Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:14828

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-11-2019
Datum publicatie
22-07-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 148
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onvoldoende leerlingenbeoordeling militair. Twee van de drie meegewogen voorvallen mogen niet aan de beoordeling ten grondslag worden gelegd. Motiveringsgebrek en niet zorgvuldig. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/148

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 november 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] ), eiseres

(gemachtigde: mr. B. Damen),

en

de commandant Defensie Inlichtingen & Veiligheidsinstituut (DIVI), verweerder

(gemachtigde: mr. A.N. Koster).

Procesverloop

Bij besluit van 6 september 2018 (het primaire besluit) is over eiseres een leerlingenbeoordeling vastgesteld met als totaaloordeel onvoldoende.

Bij besluit van 20 december 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2019.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voorts zijn van de zijde van verweerder verschenen [A] (waarnemend commandant DIVI, tevens tweede beoordelaar) [B] (hoofd Bureau Opleidings- en Trainingsontwikkeling, hierna: H-BOTO).

Overwegingen

1.1.

Eiseres, ritmeester, heeft in de periode van 2 oktober 2017 tot en met 25 juni 2018

deelgenomen aan de vaktechnische opleiding Officieren Inlichtingen en Veiligheid Koninklijke Landmacht (VTO OFF I&V KL).

1.2.

In de periode 13 oktober 2017 tot en met 16 april 2018 zijn zes feedbackformulieren

opgemaakt door opleiders/begeleiders over gedrag en inzet tijdens de opleiding.

1.3.1.

Bij e-mailbericht van 1 mei 2018 heeft de Commandant 106 Inlichtingen

Eskadron/Joint Istar Commando (C-106 Inlichtingeneskadron JISTARC) de tweede beoordelaar geïnformeerd over gedragingen van eiseres op 6 april 2018, de dag na het regimentsdiner. Op 10 juli 2018 is gerapporteerd over deze gedragingen.

1.3.2.

Bij e-mailbericht van 1 mei 2018 heeft de H-BOTO de tweede beoordelaar onder de

aandacht gebracht dat eiseres op 1 mei 2018 een ongenuanceerde uitspraak heeft gedaan over enkele medeleerlingen.

1.3.3.

Op 14 mei 2018 heeft de tweede beoordelaar, na een beoordelingsgesprek op dezelfde dag, de eerste leerlingenbeoordeling ten aanzien van eiseres over de periode van

2 oktober 2017 tot 23 april 2018 vastgesteld met als totaaloordeel onvoldoende.

Hiertegen zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

1.3.4.

Op 13 juni 2018 heeft de tweede beoordelaar eiseres een krijgstuchtelijke geldboete van € 100,- opgelegd wegens het niet opvolgen van een dienstbevel op 4 juni 2018. Bij uitspraak op beklag van 5 juli 2018 is het beklag van eiseres tegen de oplegging van deze boete ongegrond verklaard. Bij uitspraak van de meervoudige militaire kamer van de rechtbank Gelderland van 15 oktober 2018 is de uitspraak op beklag van 5 juli 2018 bevestigd (ECLI:NL:RBGEL:2018:4422).

1.3.5.

Bij e-mailbericht van 26 juni 2018 heeft de commandant 104 JISTARC Verkennings-

eskadron (C-104 JVE) de tweede beoordelaar geïnformeerd over officiersonwaardige gedragingen van eiseres tijdens een afscheidsfeestje op 14 juni 2018.

1.3.6.

Op 10 juli 2018 heeft de commandant JISTARC (C-JISTARC) gerapporteerd dat eiseres aanstichter was geweest van misdragingen op een legerkamer op 18 januari 2018. Voorts heeft C-JISTARC op 10 juli 2018 gerapporteerd over de gedragingen op

6 april 2018.

1.3.7.

Bij besluit van 11 juli 2018 heeft C-JISTARC eiseres met ingang van 11 juli 2018 in haar ambt geschorst in het belang van de dienst met behoud van inkomsten in verband met een tegen haar gedane aangifte bij de Koninklijke Marechaussee (KMar) wegens aanranding. Voorts is eiseres de toegang ontzegd tot de Lkol Tonnetkazerne of andere kazernes. Bij brief van 9 januari 2019 (kennisgeving sepot) heeft de officier van justitie van het Arrondissementsparket Oost-Nederland eiseres meegedeeld dat zij niet (verder) wordt vervolgd als verdachte, omdat er onvoldoende bewijs is. Het betreft de verdenking van feitelijke aanranding op 14 juni 2018 tot en met 15 juni 2018 te ’t Harde.

Eiseres heeft aangifte gedaan tegen de majoor (S.) die tegen haar aangifte had gedaan. Deze strafzaak is eveneens geseponeerd.

1.4.

Bij het primaire besluit is de tweede leerlingenbeoordeling ten aanzien van eiseres

over de periode van 2 oktober 2017 tot 25 juni 2018 vastgesteld voor de afsluiting van de VTO. Vastgesteld is dat eiseres zich heeft verbeterd qua kennis en vaardigheden. Zowel de eerste als de tweede beoordelaar hebben het gedrag van eiseres als onvoldoende beoordeeld. De tweede beoordelaar heeft, in afwijking van de eerste beoordelaar, het totaaloordeel vastgesteld op onvoldoende.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. De eerste en tweede beoordelaar hebben de verschillende gezichtspunten beoordeeld met inachtneming van de periode 23 april 2018 tot en met

25 juni 2018. De tweede beoordelaar heeft zich voor het eindoordeel gebaseerd op de gehele opleidingsperiode van 2 oktober 2017 tot en met 25 juni 2018. De tweede beoordelaar heeft met name drie incidenten meegewogen:

  1. het niet opvolgen van het dienstbevel op 4 juni 2018. Bij diens beoordeling was sprake van een nieuw feit, te weten de afwijzing van het beklag tegen de in dat kader opgelegde geldboete;

  2. de aangifte wegens aanranding die op of rond 14 juni 2018 zou hebben plaatsgevonden, als gevolg waarvan eiseres met ingang van 11 juli 2018 is geschorst. Hoewel met de aangifte de schuld van eiseres niet is aangetoond, maakt dit wel dat wordt betwijfeld of eiseres het gedrag kan vertonen dat mag worden verwacht van een inlichtingenofficier;

  3. het gedrag van eiseres op het feestje van 14 juni 2018, te weten dat zij na drankgebruik officiersonwaardig gedrag vertoont;

Verweerder acht het terecht dat de drie genoemde incidenten de grondslag hebben gevormd voor de onvoldoende beoordeling op het onderdeel gedrag. Verweerder stelt zich ter zake van het bijstellen van het eindoordeel op het standpunt dat uit de drie bovenstaande incidenten afdoende blijkt dat de houding en gedrag van eiseres nog steeds te wensen overlieten en daarmee gedurende de gehele VTO OFF I&V KL onvoldoende zijn geweest.

De door eiseres genoemde momenten waaruit zou blijken dat sprake was van een onveilige leeromgeving hebben plaatsgevonden in het eerste beoordelingstijdvak. De beoordeling over dit tijdvak staat in rechte vast. Voor zover sprake was van een onveilige leeromgeving, heeft dit er niet aan in de weg gestaan dat haar inhoudelijk functioneren uiteindelijk als voldoende is beoordeeld. De door eiseres gestelde animositeit bij de tweede beoordelaar is gebaseerd op het door een waarnemer opgemaakt verslag van een gesprek van 14 mei 2018. Dit verslag is in ongekuiste versie door de tweede beoordelaar aan het dossier toegevoegd en de woordkeuze van dit verslag komt dan ook niet voor rekening van de tweede beoordelaar. Eiseres en de tweede beoordelaar hebben voornoemd gesprek als een open gesprek beleefd. Van een vooropgezet plan om eiseres de opleiding niet te laten behalen is niet gebleken.

3. Eiseres heeft op hierna te bespreken gronden beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

4. Een overzicht van de relevante wettelijke bepalingen is in de bijlage opgenomen.

5. Eiseres heeft ter zitting haar beroepsgrond dat bij het eindoordeel alleen mocht worden uitgegaan van de periode 23 april 2018 tot en met 25 juni 2018 ingetrokken. Daarmee staat vast dat de voor de beoordelingsperiode van 2 oktober 2017 tot 23 april 2018 meegewogen gedragingen van betekenis zijn.

6. Eiseres heeft aangevoerd dat tijdens het gesprek op 9 september 2018 met de tweede beoordelaar geen hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden. Zij heeft de stukken die ten grondslag zijn gelegd aan zijn besluit in een later stadium toegezonden gekregen, de stukken zijn haar niet getoond dan wel tevoren toegestuurd. Eiseres stelt zich, onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 1 september 2016 (zie 4.8.), op het standpunt dat de beoordeling niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen en een deugdelijke motivering ontbeert.

De rechtbank stelt vast dat aan deze leerlingbeoordeling voorzienbaar ingrijpende gevolgen waren verbonden, reeds omdat de tweede beoordelaar bij het eindoordeel heeft vermeld dat eiseres het VTO-certificaat niet zal ontvangen tijdens de geplande certificaatuitreiking. Hieruit volgt dat zwaardere eisen gesteld mogen worden aan de zorgvuldigheid waarmee zowel de eerste als tweede beoordelaar hun werk doen.

Uit het verslag van het beoordelingsgesprek met de tweede beoordelaar op

6 september 2018 blijkt dat de tweede beoordelaar eiseres de zogenoemde Bijlage A met zijn motivering van het afwijkend eindoordeel aan eiseres heeft overhandigd. In Bijlage A

zijn voorbeelden genoemd van meldingen, waarbij functienamen van de melders zijn vermeld met daarachter een omschrijving van gedragingen, zoals “misdragingen op een legeringskamer”, “officiersonwaardig gedrag”, “voorval regimentsdiner”, “ongenuanceerde uitspraak over medeleerlingen”. Voorts zijn genoemd het krijgstuchtelijk vergrijp (weigeren dienstbevel), de bevindingen van docenten en de schorsing (aangifte seksuele intimidatie). Uit voornoemd verslag blijkt voorts dat de tweede beoordelaar twee maal heeft meegedeeld dat dit gesprek geen ruimte biedt om inhoudelijk op een en ander in te gaan. Niet in geschil is dat eiseres ten tijde van dit gesprek niet beschikte over of inzage heeft gehad over de meldingen van de haar verweten gedragingen. Zij werd dan ook tijdens het beoordelingsgesprek met de tweede beoordelaar overvallen met meer gedragingen dan haar kenbaar waren gemaakt door de eerste beoordelaar. Uit voornoemd verslag blijkt dat de tweede beoordelaar heeft geweigerd om in te gaan op de vraag van eiseres om verduidelijking van een paar meldingen van haar verweten gedragingen. Uit artikel 6:9, tweede lid, onder b, van het Opleidingsreglement Opleidings- en Trainingscommando 2014 (Reglement) volgt imperatief dat de tweede beoordelaar in voorkomend geval bedenkingen van de betrokkene betrekt bij het gesprek. Uit bedoeld verslag blijkt dat eiseres bedenkingen had, maar zij is niet in de gelegenheid gesteld om deze kenbaar te maken en deze zijn derhalve niet betrokken bij het gesprek. De tweede beoordelaar heeft desgevraagd geen duidelijkheid gegeven over de in zeer algemene bewoordingen omschreven gedragingen, waarbij geen data zijn vermeld waarop deze hebben plaatsgevonden. De rechtbank concludeert dan ook dat de tweede beoordelaar heeft gehandeld in strijd met artikel 6:9, tweede lid, onder b, van het Reglement en dat hij niet de vereiste zorgvuldigheid in acht heeft genomen. Met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een besluit waartegen beroep is ingesteld, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbende daardoor niet is benadeeld. Het betreft hier het niet concreet kenbaar maken van gedragingen die ten grondslag liggen aan de beoordeling en voorts is eiseres daarover niet gehoord. Uit de stukken blijkt dat eiseres tijdens de bezwaarprocedure de stukken, waaruit concreet blijkt welke gedragingen bij de beoordeling zijn meegewogen, zijn toegezonden en dat zij in de gronden van haar bezwaar daarop heeft gereageerd. Eiseres is gehoord in het kader van haar bezwaar. In het bestreden besluit zijn de betreffende gedragingen opgenomen. Eiseres heeft tijdens deze beroepsprocedure voldoende gelegenheid gehad om haar reactie op de meegewogen gedragingen naar voren te brengen en heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt. Dit neemt niet weg dat moet worden beoordeeld of de leerlingbeoordeling op voldoende gronden berust en ook overigens met de daartoe vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. De rechtbank zal in dat kader, het voorgaande meewegend, beoordelen of eiseres al dan niet is benadeeld.

7. Eiseres heeft betwist dat zij niet was uitgenodigd voor het afscheidsfeestje bij 104 JVE en dat zij zich heeft gedragen zoals is vermeld in het e-mailbericht van C-104 JVE van

26 juni 2018.

De rechtbank overweegt dat uit de WhatsApp-berichten van 14 juni 2018 met kaderlid ritmeester [C] van 104 JVE blijkt dat eiseres hem heeft gevraagd waar hij zich bevond en of hij nog gezelschap nodig had. [C] heeft gereageerd met “ODB” (onderdeelsbar). Dat dit niet was bedoeld als uitnodiging om naar de ODB te komen is onvoldoende onderbouwd. [C] heeft niet te kennen gegeven dat sprake was van een besloten feestje. Dat eiseres geen banden zou hebben met collega’s van 104 JVE blijkt voorts onjuist te zijn, nu eiseres, gelet op de gedingstukken, [C] wel eens sprak in de bar en ook eerder WhatsApp-contact met hem had.

De C-104 JVE heeft meegedeeld dat er meerdere externen aanwezig zijn geweest. Eiseres viel specifiek op. Vermeld is dat het riekt naar studentikoos gedrag om de kazerne af te schuimen naar feestjes met gratis bier en dat eiseres lallend en giechelend de rang van ritmeester compleet te grabbel heeft gegooid. De schade is beperkt gebleven tot een kwartiertje lachen. Maar eiseres zal binnen 104 JVE nooit meer serieus worden genomen door het voltallig personeel en is daar ook niet meer welkom, aldus C-104 JVE.

Uit voornoemd e-mailbericht van C-104 JVE blijkt dat deze commandant er voor had gekozen om zich tijdens het feestje, waarbij voor het mannelijk gezelschap een BBQ is opgetuigd met bier in overvloed, terug te trekken. Om het in goede banen te leiden, waren de ritmeesters [D] en [C] wel aanwezig. Dit kan niet anders worden uitgelegd dan dat zij vanuit een officiële positie een oogje in het zeil hebben gehouden. Niet gebleken is dat deze ritmeesters of andere aanwezigen eiseres hebben meegedeeld dat zij niet welkom was op het feestje. Niet is onderbouwd dat eiseres zich zodanig lallend en giechelend heeft gedragen dat sprake was van officiersonwaardig gedrag. Uit het proces-verbaal van verhoor getuige op 31 augustus 2018 in verband met de aangifte tegen eiseres blijkt juist dat [C] . heeft verklaard dat er die avond weinig heeft plaatsgevonden. Eiseres is later op de avond gekomen en heeft met diverse mensen gepraat. [C] heeft weinig zicht gehad op het alcoholgebruik van eiseres tijdens het feestje. De rechtbank is van oordeel dat de gestelde gedragingen van eiseres op 14 juni 2019 niet in voldoende mate concreet zijn onderbouwd en daarom niet ten grondslag mochten worden gelegd aan deze leerlingbeoordeling.

8. Eiseres heeft verder betwist dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan aanranding. Zij beticht juist de betreffende majoor van grensoverschrijdend gedrag. Ter zitting van de rechtbank heeft de tweede beoordelaar meegedeeld dat hij het schorsingsbesluit respectievelijk de aangifte heeft meegewogen, maar dat dit niet doorslaggevend is geweest voor zijn eindoordeel.

De rechtbank stelt op grond van de gedingstukken vast dat het schorsingsbesluit is genomen naar aanleiding van de tegen eiseres gedane aangifte van aanranding op of rond 14 juni 2018 na het afscheidsfeestje bij 104 JVE. Niet gebleken is dat verweerder, alvorens in het kader van de leerlingbeoordeling conclusies te verbinden aan het feit dat tegen eiseres aangifte is gedaan, onderzoek heeft verricht, bijvoorbeeld door navraag te doen bij C-JISTARC dan wel de KMar over de aard, de ernst en de omstandigheden van hetgeen eiseres hier werd verweten. Eiseres is ter zake van deze aangifte ten onrechte niet gehoord door tweede beoordelaar (zie 6.). Dit alles maakt dat de door verweerder aan het schorsingsbesluit respectievelijk de aangifte tegen eiseres verbonden conclusie niet zorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. De aangifte, als gevolg waarvan eiseres is geschorst, mocht derhalve niet ten grondslag worden gelegd aan deze leerlingbeoordeling.

9. Bij uitspraak op beklag van 5 juli 2018 is het beklag van eiseres tegen de oplegging van de boete wegens het handelen in strijd met een dienstbevel ongegrond verklaard (zie 1.3.4.).

Dit gegeven was nog niet bekend bij de eerste beoordelaar ten tijde van het opmaken van de leerlingbeoordeling. Dit was wel bekend voorafgaand aan de vaststelling van de beoordeling door de tweede beoordelaar. Dit feit mocht dan ook worden meegewogen door de tweede beoordelaar.

De rechtbank Gelderland heeft in de uitspraak van 15 oktober 2018, die in kracht van gewijsde is gegaan, bewezen verklaard dat eiseres in strijd met een haar op

4 juni 2018 gegeven dienstbevel heeft gehandeld, hetgeen een schending van de gedragsregel als bedoeld in artikel 15 van de Wet Militair Tuchtrecht (WMT) oplevert. De opgelegde geldboete wordt geacht in overeenstemming te zijn met de mate van verwijtbaarheid van eiseres. Gelet op het bepaalde in artikel 8 van de Militaire Ambtenarenwet 1931 (MAW 1931) moet in dit geding als vaststaande worden aangenomen hetgeen de rechtbank Gelderland in zijn uitspraak bewezen heeft verklaard. Hetgeen eiseres over deze kwestie heeft aangevoerd kan hier niet aan afdoen.

10. Gelet op het vorenstaande mocht aan het eindoordeel van de leerlingbeoordeling alleen het krijgstuchtelijk vergrijp (zie 9.) ten grondslag worden gelegd. Voor de tweede beoordelaar waren de drie genoemde incidenten tezamen doorslaggevend en de aanleiding voor de wijziging van het eindoordeel. De rechtbank is van oordeel dat het bij het bestreden besluit gehandhaafde eindoordeel in de beoordeling van 6 september 2018 niet draagkrachtig is gemotiveerd en niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid, hetgeen maakt dat de beoordeling op onvoldoende gronden berust. De rechtbank ziet geen aanleiding om de geconstateerde gebreken in de besluitvorming (zie 6.) te passeren, nu, gelet op hetgeen is overwogen bij 8., het aannemelijk is dat eiseres hierdoor is benadeeld.

Hetgeen overigens is aangevoerd behoeft geen nadere bespreking.

Het beroep dient gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.

12. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ter hoogte van € 174,- vergoedt.

13. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten in beroep en in het bezwaar tegen het primaire besluit. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.048,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting in het kader van het bezwaar, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,- en wegingsfactor 1). Deze kosten worden vermeerderd met de reiskosten van eiseres tot een bedrag van € 10,58.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder een nieuwe besluit te nemen op het bezwaar van eiseres, met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 174,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van

€ 2.058,58.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, rechter, in aanwezigheid van

A.J. van Rossum, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

29 november 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

BIJLAGE

4.1.

In de artikelen 28 tot en met 28b van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) zijn bepalingen neergelegd omtrent functionerings- en loopbaangesprekken en beoordelingen.

4.2.

In artikel 3:1 van de Voorlopige Voorziening Uitvoeringsregeling AMAR (VV URAMAR) - voor zover hier van belang - is bepaald dat het HDO zorg draagt voor vaststelling van opleidingsreglementen voor de onder hem ressorterende opleidingsinrichtingen, waarin ten minste de volgende elementen zijn opgenomen:

b. het voor de cursist geldende beoordelingssysteem tijdens de initiële opleiding.

4.3.

In hoofdstuk 6 van het Reglement is bepaald dat zowel tijdens de initiële- en niet-initiële opleidingen een - van hetgeen in de artikelen 28 tot en met 28b van het AMAR is beschreven - afwijkend beoordelingssysteem van toepassing is. Het afwijkend beoordelingssysteem dient - met inachtneming van het gestelde in dit opleidingsreglement - in de voor de opleiding geldende syllabus/OTP/LSP nader te worden uitgewerkt en vastgelegd.

4.4.

Artikel 6:3 van het Reglement - voor zover hier van belang - luidt als volgt:

1. Een leerlingbeoordeling wordt opgemaakt:

c. op door de commandant van de opleidingseenheid vast aangegeven momenten tijdens de opleiding.

2. De commandant van de opleidingseenheid dient de vaste beoordelingsmomenten tijdens de opleiding vast te leggen in de voor de desbetreffende opleiding geldende syllabus/OTP/LSP/LTP.

4.5.

Artikel 6:4 van het Reglement luidt als volgt:

De beoordeling tijdens de opleiding dient tenminste de volgende aspecten te bevatten:

  1. De competenties die tijdens de opleiding van belang zijn en die in de syllabus/OTP/TSP/LTP van de opleiding staan beschreven.

  2. Factoren en omstandigheden die hun weerslag hebben op het gedrag en het functioneren van de leerling.

  3. Factoren en omstandigheden die zowel positieve als negatieve gedragingen van de leerling kunnen opleveren.

4.6.

Artikel 6:9 van het Reglement - voor zover hier van belang - luidt als volgt:

2. Nadat de beoordeelde leerling in voorkomend geval is gehoord omtrent zijn bedenkingen, neemt de tweede beoordelaar de door de eerste beoordelaar opgemaakte leerlingbeoordeling in beschouwing, waarbij het bepaalde in artikel 5:6 van dit opleidingsreglement van overeenkomstige toepassing is.

b. Indien zijn oordeel over de beoordeelde leerling afwijkt van de door de eerste beoordelaar opgemaakte leerlingbeoordeling, vermeldt hij op het leerlingbeoordelingsformulier zijn afwijkend oordeel, en bespreekt dit met de beoordeelde leerling en de eerste beoordelaar. Hij betrekt bij het gesprek in voorkomend geval de bij hem kenbaar gemaakte bedenkingen van de beoordeelde leerling.

4.7.

In het O&T-Voorstel, p7, is vermeld:

De O&T wordt afgesloten met een Proeve van Bekwaamheid (PvB). In de PvB laat de leerling zien zijn/haar taken in voldoende mate te beheersen en over het vereiste competentieniveau (flexibel en leervermogen) uit de Profielschets van de Officier, niveau “subaltern” te beschikken. Tijdens de O&T (na 2/3 van de opleidingsduur) en aan het einde van de O&T wordt er een leerlingenbeoordeling opgemaakt (zie Opleidingsreglement OTCo). De laatste leerlingenbeoordeling moet voldoende zijn.

In het O&T-Opleidingsdocument Draaiboek Off Inlichtingen & Veiligheid KL zijn de inhoud van en de eisen voor de opleiding verder uitgewerkt.

4.8.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld in de uitspraak van

1 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3267) vertoont een leerlingbeoordeling als hier aan de orde naar haar aard en inhoud een sterke overeenkomst met de reguliere beoordeling van de functievervulling van een militair. Er is sprake van een beoordeling op een veelheid van persoonlijkheidsaspecten en persoonlijke vaardigheden, die duidelijk uitgaat boven de enkele beoordeling van het kennen en kunnen van een leerling die op enigerlei wijze is getoetst. Daarbij is de waardering nauw gerelateerd aan de eisen met betrekking tot karaktereigenschappen en beroepshouding die voor het volgen van een loopbaan als (onder)officier worden gesteld.

Evenals bij een reguliere beoordeling geldt bij een leerlingbeoordeling dat de toetsing van de inhoud van een beoordeling beperkt tot de vraag of die beoordeling op voldoende gronden berust. Bij negatieve oordelen moet het bestuursorgaan dit met concrete feiten onderbouwen. Niet doorslaggevend is of elk feit dat het bestuursorgaan ter onderbouwing aanvoert boven elke twijfel is verheven en of sommige feiten niet (geheel) juist zijn vastgesteld of geïnterpreteerd. Bepalend is of de gegeven waardering, gelet op het totale beeld van de in beschouwing genomen gezichtspunten, de terughoudende rechterlijke toetsing kan doorstaan.

De Raad voegt hieraan toe dat weliswaar de onevenredigheid van de gevolgen van een beoordeling geen rol speelt bij de inhoudelijke vaststelling van het eindresultaat, maar dat wel, naarmate de gevolgen van een negatieve beoordeling ingrijpender zijn, navenant zwaardere eisen gesteld mogen worden aan de zorgvuldigheid waarmee zowel de eerste als de tweede beoordelaar hun werk doen.

4.9.

Artikel 8 van de MAW 1931 luidt als volgt:

Een uitspraak van den strafrechter, in kracht van gewijsde gegaan, of ingevolge de Wet militair tuchtrecht in beroep gewezen, waarbij de militaire ambtenaar aan eenig feit is schuldig verklaard, geldt in een militaire ambtenarenzaak als bewijs van dat feit.