Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:1565

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-02-2019
Datum publicatie
12-04-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 1972 en AWB-18_1974
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft een Limited Liability Partnership opgericht naar het recht van het Verenigd Koninkrijk. De resultaten van de LLP heeft eiser aangegeven als belastbare winst uit onderneming.

In geschil is of de LLP voor de Nederlandse belastingheffing als een transparant lichaam kwalificeert. De rechtbank is van oordeel dat de LLP de kenmerken van een kapitaalvennootschap heeft

die volgen uit het arrest van de Hoge Raad van 2 juni 2016, ECLI:NL:HR:2006:AX2034. Uitgaande van een kapitaalvennootschap is de LLP voor de Nederlandse belastingheffing dus niet transparant.

De resultaten van de LLP moeten dan ook worden betrokken in de vennootschapsbelasting en niet in de aanslagregeling van eiser zelf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 12-04-2019
FutD 2019-1040
V-N Vandaag 2019/863
NTFR 2019/1279 met annotatie van mr.drs. A.J. van den Bos
V-N 2019/42.2.1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummers: SGR 18/1972 en SGR 18/1974

uitspraak van de meervoudige kamer van 26 februari 2019 in de zaken tussen

[eiser], te [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. J.M. van Beusekom),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor de jaren 2014 en 2015 aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Tevens is bij gelijktijdig gegeven beschikkingen belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij afzonderlijke uitspraken op bezwaar van 6 februari 2018 de aan eiser opgelegde aanslagen IB/PVV alsmede de beschikkingen belastingrente gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

W. van Zomeren MSc, C. Vrijland en mr. M.J.B. Guiljam.

Overwegingen

Feiten

1. Op 10 april 2014 hebben eiser en [A] ([A]) een Limited Liability Partnership opgericht naar het recht van het Verenigd Koninkrijk met de naam

“[LLP]” (LLP).

2. Op 10 april 2014 is eveneens het “Register of Members and Contribution” (Register) vastgesteld. Hieruit volgt dat eiser en [A] bij oprichting optraden als leden van de LLP met een participatiepercentage van onderscheidenlijk 80 % en 20 %.

3. De activiteiten van de LLP werden vanuit Nederland verricht en hebben volgens de omschrijving in het Handelsregister bestaan uit het drijven van een evenementenbureau dat gespecialiseerd is in het realiseren en uitvoeren van buitenlandse tours en evenementen voor multiculturele doelgroepen, deels onder de handelsnaam “Royal Toucan”.

4. Met ingang van 18 september 2015 is A.O.S Ramazan (Ramazan) in de plaats van [A] als lid van de LLP aangetreden.

5. Per 14 juni 2016 is de LLP wegens opheffing uitgeschreven uit het handelsregister.

6. Eiser heeft in de aangiftes IB/PVV over de jaren 2014 en 2015 een loon uit dienstbetrekking aangegeven van respectievelijk € 41.292 en € 34.629 alsmede een belastbare winst uit onderneming van respectievelijk -/- € 36.042 en -/- € 60.830. De voorlopige aanslagen IB/PVV 2014 en 2015 zijn vastgesteld conform de aangiftes.

7. Naar aanleiding van een in 2017 bij eiser ingesteld boekenonderzoek heeft verweerder geconcludeerd dat de LLP als een niet transparant lichaam dient te worden aangemerkt, zodat de fiscale resultaten bij de LLP in de heffing van vennootschapsbelasting betrokken dienen te worden.

8. Verweerder heeft vervolgens de door eiser aangegeven verliezen uit onderneming bij de aanslagregeling gecorrigeerd en definitieve aanslagen IB/PVV 2014 en 2015 aan eiser opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van respectievelijk € 41.292 en

€ 34.629. Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen heeft verweerder over 2014 € 1.175 en over 2015 € 531 aan belastingrente in rekening gebracht.

Geschil

9. In geschil is of verweerder terecht en naar de juiste bedragen de aanslagen IB/PVV 2014 en 2015 heeft opgelegd en de beschikkingen belastingrente heeft gegeven. Meer specifiek is in geschil het antwoord op de vraag of de LLP voor de Nederlandse belastingheffing als een transparant lichaam kwalificeert. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord is in geschil het antwoord op de vraag of de activiteiten van eiser als een bron van inkomen kunnen worden aangemerkt en, zo ja, of sprake is van winst uit onderneming en of eiser heeft voldaan aan het urencriterium voor de starters- en zelfstandigenaftrek.

10. Eiser neemt primair het standpunt in dat de LLP als transparant moet worden aangemerkt en dat de activiteiten van de LLP een bron van inkomen vormen voor eiser. In aanvulling daarop heeft eiser ter zitting gesteld dat hij belastbare winst geniet als een medegerechtigde als bedoeld artikel 3.3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001, dat dientengevolge de MKB-winstvrijstelling niet op hem van toepassing is en dat hij gerechtigd is tot 100 % van de winst. Daarnaast heeft eiser ter zitting gesteld dat uit de reeds door hem aan verweerder overgelegde urenregistratie blijkt dat hij voldoet aan het urencriterium. Zo de LLP moet worden aangemerkt als een kapitaalvennootschap, heeft eiser ter zitting subsidiair nog het standpunt ingenomen dat verweerder in dat geval rekening dient te houden met de verkrijgingsprijs van het aanmerkelijk belang.

11. Verweerder heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de LLP in casu vergelijkbaar is met een kapitaalvennootschap en derhalve niet transparant. Subsidiair stelt verweerder dat de activiteiten van de LLP niet als een bron van inkomen kunnen worden aangemerkt. Meer subsidiair stelt verweerder zich op standpunt dat wanneer de activiteiten wel als een bron van inkomen kunnen worden aangemerkt, de behaalde resultaten dienen te worden gekwalificeerd als resultaat uit overige werkzaamheden waarbij geldt dat eiser 80 % van het resultaat ten laste van zijn inkomen kan brengen. Nog meer subsidiair stelt verweerder dat wanneer sprake zou zijn van winst uit onderneming, eiser niet heeft voldaan aan het urencriterium zodat hij geen recht heeft op de ondernemersfaciliteiten.

Beoordeling van het geschil

12. De LLP is een buitenlands samenwerkingsverband. In het Besluit van

11 december 2009, nr. CPP 2009/519M, Stcrt. 2009, 19749 (het Besluit), heeft de Staatssecretaris van Financiën een toetsingskader opgenomen aan de hand waarvan de vraag kan worden beantwoord of een buitenlands samenwerkingsverband voor de Nederlandse belastingheffing als een transparant of als een zelfstandig lichaam moet worden aangemerkt.

13. De toepassing van het Besluit is tussen partijen niet in geschil en ook de rechtbank zal aan dat Besluit toetsen.

14. In het Besluit is in par. 3.2. onder meer vermeld dat ingeval een lichaam transparant is, dit betekent dat de resultaten worden toegerekend aan de participanten. Als een lichaam niet transparant is, worden de resultaten toegerekend aan het samenwerkingsverband. In par. 3.3. is het toetsingskader daarvoor verder als volgt uitgewerkt.

“3.3. Toetsingskader

(A) Kan het samenwerkingsverband de juridische eigendom hebben van de

vermogensbestanddelen waarmee het de activiteiten uitoefent?

(…)

(B) Zijn alle participanten beperkt aansprakelijk voor de schulden en de andere

verplichtingen van het samenwerkingsverband?

(…)

(C) Heeft het samenwerkingsverband een in aandelen verdeeld kapitaal in civielrechtelijke

zin, dan wel kan het kapitaal in maatschappelijke zin gelijkgesteld worden met een in

aandelen verdeeld kapitaal?

(…)

(D) Kan er, buiten het geval van vererving of legaat, toetreding of vervanging van

participanten plaatsvinden zonder dat toestemming nodig is van alle participanten?

(…)

3.4.

Kapitaalvennootschap of personenvennootschap

(…)

(…) Kapitaalvennootschappen gelden als niet-transparante lichamen.

Van een kapitaalvennootschap in vorenbedoelde zin is in ieder geval sprake:

- indien drie of vier vragen van het toetsingskader bevestigend beantwoord zijn; of

- in gevallen waarin vaststaat dat de aansprakelijkheid van alle participanten in een

samenwerkingsverband beperkt is tot hun inleg dan wel de volstortingsverplichting, de

onderneming eigendom is van het samenwerkingsverband en de onderneming ook

overigens niet voor rekening en risico van de participanten wordt gedreven (Hoge Raad,

2 juni 2006, nr. 40.919).”

15. Tussen partijen is niet in geschil dat de vragen A en B van onderdeel 3.3 van het Besluit met ja en vraag D met nee dienen te worden beantwoord. Nu uit de stukken blijkt dat eiser vraag C met nee heeft beantwoord en verweerder beantwoording van vraag C niet relevant heeft geacht en daarom onbeantwoord heeft gelaten, is niet voldaan aan de eerste alternatieve voorwaarde voor het zijn van een kapitaalvennootschap als vermeld in onderdeel 3.4 van het Besluit.

16. Wel is de rechtbank met verweerder van oordeel dat de LLP voldoet aan de andere alternatieve voorwaarde van dit onderdeel. De LLP heeft de kenmerken van een kapitaalvennootschap die volgen uit het arrest van de Hoge Raad van 2 juni 2016, ECLI:NL:HR:2006:AX2034. Vaststaat immers dat de LLP rechtspersoonlijkheid heeft en dat de leden in de LLP slechts tot hun inleg aansprakelijk zijn voor de schulden van de LLP. De rechtbank heeft voorts geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de onderneming van de LLP in de betrokken jaren feitelijk voor rekening en risico van de leden werd gedreven. Een LLP is immers bedoeld om haar leden uit te sluiten van aansprakelijkheid en eiser heeft met hetgeen hij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat de leden in dit geval voor meer aansprakelijk zijn geweest dan hun inbreng. Eiser en Ramazan hebben zich weliswaar persoonlijk borg gesteld voor een ten behoeve van de onderneming van de LLP aangetrokken lening, maar niet gebleken is dat deze persoonlijke borgstelling heeft geleid tot een uitbreiding van hun persoonlijke aansprakelijkheid. Ook de omstandigheid dat eiser en [A] blijkens het Register een resultaatverdeling zijn overeengekomen en eiser de resultaten van de LLP in zijn aangiften IB/PVV 2014 en 2015 heeft verantwoord, maakt niet dat de onderneming van de LLP feitelijk voor rekening en risico van de leden werd gedreven.

17. Op grond van het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat de LLP kwalificeert als een kapitaalvennootschap.

18. Uitgaande van een kapitaalvennootschap is de LLP voor de Nederlandse belastingheffing dus niet transparant. De resultaten van de LLP moeten dan ook worden betrokken in de vennootschapsbelasting en niet in de aanslagregeling van eiser zelf.

Verweerder heeft dan ook de resultaten van de LLP terecht bij eiser gecorrigeerd. Het subsidiaire standpunt van eiser kan de rechtbank evenmin volgen. Weliswaar is aan de verwerving van aanmerkelijk belangaandelen een zogeheten verkrijgingsprijs verbonden, maar die speelt bij de vaststelling van het belastbaar inkomen van eiser over 2014 en 2015 nog geen rol. De aanslagen IB/PVV 2014 en 2015 zijn derhalve tot de juiste belastbare bedragen vastgesteld.

19. Nu de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat de LLP niet transparant is, wordt daarmee niet meer toegekomen aan de vraag of sprake is van een bron van inkomen.

20. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de gegeven beschikkingen belastingrente. Eiser heeft geen afzonderlijke beroepsgronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. Ook anderszins is de rechtbank niet gebleken dat de belastingrente is berekend in strijd met de wettelijke bepalingen of enige andere rechtsregel.

21. Voor zover eiser een beroep doet op schending van het motiveringsbeginsel, is hiervan naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

22. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zullen de beroepen ongegrond worden verklaard.

Proceskosten

23. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. de Hek, voorzitter, en mr. E. Kouwenhoven en

mr. M.C.J.A. Huijgens, leden, in aanwezigheid van mr. H.J. Habetian, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.