Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:1563

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-02-2019
Datum publicatie
03-05-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 1281
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen hoger beroep ingesteld. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 18/1281

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 februari 2019 in de zaak tussen

[eiser], te [Plaats], eiser

en

de staatssecretaris van Defensie, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Damen).

Procesverloop

Bij besluit van 22 maart 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om in aanmerking te komen voor toekenning van de Trouwe Dienst Medaille (TDM) in Goud afgewezen.

Bij besluit van 15 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2019. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen


1. Eiser is per [aanstelling] 1979 als militair aangesteld bij het reservepersoneel, laatstelijk tot aan zijn functioneel leeftijdsontslag (FLO) per 1 september 2017 in de rang van adjudant-onderofficier.

1.2.

Bij het primaire besluit is het verzoek om toekenning van de TMD in Goud afgewezen. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zijn standpunt gehandhaafd. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser als gevolg van een onjuiste berekening op 1 oktober 2002 is onderscheiden met de TDM in Zilver voor 24 jaar trouwe dienst. Bij die berekening is ten onrechte de tijd meegerekend die eiser als reservist niet in werkelijk dienst heeft doorgebracht. Verweerder heeft dit als volgt toegelicht:

“Vóór 9 oktober 2002 werd de diensttijd als reservist niet meegeteld voor de berekening van de diensttijd die bepalend is voor toekenning van de TDM. Op die datum is de zinsnede “waarbij de tijd doorgebracht niet in werkelijke dienst wordt uitgezonderd” uit het Besluit militaire medailles geschrapt (Staatsblad 8 oktober 2002, nr. 496) en werd de diensttijd als reservist voortaan wel meegeteld.

Na publicatie van het Besluit militaire medailles in het Staatsblad is gebleken dat bij de krijgsmachtdelen in sommige gevallen een fout is gemaakt bij de berekening van de diensttijd, waarbij de dienstjaren voorafgaande aan de wijziging van het Besluit militaire medailles als volledige dienstjaren zijn meegeteld. Deze omissie is ook opgetreden bij de toekenning van eisers TDM in Zilver.

Voorts is van belang dat per 1 augustus 2016 de berekening van de TDM in People Soft is uitgebreid met reservisten. Sindsdien worden zij meegenomen in de maandelijkse automatische toekenning van de TDM. Voordien gebeurde dat niet automatisch, maar op aanvraag van het betreffende krijgsmachtdeel. Hierdoor werd in sommige gevallen ten onrechte geen rekening gehouden met een mogelijk eerder door het krijgsmachtdeel foutief betekende TDM. Helaas moet verweerder constateren dat in eisers geval deze omissie is opgetreden.

Beide omissies (ten onrechte volledig meetellen van dienstjaren van voor 9 oktober 2002 en het niet ontdekken daarvan tot 1 augustus 2016) hebben ertoe geleid dat bij de toekenning van de TDM in Zilver ten onrechte de tijd is meegerekend, die eiser als reservist niet in werkelijke dienst heeft doorgebracht. Hierdoor ligt er aan deze onderscheiding een onjuiste berekening ten grondslag. Volgens de juiste berekening zou eiser op 27 januari 2024 zijn TDM in Zilver worden toegekend. Verweerder betreurt deze omissies ten zeerste en biedt eiser hiervoor zijn excuses aan.

Met het bestreden besluit is eiser terecht medegedeeld dat bij de toekenning van de TDM in Goud dient te worden uitgegaan van de juiste berekening. Het kan immers niet zo zijn dat bij de toekenning van de TDM in Goud wordt voortgeborduurd op een foutief berekende TDM in Zilver. Volgens vaste jurisprudentie komt aan een bestuursorgaan in beginsel de bevoegdheid toe om een gemaakte fout te herstellen. Eisers beroep op het rechtszekerheids-, vertrouwens-, of enig ander algemeen beginsel van behoorlijk bestuur staat hieraan niet in de weg.”

2. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert aan dat hij ervan uitging dat hij – nadat hij op 1 oktober 2002 is onderscheiden met de TDM in Zilver – twaalf jaar later op 1 oktober 2014 in aanmerking zou komen voor de TDM in Goud. Tot de kern samengevat voert eiser in beroep aan dat de berekeningsmethode van verweerder onjuist is. Eiser betoogt dat alle tijd die hij heeft doorgebracht als reservist meetelt.

3. De rechtbank overweegt als volgt

3.1.

Het wettelijk kader is opgenomen in de aan deze uitspraak gehechte bijlage.

3.2.

De toelichting bij de wijziging in 2002 van artikel 1 van het Besluit militaire medailles vermeldt dat hiermee wordt beoogd om reservisten beneden de rang van tweede-luitenant die werkelijke dienst verrichten voor de TDM in aanmerking te laten komen. Voorts is vermeld: de “onderhavige wijziging van het Besluit militaire medailles strekt er toe om, naast het beroepspersoneel van de Koninklijke Landmacht, van de Koninklijke Luchtmacht en van de Koninklijke Marechaussee, ook de actieve reservisten en de afroepreservisten van deze krijgsmachtonderdelen, na het volbrengen van een bepaalde periode van eerlijke en trouwe dienst, voor de Trouwe-Dienst-medaille in aanmerking te laten komen”.

3.3.

De rechtbank stelt vast dat voorafgaande aan de wijziging van het Besluit militaire medailles in 2002 het niet mogelijk was om een TDM aan een reservist als eiser toe te kennen. Een reservist als eiser kon na tien jaren worden beloond met een Vrijwilligersmedaille ingevolge het Besluit Vrijwilligersmedaille (Stb. 1958, 288), dat in 1998 is vervangen door het Besluit vrijwilligersmedaille openbare orde en veiligheid (Stb. 1998, 68).

3.4.

De wijziging van het Besluit militaire medailles in 2002 introduceerde derhalve de toekenning van de TDM voor reservisten. Bij deze wijziging zijn geen bepalingen van overgangsrecht opgenomen. Uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 29 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3303, volgt dat, indien niets is bepaald omtrent de werking van een nieuwe wettelijke regel, de hoofdregel van onmiddellijke ofwel exclusieve werking geldt. Dat betekent dat een nieuwe regeling niet slechts van toepassing is op hetgeen na haar inwerkingtreding voorvalt, doch ook op hetgeen bij haar inwerkingtreding bestaat, zoals bestaande rechtsposities en verhoudingen. Een uitleg van artikel 9, vijfde lid, van het Besluit militaire medailles in die zin dat voor de berekening van de diensttijd voor toekenning van een TDM alleen de jaren meetellen die een reservist na 2002 in dienst bij een krijgsmachtonderdeel heeft doorgebracht is niet verenigbaar met het beginsel van onmiddellijke werking. Dit voert de rechtbank tot de conclusie dat het door eiser voorafgaand aan zijn FLO ingediende verzoek om in aanmerking te komen voor toekenning van de TDM in Goud ten onrechte is afgewezen. Het beroep van eiser slaagt en het bestreden besluit moet worden vernietigd.

3.5.

Ofschoon tussen partijen niet in geschil is dat eiser op [datum] 2014 als reservist 36 jaar heeft doorgebracht bij de Koninklijke Landmacht ziet de rechtbank geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien omdat het aan verweerder is te bepalen of eiser ook overigens kwalificeert voor toekenning van de TDM in Goud.

4. Nu de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

5. Eiser heeft verzocht om vergoeding van de reiskosten van € 44,60 en verletkosten van € 141,- voor het bijwonen van de zitting (8 uur).

De rechtbank is van oordeel dat eisers reiskosten in overeenstemming zijn met de vergoeding die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) kan worden verleend en veroordeelt verweerder in deze kosten.

Ten aanzien van de verletkosten overweegt de rechtbank dat ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van het Bpb voor een partij of een belanghebbende in verband met gemaakte verletkosten een tarief wordt vastgesteld dat afhankelijk van de omstandigheden tussen € 7,- en € 84,- per uur ligt.

Nu eiser de verletkosten niet heeft gespecificeerd, is de rechtbank gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 21 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV9516, van oordeel dat slechts plaats is voor vergoeding van het minimumtarief van € 7,- per uur. De rechtbank gaat daarbij gelet op de uitspraak van de Afdeling van 14 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:856 uit van het forfaitair aantal van zes uur per zitting. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen tot vergoeding van de verletkosten van eiser tot een bedrag van € 42,- uitgaande van het forfaitair vastgestelde aantal van zes uur en het minimaal te hanteren uurtarief van € 7,-.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar neemt;

- veroordeelt verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 170,00, alsmede de door eiser gemaakte reis- en verletkosten van € 44,60 respectievelijk
€ 42,00 te vergoeden;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.R. van Veen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
14 februari 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Besluit militaire medailles (zoals dat luidt op datum bestreden besluit)

Artikel 1

1. Na het volbrengen van een eerlijke en trouwe dienst wordt een onderscheiding uitgereikt aan:

a. de militair beneden de rang van tweede-luitenant, die behoort tot het beroepspersoneel van de Koninklijke Landmacht, van de Koninklijke Luchtmacht of van de Koninklijke Marechaussee;

b. de reservist van de onder a. genoemde krijgsmachtdelen beneden de rang van tweede-luitenant, die krachtens een vrijwillige verbintenis verplicht is tot het verrichten van werkelijke dienst.

2 De onderscheiding bestaat uit:

a. een bronzen medaille na 12 jaar dienst;

b. een zilveren medaille na 24 jaar dienst;

c. een gouden medaille na 36 jaar dienst.

Artikel 2

1. Voor de toekenning van de in artikel 1 bedoelde medailles worden voorts vereist, zodanig goed gedrag en zodanig goede plichtsbetrachting gedurende de diensttijd of de aanstelling, als onder eerlijke en trouwe dienst behoort te worden verstaan.

(…)

Artikel 9

1. Het berekenen van de diensttijd tot het verkrijgen van de in artikel 1 van dit besluit bedoelde medailles geschiedt, behoudens de leden 2 tot en met 4 van dit artikel, overeenkomstig het berekenen van de diensttijd tot het verkrijgen van pensioen ingevolge de bij of krachtens de Kaderwet militaire pensioenen vastgestelde bepalingen inzake voor pensioen geldige diensttijd, met dien verstande dat:

(…)

5 De tijd doorgebracht als reservist als bedoeld in artikel 1 wordt – indien deze tijd niet reeds wordt vergolden op grond van het eerste lid – meegeteld op de in het eerste lid aangegeven wijze, als ware die tijd diensttijd tot het verkrijgen van pensioen krachtens de bepalingen van de Algemene militaire pensioenwet.