Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:1525

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-01-2019
Datum publicatie
26-02-2019
Zaaknummer
AWB 18 / 339 en 18 / 341
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eritrea, nareis, echtgenoot, pleegkinderen, identiteit en relatie met referente niet aannemelijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 18/339 en AWB 18/341

V-nummers: [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3]

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 januari 2019 in de zaak tussen

[naam] , eiser 1,

[naam 2] , eiser 2,

[naam 3] , eiseres,

gezamenlijk te noemen eisers,

gemachtigde: mr. M.C.M. van der Mark,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (en diens rechtsvoorgangers), verweerder.

Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen twee afzonderlijke besluiten van verweerder van
22 december 2017 (de bestreden besluiten).

Verweerder heeft op 11 oktober 2018 twee afzonderlijke verweerschriften ingediend.

De behandeling van de beroepen heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2018. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder is niet ter zitting verschenen. Ter zitting waren aanwezig [naam 4] (referente) en A. Itris (tolk).

De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak eenmaal verlengd.

Overwegingen

1. Eisers hebben gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] , respectievelijk [geboortedatum 2] en [geboortedatum 3] , en de Eritrese nationaliteit te bezitten. Op 26 augustus 2016 heeft referente, de gestelde echtgenote van eiser 1 en gestelde pleegouder/zus van eiser 2 en eiseres, namens hen een aanvraag ingediend tot verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis. Op 5 december 2016 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Daarbij heeft verweerder overwogen dat de identiteit van eisers en hun familierechtelijke relatie met referente niet met documenten zijn aangetoond en dat geen sprake is van bewijsnood. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van hun aanvraag. Verweerder heeft vervolgens eisers bij brief van 6 juli 2017 uitgenodigd voor een identificerend gehoor (ID-gehoor) op de Nederlandse ambassade te Addis Abeba, Ethiopië. Op 7 augustus 2017 heeft een ID-gehoor met eiser plaatsgevonden. Een ID-gehoor met eiser 2 en eiseres heeft niet plaatsgevonden omdat zij nog in Eritrea verblijven. Op 16 oktober 2017 is een ambtelijke hoorzitting gehouden met referente en gemachtigde.

Bij twee afzonderlijke bestreden besluiten zijn de bezwaren van eisers ongegrond verklaard.

Gestelde echtgenoot/eiser 1 (AWB 18/339)

2. Bij het bestreden besluit van eiser 1 heeft verweerder bewijsnood aangenomen ten aanzien van het ontbreken van officiële, identificerende en familierechtelijke documenten en het bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder heeft zijn standpunt gehandhaafd dat eiser zijn identiteit en zijn gestelde huwelijk met referente niet aannemelijk heeft gemaakt. Daarbij heeft verweerder overwogen dat de als indicatief bewijs overgelegde Soedanese vluchtelingenkaart de identiteit van eiser niet aannemelijk maakt, omdat deze is opgesteld op grond van eigen verklaringen van eiser. Daarnaast is de door eiser overgelegde kerkelijke huwelijksakte blijkens de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten van 27 oktober 2017 met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt. Daarnaast hebben eiser en referente op belangrijke punten tegenstrijdige verklaringen afgelegd met betrekking tot hun gestelde huwelijk en samenwoning.

3. Op wat eiser 1 daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Sinds november 2017 hanteert verweerder een nieuw beoordelingskader voor nareisaanvragen. In de uitspraken van 16 mei 20181 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) geoordeeld dat dit kader in overeenstemming is met artikel 11, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn2. Een vreemdeling moet zowel de gestelde familierelatie met de desbetreffende referent als zijn identiteit aantonen met officiële documenten. Indien een vreemdeling stelt dat hij geen officiële documenten kan overleggen, moet hij dit aannemelijk maken. Als die vreemdeling dit aannemelijk heeft gemaakt, betrekt verweerder onofficiële documenten bij zijn beoordeling en kan hij aanvullend onderzoek aanbieden. Als die vreemdeling dit niet aannemelijk heeft gemaakt maar wel één of meer onofficiële documenten heeft overgelegd, betrekt verweerder deze onofficiële documenten bij zijn beoordeling. Deze documenten kunnen verweerder aanleiding geven om de desbetreffende vreemdeling aanvullend onderzoek aan te bieden. Hiervoor is in de eerste plaats vereist dat de onofficiële documenten die die vreemdeling over de gestelde familierelatie heeft overgelegd, substantieel bewijs zijn. In de tweede plaats is vereist dat die vreemdeling, als hij geen officiële documenten heeft overgelegd om zijn identiteit aan te tonen en stelt dat hij geen officiële identiteitsdocumenten kan overleggen, dit met een op de persoon toegespitste verklaring aannemelijk maakt óf substantieel bewijs van zijn identiteit in de vorm van één of meer onofficiële identiteitsdocumenten overlegt. Verweerder biedt echter geen aanvullend onderzoek aan als een contra-indicatie aanwezig is.

5. Vast staat dat eiser 1 geen officiële documenten heeft overgelegd die zijn identiteit kunnen aantonen. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte gesteld dat eiser met de door hem overgelegde Soedanese vluchtelingenkaart niet alsnog zijn identiteit aannemelijk heeft gemaakt. Deze kaart is immers niet door de Eritrese autoriteiten afgegeven en bovendien afgegeven op basis van eisers eigen verklaringen. Daarnaast heeft verweerder niet ten onrechte gesteld dat eiser 1 met de kerkelijke huwelijksakte, waarop zijn naam staat vermeld, evenmin zijn identiteit aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder heeft hierbij terecht gewezen op de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten van 27 oktober 2018. Eiser heeft ter weerlegging van deze verklaring geen contra-expertise overgelegd.

6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd dat eiser 1 zijn gestelde huwelijk met referente evenmin aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder heeft hieraan ten eerste terecht ten grondslag gelegd dat de overgelegde huwelijksakte volgens eerdergenoemde verklaring van onderzoek met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt is. De door eiser 1 in beroep overgelegde kopie van een kerkelijke huwelijksakte van een dorpsgenoot van eiser 1 kan niet afdoen aan de uitkomst van het onderzoek door Bureau Documenten, nu iedere zaak op zijn eigen merites wordt beoordeeld.

Daarnaast heeft verweerder niet ten onrechte tegengeworpen dat de verklaringen van eiser 1 tijdens het ID-gehoor op 7 augustus 2017 op belangrijke punten over het gestelde huwelijk en samenwoning niet overeenkomen met de verklaringen van referente tijdens de hoorzitting op 16 oktober 2017. Zo heeft referente verklaard dat er geen documenten zijn die door de autoriteiten zijn afgegeven en dat het huwelijk niet is ingeschreven bij de lokale autoriteiten, terwijl eiser 1 heeft verklaard dat het huwelijk wel is ingeschreven. Daar komt bij dat hij het document van registratie van het huwelijk niet heeft overgelegd. Verder heeft referente verklaard dat getuige [naam 5] op hun huwelijk een familielid van eiser 1 is, terwijl hij heeft verklaard dat deze getuige familie van referente is, dan wel een dorpsgenoot. Daarnaast heeft eiser 1 verklaard dat er tijdens de huwelijksceremonie ringen zijn uitgewisseld, terwijl referente niet heeft verklaard dat ze een trouwring heeft gekregen. Ook over de duur van de wittebroodsweken en de periode van samenwonen hebben zij niet eenduidig verklaard.

7. De rechtbank volgt niet de stelling van eiser 1 in beroep dat verweerder hem in de gelegenheid had moeten stellen om aanvullingen en correcties op het verslag van het ID-gehoor in te dienen. Er is immers geen rechtsregel die verweerder daartoe verplicht. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 20143. Bovendien heeft eiser 1 tijdens het interview aangegeven op dat moment geen correcties of aanvullingen te hebben en ook geen vragen en/of opmerkingen. Daarnaast heeft eiser 1 de gelegenheid gehad om te reageren op het rapport van het interview. Verweerder heeft immers bij brief van 18 oktober 2017 gewezen op de geconstateerde tegenstrijdigheden, waarop eiser 1 bij brief van 27 oktober 2017 heeft gereageerd.

8. Uit het voorgaande volgt dat verweerder niet ten onrechte heeft geconcludeerd dat eiser 1 zijn identiteit en zijn gestelde huwelijk niet aannemelijk heeft gemaakt.

Gestelde pleegkinderen/eiser 2 en eiseres (AWB 18/341)

9. Bij het bestreden besluit van eiser 2 en eiseres heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat zij hun identiteit en de gestelde pleegouder-pleegkind relatie met referente niet aannemelijk hebben gemaakt.

10. Op wat eiser 2 en eiseres daartegen hebben aangevoerd, wordt hierna ingegaan.

11. Voor het van toepassing zijnde beoordelingskader verwijst de rechtbank naar rechtsoverweging 4.

12. Eiser 2 en eiseres hebben ten eerste in beroep aangevoerd dat verweerder de beslissing op bezwaar had dienen aan te houden, totdat zij in gelegenheid waren zich bij de ambassade te melden voor een ID-gehoor. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat daartoe geen aanleiding bestond, nu hen meer dan voldoende gelegenheid is geboden voor hun uitreis naar de ambassade in Addis Abeba. De periode tussen de uitnodigingsbrief van 6 juli 2017 en het bestreden besluit bedraagt immers 24 weken. Het is de eigen verantwoordelijkheid van eisers om zich beschikbaar te stellen voor onderzoek. Dat zij ten tijde van het bestreden besluit niet beschikbaar waren voor nader onderzoek, komt dan ook voor hun eigen rekening en risico.

13.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder, uitgaande van de wel beschikbare informatie, zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser 2 en eiseres hun identiteit en gestelde pleegkindrelatie met referente niet aannemelijk hebben gemaakt. Verweerder heeft hierbij terecht overwogen dat de overgelegde doopaktes als bewijsmiddel onbruikbaar zijn, nu in beide doopaktes een wijziging is aangebracht in de naam van de grootvader. Verweerder heeft hierbij verwezen naar de verklaring van onderzoek door Bureau Documenten van 27 oktober 2017. Daardoor kan niet worden vastgesteld of de doopaktes naar waarheid zijn ingevuld, gestempeld en afgegeven en of de documenten inhoudelijk juist zijn. Door de wijzigingen is juist twijfel ontstaan.

Daarnaast kunnen de tijdens de hoorzitting overgelegde kopieën van schoolrapporten niet op echtheid worden onderzocht, maar hooguit als een begin van indicatief bewijs van hun identiteit worden beschouwd. Nu er twijfel is over de identiteit, kan de familierechtelijke relatie evenmin wordt gevolgd. Bovendien ontbreken de overlijdensaktes van de biologische ouders van eiser 2 en eiseres, en is er geen voogdijverklaring. De enkele stelling dat zij afkomstig zijn uit een ruraal gebied, heeft verweerder onvoldoende kunnen vinden om aan te nemen dat zij niet over officiële overlijdensaktes kunnen beschikken. Verweerder heeft tot slot terecht in de beoordeling betrokken dat uit de verklaringen van eiser 1 en referente (de gestelde pleegouders) evenmin valt af te leiden dat er sprake is van een pleegouder-pleegkindrelatie. Zij hebben tegenstrijdig verklaard over de plaats en oorzaak van overlijden van de vader van referente en over het ontbreken van andere familieleden in Eritrea.

14. Het beroep van eiser 2 en eiseres op de artikelen 3 en 10 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, de artikelen 7 en 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de artikelen 5, lid 5 en 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn4 , faalt reeds nu dit beroep niet is onderbouwd.

15. Gelet op al het voorgaande zijn de beroepen van eisers ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.Ch. Grazell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2019.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Zie onder meer ECLI:NL:RVS:2018:1508

2 Richtlijn 2003/86/EG

3 ECLI:NL:RVS:2014:2802

4 Richtlijn 2003/86/EG