51 tot uitdrukking komt.

ad c: niet “aanslaan” op verzekerde sommen

4.44.

Tussen partijen staat vast dat [eiser] wist voor welke bedragen de opstal en zijn inboedel verzekerd waren. [eiser] heeft in ieder geval op 14 februari 2014, 3 juli 2015 en 4 mei 2016 een polisblad ontvangen (zie 2.3, 2.8 en 2.15). Daarnaast heeft [X] [eiser] op 14 februari 2014 en 26 april 2016 per e-mail geïnformeerd over de verzekerde bedragen (zie 2.3en 2.13). [eiser] is degene die (samen met [de echtgenote] ) de inboedel heeft aangeschaft en dus moet hij bij uitstek hebben geweten wat die inboedel ongeveer waard was. Hij moet dus ook hebben geweten dat de inboedel was verzekerd tegen een lager bedrag dan hij daarvoor had uitgegeven. Het lag naar het oordeel van de rechtbank op de weg van [eiser] om dat tegen [X] te zeggen, maar dat heeft hij nagelaten. [eiser] is een door de wol geverfd ondernemer die blijkens zijn mails, meer dan de gemiddelde particulier, verstand heeft van verzekeren. Uit die e-mails blijkt ook dat [eiser] zich bewust is van het belang van een voldoende verzekeringsdekking. [eiser] kan worden verweten dat hij, in de wetenschap wat hij ongeveer aan zijn inboedel had uitgegeven, nooit aan [de VOF c.s.] heeft gezegd dat de verzekerde som van € 155.500 bij lange na niet genoeg zou zijn. Op die manier heeft hij [X] de mogelijkheid ontnomen om de verzekerde som voor de inboedel alvast te verhogen.

4.45.

Dit verwijt geldt niet ten aanzien van de dekking voor de opstal: gesteld noch gebleken is dat [eiser] wist (of had moeten weten) dat ook de verzekerde som voor de opstal onvoldoende was.

ad d: niet opnemen telefoon

4.46.

Voor zover [de VOF c.s.] en [BV II c.s.] [eiser] hebben verweten dat hij onbereikbaar was toen [partij B] hem probeerde te bellen, gaat de rechtbank daaraan voorbij. Vast staat dat [partij B] [eiser] in een periode van zeven maanden één of twee keer (met een afgeschermd nummer) heeft gebeld, en dat hij geen voicemailbericht heeft achtergelaten toen hij [eiser] niet te pakken kreeg. De enkele omstandigheid dat [eiser] één of twee afgeschermde telefoontjes niet heeft opgenomen, is onvoldoende voor een geslaagd beroep op eigen schuld.

ad e: niet onmiddellijk contact opnemen met [partij B]

4.47.

Tot slot voeren [de VOF c.s.] en [BV II c.s.] aan dat [eiser] , nadat [X] hem op 4 mei 2016 vroeg contact op te nemen met [partij B] (zie 2.17), onnodig lang heeft gewacht voordat hij contact opnam met [partij B] (namelijk pas op 31 mei 2016, zie 2.18). Hoewel ook dit traject geen schoonheidsprijs verdient, valt de door [eiser] veroorzaakte vertraging van een kleine vier weken in het niet bij het lange stilzitten van [X] en [partij B] . Daarbij komt dat noch de reactie van [X] (“zou het toch wel prettig vinden als de taxatie gedaan zou worden”, zie 2.13) noch de reactie van [partij B] (“ik pak het volgende week op”, zie 2.16) [eiser] enige aanleiding gaf te veronderstellen dat hij haast moest maken met het plannen van een afspraak. De vertraging die is ontstaan in de periode tussen 4 en 31 mei 2016, rechtvaardigt dus niet een beroep op eigen schuld.

tussenconclusie: eigen schuld van [eiser]

4.48.

In het licht van het vorenstaande stelt de rechtbank vast dat de schade deels is ontstaan door aan [eiser] toe te rekenen omstandigheden. [eiser] heeft, hoewel hij dat op 24 september 2015 wel had toegezegd, nagelaten facturen van de verbouwing en zijn inboedel aan [partij B] aan te leveren. Daarnaast heeft hij nooit aan [X] gezegd dat zijn inboedel veel meer waard was dan de verzekerde som.

Causale afweging en billijkheidscorrectie

4.49.

Nu aan alle drie de betrokken partijen een verwijt kan worden gemaakt van het ontstaan van de schade van [eiser] , moet de rechtbank beoordelen in welke verhouding de aan hen toe te rekenen omstandigheden aan die schade hebben bijgedragen. Daarbij moet een onderscheid worden gemaakt tussen de onderverzekering van de opstal en die van de inboedel.

4.50.

Ten aanzien van de opstal acht de rechtbank het aan [de VOF c.s.] te maken verwijt (het niet opvolgen van de taxatie), afgezet tegen de fout van [BV II c.s.] (het niet rappelleren van [eiser] en het niet opstellen van een het taxatierapport) en de aan [eiser] toe te rekenen nalatigheid (het niet aanleveren van bonnen) het grootst. Het was immers de verantwoordelijkheid van [de VOF c.s.] om te zorgen voor een goede verzekeringsdekking, waarvoor het taxatierapport van [partij B] nodig was. [partij B] en [eiser] hadden geen aanleiding te veronderstellen dat de opstal onderverzekerd was, maar zij hadden niettemin adequater moeten handelen na het bezoek van [partij B] op 24 september 2015. Voor [partij B] geldt dat daarbij aan hem als professional hogere eisen kunnen worden gesteld dan aan [eiser] , temeer nu [X] en [partij B] [eiser] niet hebben gewezen op (dan wel herinnerd aan) het belang van de door hem aan te leveren bonnen. De rechtbank is van oordeel dat de fouten van [de VOF c.s.] , [BV II c.s.] en [eiser] tot elkaar staan in de verhouding 6:3:1. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een andere verdeling op grond van, kort gezegd, de billijkheidscorrectie van artikel 6:101 lid 1 BW. Dit betekent dat van de schade als gevolg van de onderverzekering van de opstal, 60% door [de VOF c.s.] moet worden gedragen en 30% door [BV II c.s.] De overige 10% blijft voor rekening van [eiser] .

4.51.

Dat is anders voor de schade als gevolg van de onderverzekering van de inboedel. Daarbij wegen naar het oordeel van de rechtbank de fout van [de VOF c.s.] (het niet opvolgen van de taxatie), die van [BV II c.s.] (het niet adequaat handelen na het taxatiebezoek, in de wetenschap dat sprake was van een forse onderverzekering) en die van [eiser] (het niet aanleveren van bonnen én het niet signaleren van de onvoldoende verzekeringsdekking) even zwaar. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een andere verdeling op grond van de billijkheidscorrectie. Dat betekent dat van dit gedeelte van de schade 1/3e deel voor rekening komt van [de VOF c.s.] , 1/3e deel voor rekening van [BV II c.s.] en dat 1/3e deel [eiser] zelf moet worden gedragen.

de schade

4.52.

Tussen partijen is niet in geschil dat de omvang van de schade nog onvoldoende is uitgekristalliseerd. Zo is nog onduidelijk of [eiser] een gedeelte van de brandschade – die vermoedelijk is ontstaan door een fout van de aannemer – van de aannemer vergoed zal krijgen. Partijen hebben de rechtbank daarom gevraagd hen in de gelegenheid te stellen zich nader uit te laten over de omvang van de schade. De rechtbank zal de hoofdzaak daartoe verwijzen naar de rolzitting van 27 maart 2019 voor het nemen van een akte door [eiser] . Vervolgens zal [de VOF c.s.] op de rolzitting van 24 april 2019 een antwoordakte kunnen nemen in de hoofdzaak, en een akte in de vrijwaringsprocedure. Tot slot zal [BV II c.s.] op 22 mei 2019 een antwoordakte mogen nemen. Vervolgens zal worden bezien of een nieuwe mondelinge behandeling wordt bepaald, of dat eindvonnis zal worden gewezen.

4.53.

In afwachting van de te nemen aktes, zullen alle beslissingen worden aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

in de hoofdzaak

5.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 27 maart 2019 voor het nemen van een akte door [eiser] over hetgeen is vermeld onder 4.52, waarna [de VOF c.s.] op de rol van 24 april 2019 een antwoordakte kan nemen,

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan,

in de zaak in vrijwaring

5.3.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 24 april 2019 voor het nemen van een akte door [de VOF c.s.] over hetgeen is vermeld onder 4.52, waarna [BV II c.s.] op de rol van 22 mei 2019 een antwoordakte kan nemen,

5.4.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Brandt en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2019.