Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:1506

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-01-2019
Datum publicatie
06-03-2019
Zaaknummer
AWB 18 / 2686
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek opheffing zwaar inreisverbod, 1(F)-er, verblijfsvergunning in Italië, art. 25 SUO, openbare orde, beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 18/2686

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 januari 2019 in de zaak tussen

[naam] , eiser,

gemachtigde: mr. N. Vollebergh,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 16 maart 2018 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft op 16 november 2018 een aanvullend besluit genomen. Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op het aanvullend besluit.

Eiser heeft naar aanleiding van het aanvullend besluit de gronden van beroep aangevuld.

Op 14 december 2018 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 18 december 2018. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als tolk was aanwezig B.M. Arif.

Overwegingen

  1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Iraakse nationaliteit. Eiser verblijft sinds 25 mei 1998 in Nederland. Tijdens zijn eerste asielprocedure is artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag aan hem tegengeworpen. Deze tegenwerping is in rechte vast komen te staan. Op 21 februari 2008 heeft eiser een herhaalde asielaanvraag ingediend, welke is afgewezen onder verwijzing naar het besluit in eisers eerste asielprocedure. Ook deze afwijzing staat in rechte vast.

  2. Op 6 juni 2011 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ‘conform beschikking Minister’. Verweerder heeft die aanvraag afgewezen en daarbij ook een inreisverbod voor de duur van 10 jaar aan eiser opgelegd. Ook dit besluit van verweerder is in rechte vast komen te staan.

  3. Op 14 januari 2015 is eiser door Italië in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning.

  4. Op 3 januari 2017 heeft eiser een aanvraag ingediend tot opheffing van het inreisverbod. Bij besluit van 17 februari 2017 heeft verweerder die aanvraag afgewezen. Op 15 september 2017 heeft verweerder dat besluit echter weer ingetrokken. Vervolgens heeft verweerder op 4 december 2017 de aanvraag ingewilligd, het inreisverbod opgeheven en eiser ongewenst verklaard. Bij het bestreden besluit is eisers bezwaar tegen de ongewenstverklaring gegrond verklaard en het verzoek tot opheffing van het inreisverbod alsnog afgewezen. Onder verwijzing naar het arrest van het Hof van 16 januari 20181 en twee uitspraken van de Afdeling2 stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser niet ongewenst kan worden verklaard. Vervolgens stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor opheffing van het inreisverbod en dat het niet opheffen van het inreisverbod niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM.3 In het aanvullend besluit heeft verweerder – naar aanleiding van het arrest van het Hof van 2 mei 20184 – nader gemotiveerd waarom eiser een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast.

5. Op wat eiser daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.
De rechtbank oordeelt als volgt.

6. Allereerst staat ter beoordeling hoe eisers verblijfsrecht in Italië en het inreisverbod zich tot elkaar verhouden. In het verweerschrift is toegelicht dat eiser vanwege het aan hem opgelegde zwaar inreisverbod stond gesignaleerd in het NSIS.5 In weerwil van die signalering heeft Italië een verblijfsvergunning aan eiser verleend. Pas nadat zij die vergunning hadden verleend, hebben de Italiaanse autoriteiten contact opgenomen met verweerder. Verweerder heeft de Italiaanse autoriteiten op 9 maart 2016 geïnformeerd over de 1(F)-tegenwerping. Italië heeft toen aangegeven op dat moment nog geen aanleiding te zien om de verblijfsvergunning van eiser in te trekken, waarna verweerder de NSIS-signalering heeft omgezet in een OPS-signalering.6

7. In het hiervoor genoemde arrest van 16 januari 2018 heeft het Hof uitleg gegeven aan artikel 25 van de SUO.7 Het doel van het tweede lid van dit artikel is volgens het Hof ‘het voorkomen van een tegenstrijdige situatie waarin een derdelander enerzijds beschikt over een door een overeenkomstsluitende staat afgegeven geldige verblijfstitel en anderzijds ter fine van weigering van toegang gesignaleerd staat in het Schengeninformatiesysteem’. Tussen de betreffende lidstaten dient op grond van dit artikel een overlegprocedure plaats te vinden. Uit punt 58 van het arrest volgt dat als de lidstaat die de verblijfstitel heeft afgegeven besluit om deze niet in te trekken, de andere lidstaat de signalering moet intrekken en deze – indien nodig – moet omzetten naar een signalering op zijn nationale lijst. Door de NSIS-signalering om te zetten in een OPS-signalering heeft verweerder gehandeld in lijn met artikel 25 van het SUO en de uitleg van het Hof. Dit betekent dat verweerder in de verlening van de verblijfsvergunning door Italië geen aanleiding hoefde te zien het inreisverbod op te heffen.

8. Vervolgens is in geschil of verweerder het inreisverbod had moeten opheffen omdat eiser geen gevaar (meer) is voor de openbare orde. Eiser stelt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat het gedrag van eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt.

9. Uit bovengenoemd arrest van 2 mei 2018 volgt dat bij de bepaling of een ‘1(F)-er’ een dergelijke bedreiging vormt, rekening moet worden gehouden met wat is vastgesteld in het besluit tot uitsluiting van de vluchtelingenstatus en met de daaraan ten grondslag liggende aspecten, zoals de aard en de ernst van de aan de vreemdeling verweten misdrijven of gedragingen, de mate waarin hij persoonlijk betrokken was bij die misdrijven of gedragingen en het eventuele bestaan van gronden voor uitsluiting van de strafrechtelijke aansprakelijkheid, zoals dwang of noodweer. Dit onderzoek is te meer noodzakelijk als een strafrechtelijke veroordeling voor de verweten misdrijven of gedragingen ontbreekt, zoals in dit geval. Verder dienen te worden meegewogen: het gedrag van de vreemdeling, het tijdsverloop sinds de verweten gedragingen, de ernst van de gedragingen, het gevaar voor recidive, de specifieke historische en maatschappelijke context waarin het gedrag zich heeft afgespeeld en de vraag of de vreemdeling nog immer een houding aanneemt die fundamentele waarden als de menselijke waardigheid en mensenrechten aantast.8

10. De rechtbank stelt vast dat verweerder, anders dan eiser heeft betoogd, voldoende rekening heeft gehouden met wat is vastgesteld in het besluit tot uitsluiting van de vluchtelingenstatus. Verweerder heeft overwogen dat eiser in verband is gebracht met zeer ernstige misdrijven die een ernstige aantasting van de fundamentele waarden uit artikel 2 en 3 van de VEU vormen. Hij heeft van 1992 tot 1998 vrijwillig bij de Asayish van de KDP gewerkt, waar hij mensenrechtenschendingen heeft gefaciliteerd. Eiser werkte als verhoormedewerker en op basis van zijn rapporten werden mensen overgedragen aan een afdeling waar zij mishandeld en gemarteld werden. Eiser heeft verklaard dat dit de normale gang van zaken was en dat hij mensen heeft horen schreeuwen. Verder heeft verweerder overwogen dat uit de besluitvorming ten aanzien van 1(F) volgt dat geen sprake is geweest van dwang of noodweer, maar dat eiser uit vrije wil dienst heeft genomen bij de Asayish. Daarbij wijst verweerder er op dat eiser de misdrijven gedurende een lange periode (6 jaar) heeft gefaciliteerd. Dat hij daarna de dienst op eigen initiatief heeft verlaten, zoals in beroep is aangevoerd, maakt dat niet anders.

10. Ook de overige onder 9 genoemde factoren heeft verweerder voldoende bij zijn beoordeling betrokken. Verweerder heeft opgemerkt dat er sprake is van een aanzienlijk tijdsverloop sinds de gedragingen, maar stelt zich op het standpunt dat daar geen doorslaggevend belang aan kan worden toegekend. Van belang daarbij is het gedrag van eiser. Tijdens het gehoor op 7 januari 2014 heeft eiser laten zien dat hij geen berouw heeft van zijn daden. Zo heeft hij verklaard dat hij alleen een aantal mensen die ook in Nederland als terrorist worden beschouwd naar een afdeling heeft gestuurd om te worden verhoord. Omdat hij zijn persoonlijk betrokkenheid blijft goedpraten, heeft verweerder geconcludeerd dat eiser een bedreiging voor de openbare orde vormt, ook al heeft hij zich gedurende zijn verblijf in Nederland niet schuldig gemaakt aan strafbare feiten.

10. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde en dat er daarom geen aanleiding bestaat om het inreisverbod op te heffen. Ten aanzien van eisers stelling dat verweerder onvoldoende heeft geconcretiseerd voor welk fundamenteel belang van de samenleving eiser een bedreiging vormt, overweegt de rechtbank dat verweerder er terecht op heeft gewezen dat de gedragingen waarmee eiser in verband is gebracht een ernstige aantasting van de fundamentele waarden uit artikel 2 en 3 van de VEU vormen. Uit het arrest van 2 mei 2018 volgt dat daardoor de gemoedsrust en de fysieke veiligheid van de bevolking zouden kunnen worden verstoord. Gelet op de evidente ernst van de gedragingen hoefde verweerder dit niet nader te concretiseren. Dat de gedragingen van eiser zich hebben voorgedaan in een specifieke historische en maatschappelijke context, kan in het licht van de ernst van de gedragingen evenmin tot een ander oordeel leiden.9

13. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er geen reden bestaat om het inreisverbod op te heffen op grond van artikel 8 van het EVRM. De rechtbank stelt daarbij voorop dat eiser zelf een verblijfsvergunning heeft aangevraagd in Italië. Daaruit moet worden opgemaakt dat hij van plan was om in Italië te gaan wonen. Verweerder heeft terecht opgemerkt dat zijn gezinsleven in Nederland blijkbaar niet aan deze keuze in de weg stond. Om dezelfde reden volgt de rechtbank eiser niet in zijn betoog dat hij het gezinsleven met zijn echtgenote en haar – ten tijde van het bestreden besluit nog minderjarige – dochter niet in Italië zou kunnen uitoefenen. Ten aanzien van eisers kinderen uit zijn vorige huwelijk heeft verweerder terecht overwogen dat deze meerderjarig zijn en dat niet is gebleken dat er sprake is van ‘more than the normal emotional ties’ tussen eiser en zijn kinderen. Er is daarom geen sprake van beschermenswaardig familieleven.
Voor het overige heeft verweerder kunnen volstaan met een verwijzing naar het besluit van 7 maart 2014 waarbij het inreisverbod aan eiser is opgelegd en waarin een uitgebreide belangenafweging is gemaakt. Eiser heeft geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die tot een nieuwe afweging of andere uitkomst hadden moeten leiden.

13. Het beroep is ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mrs. M.Z.B. Sterk, voorzitter, K.M. de Jager en J.F.I. Sinack, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2019.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Hof van Justitie van de Europese Unie, arrest van 16 januari 2018, ECLI:EU:C:2018:8.

2 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, uitspraak van 26 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:272, en uitspraak van 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:361.

3 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

4 Hof van Justitie van de Europese Unie, arrest van 2 mei 2018, ECLI:EU:C:2018:296.

5 Nationaal Schengen-informatiesysteem

6 Nationaal Opsporingsregister

7 Schengenuitvoeringsovereenkomst

8 Zie punt 54 tot en met 60 van het in voetnoot 4 genoemde arrest.

9 Zie punt 66 van het in voetnoot 4 genoemde arrest.