Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:14825

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-10-2019
Datum publicatie
06-07-2020
Zaaknummer
AWB 19 / 2567 AWB 19 / 2568
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Buiten behandelingstelling aanvraag verblijfsvergunning wegens niet voldoen leges, art. 3.34a onder j en k van het VV,

discretionaire bevoegdheid, voldoende gemotiveerd waarom geen sprake is van schrijnende omstandigheden, ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 19/2567 (beroep)

AWB 19/2568 (voorlopige voorziening)

V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 21 oktober 2019 in de zaken tussen

[eiseres] ,

geboren op [geboortedatum] , van Congolese nationaliteit, eiseres en verzoekster, hierna te noemen: eiseres

(gemachtigde: mr. P.J. Schüller),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. C. Brand).

Procesverloop

Bij besluit van 19 juni 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking ‘privéleven op grond van artikel 8 EVRM’ niet in behandeling genomen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 7 maart 2019 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Op 4 april 2019 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres ontvangen en heeft zij verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 september 2019. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig [persoon 1] , werkzaam bij stichting [Stichting] . Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Ten aanzien van het beroep

1. Eiseres is Nederland in februari 2004 ingereisd. Sinds haar verblijf in Nederland heeft eiseres twee keer asiel aangevraagd en één keer verzocht om een verblijfsvergunning op grond van de Kinderpardonregeling. Deze aanvragen zijn allemaal afgewezen. Op 9 maart 2018 heeft eiseres deze aanvraag ingediend. Bij haar aanvraag heeft eiseres verzocht om vrijstelling van het legesvereiste.

2. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres niet in behandeling genomen, omdat eiseres geen leges heeft betaald en zij niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het legesvereiste. Eiseres komt niet in aanmerking voor vrijstelling op grond van artikel 3.34a, onder j, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV), omdat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij de leges niet kan betalen. Ook komt eiseres niet in aanmerking voor vrijstelling op grond van artikel 3.34a, onder k, van het VV, omdat geen sprake is van schrijnende omstandigheden die aanleiding geven tot toepassing van de discretionaire bevoegdheid.

Artikel 3.34a, onder j, van het Voorschrift Vreemdelingen

3. Eiseres voert gemotiveerd aan waarom zij vindt dat verweerder haar had moeten vrijstellen van het legesvereiste op grond van artikel 3.34a, onder j, van het VV. Volgens dat artikel wordt vrijstelling van het legesvereiste verleend als iemand een aanvraag doet voor een verblijfsvergunning ‘verblijf als familie- of gezinslid’ en daarbij een gerechtvaardigd beroep doet op artikel 8 van het EVRM en aantoont niet te kunnen beschikken over middelen om aan de legesverplichting te kunnen voldoen.

4. De rechtbank stelt vast dat de partner van eiseres, [persoon 2] , tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft verklaard dat hij geld heeft geleend en dat er dus voldoende geld is om de leges te betalen. Ook is tijdens de hoorzitting gebleken dat [persoon 2] sinds november 2018 een nieuwe baan heeft. Ter zitting heeft eiseres dit niet betwist. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het legesvereiste op grond van artikel 3.34a, onder j, van het VV, omdat zij door [persoon 2] geholpen kon worden om de leges te betalen. De beroepsgrond slaagt niet.

Artikel 3.34a, onder k, van het Voorschrift Vreemdelingen

5. Eiseres vindt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom zij niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het legesvereiste op grond van artikel 3.34a, onder k, van het VV. Eiseres heeft twaalf bijzondere omstandigheden aangevoerd en er is geen sprake van contra-indicaties. Verweerder heeft deze individuele omstandigheden niet op een juiste manier meegewogen en heeft bovendien geen empathisch vermogen getoond. Ook heeft verweerder deze individuele omstandigheden onvoldoende in samenhang bezien en het is onduidelijk hoe de weging van de factoren heeft plaatsgevonden. Eiseres vindt dat haar persoonlijke omstandigheden in combinatie met de vooruitzichten bij terugkeer naar Congo maken dat sprake is van een schrijnende situatie.

6. Verweerder maakt gebruik van zijn discretionaire bevoegdheid als sprake is van zeer bijzondere omstandigheden die in onderlinge samenhang bezien tot een schrijnende situatie leiden. In het beleid van verweerder staat dat verweerder terughoudend gebruik maakt van deze bevoegdheid. Aanvullend hierop heeft verweerder een praktijkdocument opgesteld. Hierin staat dat verweerder niet limitatief kan aangeven welke omstandigheden doorslaggevend zijn en dat sommige zwaarder wegen dan andere. Er zijn ook contra-indicaties die verweerder zwaarwegend in het nadeel van een vreemdeling kan meewegen. Het praktijkdocument is een vaste gedragslijn die verweerder volgt. Het praktijkdocument schrijft niet voor welk gewicht verweerder aan de bij de beoordeling betrokken factoren moet toekennen. Verweerder heeft beslissingsruimte bij de vraag of hij vanwege een schrijnende situatie in het verblijf van een vreemdeling moet berusten. Verweerder hoeft niet per omstandigheid aan te voeren welk gewicht daar aan toekomt. Als verweerder vindt dat iemand niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning ‘overige humanitaire gronden’ en daarmee ook niet voor vrijstelling van het legesvereiste op grond van artikel 3.34a, onder k, van het VV, dan moet hij deugdelijk motiveren waarom de aanvraag, gelet op de factoren die in het praktijkdocument staan en waarop een vreemdeling zich heeft beroepen, niet voor inwilliging in aanmerking komt.1

7. De rechtbank zal hieronder per aangedragen schrijnende factor het standpunt van verweerder in het licht van de daartegen aangedragen beroepsgrond bespreken.

(Ernstige) medische problemen

8. Eiseres voert aan dat verweerder miskent dat haar medische situatie een reëel risico vormt op ernstige schade bij terugkeer naar Congo. Uit de brief van haar huisarts van 4 april 2019 blijkt dat eiseres is behandeld voor een chronische posttraumatische stressstoornis (PTSS) en een depressieve stoornis. Ook blijkt uit deze brief dat de psychische problemen van eiseres in stand worden gehouden door haar verblijfsstatus en dat deze problemen zullen verergeren als zij terug moet naar Congo. Eiseres gaat nog regelmatig naar de praktijkondersteuner GGZ voor nazorg en er vindt dus nog behandeling en begeleiding plaats. Deze medische zorg zal eiseres in Congo niet kunnen ontvangen, omdat uit gezaghebbende bronnen, waaronder het Ambtsbericht van 19 mei 2016, blijkt dat Congolese vrouwen gediscrimineerd worden en meestal geen toegang hebben tot adequate gezondheidszorg. Bovendien zijn de psychische problemen van eiseres gerelateerd aan traumatische ervaringen in Congo en heeft zij daar geen sociaal netwerk dat haar kan ondersteunen. Verweerder heeft dan ook onvoldoende onderzocht wat eiseres te wachten staat bij terugkeer en heeft onvoldoende gemotiveerd waarom geen sprake is van een behandeling die eiseres aan Nederland bindt. Ook had de overgelegde informatie voor verweerder aanleiding moeten vormen om een advies te vragen aan het Bureau Medische Advisering (BMA).

9. De rechtbank stelt vast dat uit de brief van de huisarts - die overigens pas in beroep is overgelegd - blijkt dat er geen behandeling meer plaatsvindt voor de psychische problematiek van eiseres, omdat zij is uitbehandeld en het maximale effect is bereikt. Daarnaast blijkt uit de brief dat eiseres medicatie gebruikt. Eiseres heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat zij die in Congo niet zou kunnen krijgen. Verder schrijft de huisarts weliswaar dat er een risico is op verergering van klachten bij terugkeer naar Congo, maar het is onduidelijk hoe groot dit risico is en wat de mogelijke gevolgen zouden kunnen zijn. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd waarom geen sprake is van medische problemen die aanleiding zouden moeten zijn om eiseres in het kader van schrijnendheid verblijf toe te staan. Nu bovendien niet is gebleken van een medisch noodzakelijke behandeling, maar alleen sprake is van begeleiding door de praktijkondersteuner GGZ, is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht geen aanleiding heeft gezien om een BMA-advies te vragen.

Omstandigheden in het land van herkomst

10. Eiseres voert aan dat zij verwesterd is en dat zij geen zelfstandig leven zal kunnen leiden in Congo. Congo staat namelijk in de top drie van gevaarlijke landen voor vrouwen. Daar komt bij dat eiseres geen familie of vrienden meer heeft in Congo. Dit wordt bevestigd door het feit dat het Rode Kruis de door eiseres opgegeven familieleden niet heeft kunnen traceren.

11. De rechtbank stelt voorop dat het aan eiseres is om te onderbouwen dat zij in Congo in een situatie terechtkomt die voor haar onveilig is of waarin zij zich niet zal kunnen handhaven. Verweerder heeft zich daarom in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de verwijzing naar algemene landeninformatie hiervoor onvoldoende is, omdat deze informatie niet specifiek op eiseres van toepassing is. Ook heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de zoekopdracht aan het Rode Kruis niet uitsluit dat eiseres familieleden heeft in Congo en dat van eiseres verwacht kan en mag worden dat zij daar een sociaal netwerk kan (her)opbouwen, gelet op het feit dat zij daar de eerste veertien jaar van haar leven heeft gewoond.

Maatschappelijk belang

12. De rechtbank heeft oog voor het feit dat eiseres betrokken is bij Stichting [Stichting] , onderwijs heeft gevolgd, contacten heeft opgedaan in Nederland en inmiddels ook een relatie heeft, maar is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze omstandigheden niet maken dat sprake is van een maatschappelijk belang bij het verblijf van eiseres in Nederland. Deze omstandigheden vloeien namelijk voort uit het langdurige verblijf van eiseres in Nederland. De duur van het verblijf maakt dat logischerwijs steeds meer sprake is van integratie, zodat dit geen bijzondere omstandigheid is.

Overlijden van een gezinslid in Nederland

13. Eiseres voert aan dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat verweerder er blijk van heeft gegeven dat hij de intensiteit van haar leed als gevolg van het overlijden van haar zus erkent en dat verweerder dit kenbaar heeft meegewogen. De opmerkingen van verweerder over het graf getuigen niet van empathisch vermogen. Verder staat inmiddels vast dat het graf zich in Nederland bevindt doordat eiseres in beroep het grafafschrift heeft overgelegd.

14. De rechtbank heeft begrip voor de wens van eiseres om in Nederland te kunnen blijven om het graf van haar zus te kunnen bezoeken, maar is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze omstandigheid niet maakt dat sprake is van een schrijnende situatie. Daarbij heeft verweerder mogen betrekken dat het voor eiseres niet onmogelijk is om het graf van haar zus te bezoeken omdat na één jaar kan worden verzocht om opheffing van het inreisverbod en dat eiseres in de tussentijd op een andere manier invulling kan geven aan haar rouwproces.

Andere gezinsleden met een verblijfsvergunning

15. Eiseres voert aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de band die zij heeft met de kinderen van haar overleden zus. Dit is de enige familie die eiseres nog heeft. Voor haar wordt het onmogelijk om hen nog te zien als zij terug zou moeten naar Congo.

16. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid geen groot gewicht heeft kunnen toekennen aan de band die eiseres met de kinderen van haar zus heeft, nu eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie.

Contra-indicaties

17. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in het bestreden besluit in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het feit dat eiseres geen antecedenten heeft, noch in haar voordeel, noch in haar nadeel meeweegt. Zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht, worden contra-indicaties slechts meegenomen als deze zich voordoen en komt aan het ontbreken van contra-indicaties geen positief gewicht toe in het voordeel van de vreemdeling.

Conclusie

18. Hieruit volgt dat verweerder de door eiseres aangedragen individuele omstandigheden op de juiste manier heeft meegewogen. Ook heeft verweerder voldoende gemotiveerd waarom deze omstandigheden in onderlinge samenhang niet tot een schrijnende situatie leiden. Dat betekent dat eiseres niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het legesvereiste en verweerder de aanvraag niet inhoudelijk hoefde te beoordelen.

19. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

20. De gevraagde voorziening strekt er toe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. Omdat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank wijst het verzoek daarom af.

Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening

21. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 19/2567,

- verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 19/2568,

- wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.L.A.T. Doll, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. C.C.H. Hersbach, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2019.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

1 Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 september 2019, ECLI:NL:RVS:2018:3090.