Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:1537

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-02-2019
Datum publicatie
22-03-2019
Zaaknummer
NL18.24892
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Zwitserland, niet-ontvankelijk, mob

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.24892


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. M. Erik),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R.A.B. van Steijn).

Procesverloop

Bij besluit van 24 december 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.24893, plaatsgevonden op 22 januari 2019. Eiser en gemachtigde zijn, met bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Egyptische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1989.

Eiser heeft op 26 september 2018 een asielaanvraag ingediend. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 29 januari 2018 in Zwitserland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft op 5 oktober 2018 de Zwitserse autoriteiten verzocht om eiser op grond van de Dublinverordening terug te nemen. De Zwitserse autoriteiten hebben middels het claimakkoord van 11 oktober 2018 hiermee ingestemd.

2. De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of eiser procesbelang heeft bij het onderhavige beroep.

3. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van

State, onder meer de uitspraak van 22 januari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:183), geeft een vreemdeling die met onbekende bestemming is vertrokken zonder contact te onderhouden met zijn gemachtigde daarmee te kennen dat hij geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming hier te lande. In dat geval heeft de vreemdeling geen rechtens te beschermen belang bij een inhoudelijke beoordeling van het ingestelde beroep.

4. In het bestreden besluit is opgenomen dat uit informatie van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers en de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel is gebleken dat eiser op 13 december 2018 met onbekende bestemming is vertrokken.

5. In de gronden van beroep heeft de gemachtigde van eiser aangegeven dat eiser op het laatste gesprek niet is verschenen.

6. Omdat de gemachtigde van eiser op 2 januari 2019 te kennen heeft gegeven dat hij en eiser niet ter zitting zullen verschijnen, heeft de rechtbank telefonisch contact met de gemachtigde van eiser opgenomen om te vragen wanneer hij voor het laatst contact met hem heeft gehad en of hij op de hoogte is van zijn verblijfplaats. De gemachtigde heeft te kennen gegeven dat hij de exacte datum van het laatste contact niet wist, maar dat dit in november 2018 was. Waar eiser op dit moment verblijft kon gemachtigde desgevraagd niet aangeven.

7. Nu eiser met onbekende bestemming is vertrokken uit het asielzoekerscentrum, het laatste contact tussen gemachtigde en eiser dateert van vóór het bestreden besluit, zijn gemachtigde niet weet waar hij verblijft en hij ook niet ter zitting is verschenen, neemt de rechtbank aan dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op asielrechtelijke bescherming in Nederland. Niet is gebleken dat eiser desondanks nog belang heeft bij een oordeel van de rechtbank over de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

8. Het beroep zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard wegens het ontbreken van belang.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.E. Maas, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.