Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:14830

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-08-2019
Datum publicatie
20-07-2020
Zaaknummer
09/576308 FA RK 19-4939
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

at 36 Paspoortwet en toestemming buitenlandse vakantie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 19-4939

Zaaknummer: C/09/576308

Datum beschikking: 19 juli 2019

Paspoortwet (artikel 36) en toestemming buitenlandse vakantie

Beschikking op het op 4 juli 2019 ingekomen verzoekschrift van:

de gecertificeerde instelling: Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,

kantoorhoudende te Leiden,

hierna: JBW.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de vrouw] ,

de moeder,

wonende op een geheim adres te [woonplaats 1] ,

advocaat: mr. H.P.J. van der Eerden te Den Haag.

en

[de man] ,

de vader,

wonende te [woonplaats 2] .

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het op 4 juli 2019 ingekomen verzoekschrift van JBW, met bijlagen;

  • -

    het bericht van 16 juli 2019 met bijlage van de moeder.

Op 19 juli 2019 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: namens JBW [vertegenwoordiger van de GI 1] , en de moeder, bijgestaan door haar advocaat. De vader is niet verschenen. Ter zitting heeft de advocaat van de moeder verklaard dat hij ook namens de vader optreedt, maar een stelbrief voor de vader is in deze procedure niet ontvangen.

Feiten

  • -

    De vader en de moeder hebben gezamenlijk het gezag over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2018 te [geboorteplaats]

  • -

    Bij beschikking van 27 juni 2019 van deze rechtbank is [minderjarige] onder toezicht gesteld van JBW en is aan JBW een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg, alles van 28 juni 2019 tot 4 december 2019.

Verzoek en verweer

JBW verzoekt de rechtbank vervangende toestemming te verlenen, die de toestemming van de ouders vervangt, zoals bedoeld in artikel 36, tweede lid, Paspoortwet, voor het verkrijgen van een reisdocument ten behoeve van [minderjarige] , met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Door en namens de moeder is ter zitting verweer gevoerd, welk verweer hierna - voor zover nodig - zal worden beoordeeld.

Beoordeling

JBW voert ter onderbouwing van het verzoek aan dat de moeder weigert om mee te werken aan de aanvraag voor een reisdocument voor [minderjarige] . Het pleeggezin, waar [minderjarige] verblijft, gaat over een paar weken op vakantie naar Spanje. Met een eerdere vakantie is [minderjarige] al niet meegegaan, omdat de moeder toen ook niet wilde meewerken, waardoor [minderjarige] toen naar een ander pleeggezin moest. Dit is schadelijk en niet bevorderlijk. De vader zou in detentie zitten. Ter zitting heeft JBW op suggestie van de rechtbank mondeling verzocht om zo nodig ook toestemming te verlenen voor een vakantiereis van [minderjarige] met het pleeggezin in de zomervakantie 2019 naar Spanje. Het is immers vanzelfsprekend niet de bedoeling dat de pleegouders [minderjarige] bij vertrek naar Spanje op Schiphol zouden moeten achterlaten, omdat de handtekeningen van de gezaghebbende ouders met hun toestemming voor een vakantie van [minderjarige] naar Spanje ontbreken en [minderjarige] dus niet langs de douane op Schiphol komt.

Door en namens de moeder is ter zitting verweer gevoerd. [minderjarige] kan tijdens de vakantie van de pleegouders in Spanje bij de moeder terecht. Ook de twee andere onder toezicht van JBW gestelde kinderen van de moeder, [kinderen] , verblijven tijdens de vakantie bij de moeder. Vanwege de hechting van [minderjarige] aan de moeder is het niet in het belang van [minderjarige] om voor een lange en geheel onbekende periode met het pleeggezin op vakantie naar Spanje te gaan. Verder gaat het nu goed met de moeder en heeft zij een heel steunsysteem om zich heen. Ook mist [minderjarige] duidelijk de moeder en haar flesvoeding in het pleeggezin gaat niet goed, aldus de moeder ter zitting. De advocaat van de moeder wijst er ook op dat [vertegenwoordiger van de GI 2] namens JBW in het verzoekschrift aan de rechtbank in strijd met de waarheid heeft geschreven dat de rechtbank op 25 juni 2019 zou hebben beslist “dat [minderjarige] op gaat groeien in het pleeggezin en niet meer teruggaat naar de moeder”, aldus de advocaat van de moeder ter zitting.

De rechtbank overweegt en beslist als volgt. Het onderhavige verzoekschrift van JBW bevat formeel een paspoortgeschil zoals bedoeld in artikel 36 Paspoortwet maar betreft feitelijk vooral een geschillenregeling zoals bedoeld in artikel 1:262b BW. De rechtbank vult ambtshalve de rechtsgronden van dit verzoekschrift aldus aan. De rechtbank zal, nu een schikking ter zitting onmogelijk is gebleken, de verzochte vervangende toestemming voor een reisdocument eerst beoordelen in nauwe samenhang met het ter zitting mondeling gedane verzoek van JBW om vervangende toestemming te verlenen voor een vakantie van [minderjarige] met het pleeggezin naar Spanje van onbekende duur in de zomervakantie 2019.

Ingevolge artikel 36, eerste lid, Paspoortwet kan bij de aanvraag ten behoeve van een minderjarige die onder toezicht is gesteld en jonger is dan zestien jaar, indien één of beide personen die het gezag over de minderjarige uitoefenen, weigeren een verklaring van toestemming als bedoeld in artikel 34, eerste lid, Paspoortwet, af te geven, in plaats van die verklaring een verklaring van toestemming van de bevoegde rechter worden overgelegd. Blijkens het tweede lid van eerstgenoemd artikel kan een verklaring van toestemming worden afgegeven op verzoek van een gecertificeerde instelling, als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet. De kinderrechter geeft een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

In artikel 1:262b BW is neergelegd dat een geschil tussen de met het gezag belaste ouder en de gecertificeerde instelling over de uitvoering van de ondertoezichtstelling aan de kinderrechter kan worden voorgelegd. De kinderrechter neemt ook op dit punt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

De rechtbank zal het mondeling verzoek van JBW over de vervangende toestemming voor de vakantie van [minderjarige] naar Spanje afwijzen, omdat dit verzoek onvoldoende concreet is. Het is volstrekt onduidelijk welke reisdata, welke duur en welke bestemming in Spanje het pleeggezin en JBW voor ogen hebben. Mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 1] kon daar namens JBW ter zitting desgevraagd niets concreets over zeggen. Ter zitting heeft de moeder op haar telefoon een recent schriftelijk bericht van de vorige jeugdbeschermer mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 2] namens JBW getoond, waarin mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 2] namens JBW schrijft dat zij ervan uitgaat dat [kinderen] in de vakantie bij de moeder zullen zijn en dus ook aanwezig zullen zijn bij de bezoeken van [minderjarige] . Dat is door JBW ter zitting niet weersproken. Kennelijk kunnen [kinderen] dus in de zomervakantie 2019 wel bij de moeder verblijven en zonder nadere toelichting van JBW, die ontbreekt, is onduidelijk waarom dat voor [minderjarige] niet zou gelden. Het concrete belang van [minderjarige] om op een in deze procedure geheel onduidelijk gebleven vakantie naar Spanje te kunnen gaan met het huidige pleeggezin, omdat [minderjarige] anders tijdelijk in een ander pleeggezin en/of bij de moeder zou moeten worden ondergebracht, is daarmee onvoldoende concreet gesteld of gebleken.

Voorts is de rechtbank het met de advocaat van de moeder eens dat JBW in haar op 28 juni 2019 gedateerde maar pas op 4 juli 2019 ingekomen verzoekschrift de rechtbank ernstig onjuist heeft ingelicht. Ook dat pleit tegen toewijzing van dit onvoldoende concrete en onjuist onderbouwde verzoek van JBW. Uit ambtshalve raadpleging van de eerdere beschikking van 27 juni 2019 van deze rechtbank, mondeling uitgesproken op 27 juni 2019 en schriftelijk vastgelegd op 11 juli 2019, blijkt immers volstrekt niet dat de rechtbank toen zou hebben beslist “dat [minderjarige] gaat opgroeien in het pleegezin en niet meer teruggaat naar de moeder”, zoals mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 2] namens JBW in dat verzoekschrift ten onrechte heeft geschreven. Een dergelijke beslissing zou overigens ook niet passen bij de aard van een ondertoezichtstelling, die er als hoofdregel en naar de strekking van de wet immers op gericht is dat een minderjarige op aanvaardbare termijn weer kan terugkeren bij de ouders met gezag of bij één van beide ouders met gezag.

De rechtbank zal alles afwegende nu wel het verzoek tot vervangende toestemming voor de aanvraag van een reisdocument voor [minderjarige] toewijzen. De rechtbank oordeelt het immers wel in het belang van [minderjarige] dat zij op korte termijn kan beschikken over een geldig eigen legitimatiebewijs, met name als [minderjarige] met haar pleegouders naar het ziekenhuis of een andere zorgverlener moet. De identificatieplicht in de zorg geldt vanaf de geboorte. Aan het verweer van de advocaat van de moeder ter zitting dat [minderjarige] in het paspoort bij de moeder kan worden bijgeschreven gaat de rechtbank voorbij, omdat inschrijving van een kind in het paspoort van de ouders al enige tijd rechtens niet meer mogelijk is.

Beslissingen

De rechtbank:

verleent toestemming aan de Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland, die de toestemming van beide ouders vervangt, voor de aanvraag van een paspoort of een Europese identiteitskaart van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2018 te [geboorteplaats] en verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af al hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. H. Wien, kinderrechter, bijgestaan door mr. M. Corver als griffier, en in het openbaar mondeling uitgesproken op 19 juli 2019. De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 22 juli 2019.