Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:14813

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-10-2019
Datum publicatie
05-06-2020
Zaaknummer
7487936 RL EXP 19-2128
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil over verschuldigdheid huurpenningen voor heftrucks en gerelateerde onderhoudskosten. Al dan niet ontslag van moedermaatschappij huurder als borg na totstandkoming vaststellingsovereenkomst tussen huurder en verhuurder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Gravenhage

CB

Rolnr.: 7487936 RL EXP 19-2128

22 oktober 2019

[jw.sys.1.rolnummer]

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

de besloten vennootschap Peinemann Heftrucks B.V.,

statutair gevestigd te Rotterdam en kantoorhoudende te Hoogvliet,

eisende partij,

hierna te noemen: PH,

gemachtigde: mr. V. Terlouw (Ploum Advocaten),


tegen

de besloten vennootschap Ter Haak Beheer B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,

gedaagde partij,

hierna te noemen: THB,

gemachtigde: mr. J.H. Fellinger (Fruytier Lawyers in Business).

1 Het procesverloop

1.1

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

  • -

    de dagvaarding van 17 december 2018 met 14 producties (nrs. 1 tot en met 14);

  • -

    het vonnis van team handel van deze rechtbank van 23 januari 2019, waarin de zaak verwezen is naar de kantonrechter;

  • -

    de conclusie van antwoord van 6 maart 2019 met 15 producties (nrs. 1 tot en met 15);

  • -

    de brief van de gemachtigde van PH van 17 mei 2019 met twee aanvullende producties (nrs. 15 en 16);

  • -

    de brief van de gemachtigde van PH van 20 mei 2019 met een aanvullende productie (nr. 17);

  • -

    de brief van de gemachtigde van THB van 23 mei 2019 met een aanvullende productie (nr. 16);

  • -

    de brief van de gemachtigde van THB van 23 mei 2019 met een aanvullende productie (nr. 17);

  • -

    de brief van de griffier aan de gemachtigden van partijen van 29 augustus 2019;

  • -

    de akte aan de zijde van THB van 10 september 2019;

  • -

    de akte aan de zijde van PH van 24 september 2019.

1.2

Op 28 mei 2019 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden. Daarbij is namens PH de heer [betrokkene 1] verschenen alsmede de gemachtigde van PH en zijn namens THB verschenen de heren [betrokkene 2] en [betrokkene 3] alsmede de gemachtigde van THB. Van hetgeen tijdens de comparitie van partijen is besproken is proces-verbaal opgemaakt, dat aan partijen is toegezonden. Een schikking is niet bereikt.

1.3

Vonnis is uiteindelijk bepaald op heden.

2 De feiten

2.1

PH is een aanbieder van heftrucks, warehouse equipment en gerelateerde producten voor de verkoop en/of verhuur (hierna ook wel te noemen: equipment). Daarbij biedt PH ook onderhoudswerkzaamheden met betrekking tot deze producten aan.

2.2

THB is onderdeel en staat aan het hoofd van de Ter Haak Groep, dat als hoofdactiviteit heeft de op- en overslag van goederen in de Amsterdamse haven.

2.3

Op 24 mei 2013 hebben partijen een ‘Mantel Overeenkomst’ (hierna: de Overeenkomst) gesloten (contract nummer 13V0348). Op grond van de Overeenkomst stelt PH aan THB ter beschikking een nader in een bijlage bij de Overeenkomst beschreven hoeveelheid equipment ter beschikking. De ingangsdatum van de Overeenkomst is 1 januari 2013. Op de Overeenkomst zijn de Algemene Verhuurvoorwaarden van de Vereniging van Fabrikanten van en Handelaren in Bouwmachines, Magazijninrichtingen, Wegenbouwmachines en Transportmiddelen B.M.W.T. van toepassing verklaard. Deze algemene voorwaarden kennen een forumkeuze voor de rechtbank te Den Haag.

2.4

De Overeenkomst kent de volgende voor deze procedure relevante bepaling:

Debiteur naam

Alleen om administratieve redenen geeft huurder aan welke werkmaatschappij van huurder gefactureerd dient te worden. Huurder blijft te allen tijde verantwoordelijk voor betaling.

2.5

Ten tijde van het aangaan van de Overeenkomst had PH openstaande en opeisbare vorderingen in verband met de verhuur van equipment op diverse groepsmaatschappijen van de Ter Haak Groep, daterend van voor 1 januari 2013. In verband met deze vorderingen zijn partijen op 10 april 2013 een betalingsregeling (hierna: de Betalingsregeling) overeengekomen. In de Betalingsregeling is de uitstaande vordering van PH op THB vastgesteld op € 1.086.723,83 en deze schuld zou door THB worden voldaan in 23 termijnen (per kwartaal te betalen) van
€ 33.333,33 respectievelijk € 49.336,19. De Betalingsregeling kent een artikel 4, dat luidt: Tot meerdere zekerheid voor de nakoming van de verplichtingen onder deze Betalingsregeling stelt Ter Haak zich hierbij jegens Peinemann hoofdelijk aansprakelijk voor de Vorderingen en de terugbetaling daarvan.

2.6

Bij brief van 3 juni 2014 heeft PH THB erop gewezen dat er achterstanden waren in verband met de Betalingsregeling en met betalingen op grond van de Mantelovereenkomst. In verband met de levensvatbaarheid van de Ter Haak Groep op langere termijn heeft PH een (nieuw) betalingsschema aangeboden met betrekking tot de openstaande vorderingen per 3 juni 2014.

2.7

Gedurende de jaren 2014 tot en met 2017 heeft THB wel betalingen verricht, maar desondanks is de totale huurachterstand (verder) opgelopen.

2.8

In verband met de verder opgelopen vorderingen van is tussen (onder andere) THB en Peinemann Mobilift Groep B.V. (hierna te noemen: PMG) op 19 februari 2018 een Vaststellingsovereenkomst (hierna: de Vaststellingsovereenkomst) gesloten. In artikel 3.1 en 3.2 van de Vaststellingsovereenkomst is het volgende bepaald: 3.1 EMA (bedoeld is Exploitatiemaatschappij Amerikahaven B.V., een van de overige partijen bij de Vaststellingsovereenkomst, hierna te noemen: EMA) heeft zich jegens de Peinemann Groep borg gesteld (in de zin van Titel 14 Boek 7 BW) voor alle betalingen van de Peinemann Vorderingen door de Ter Haak Groep alsmede alle andere vorderingen van de Peinemann Groep op de Ter Haak Groep. 3.2 EMA zal op basis van en in overeenstemming met de borgstelling de Peinemann Vorderingen namens de Ter Haak Groep voldoen, en direct afzien van haar regresrechten (in de zin van artikel 7:866 Burgerlijk Wetboek) op de Ter Haak Groep (buiten invordering plaatsen). Uit overweging (F) van de Vaststellingsovereenkomst blijkt dat onder ‘de Peinemann Groep’ onder andere PH worden verstaan.

2.9

Op 8 november 2018 heeft PH THB schriftelijk gesommeerd tot betaling van een openstaand bedrag van € 3.801.611,07 aan achterstallige vorderingen over de periode 2012 tot en met 2017.

2.10

Op 21 november 2018 heeft PH, na op 20 november 2018 verkregen verlof van de Voorzieningenrechter te Amsterdam ten laste van THB conservatoir beslag gelegd op een tweetal rechten van erfpacht.

3 De vordering

3.1

PH vordert om bij vonnis, voor zover de wet zulks toelaat volledig uitvoerbaar bij voorraad: THB te veroordelen om aan PH binnen veertien dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis, tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen (1.) de hoofdsom van € 3.801.611,07 inclusief btw; (2.) een bedrag aan verschuldigde rente van
€ 2.253.410,00, althans 1,5% vanaf datum dagvaarding over de volledige hoofdsom, althans een bedrag in goede justitie te bepalen, een en ander tot de dag der algehele voldoening; (3.) een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten van € 1.250,00, alsmede de kosten van beslaglegging ad € 332,47; (4.) THB te veroordelen in de kosten van het geding onder de bepaling dat (i) de proceskosten voldaan dienen te zijn binnen veertien dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis, en – voor het geval voldoening binnen deze termijn niet plaatsvindt – (ii) te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening, alsmede (iii) met veroordeling van THB in de nakosten de somma van € 157,00, dan wel, indien betekening plaatsvindt, de somma van € 239,00.

3.2

Aan deze vordering legt PH ten grondslag dat zij op grond van de verhuur van equipment een openstaande en opeisbare vordering heeft van € 3.801.611,07 op verschillende vennootschappen, die tot de Ter Haak Groep behoren, te vermeerderen met over dat bedrag verschuldigde rente van € 2.253.410,00. THB heeft zich op grond van de Overeenkomst tot borg gesteld voor de verplichtingen van de vennootschappen, die tot de Ter Haak Groep. Ondanks aanmaning daartoe blijft THB in gebreke met de nakoming van haar verplichtingen als borg voor de vennootschappen binnen de Ter Haak Groep de openstaande en opeisbare vorderingen betalen.

4 Het verweer

4.1

THB voert verweer tegen de vordering van PH. Het verweer komt er in de kern op neer dat op grond van het bepaalde in artikel 3.2 van de Vaststellingsovereenkomst THB niet langer borg is voor de verplichtingen van de Ter Haag Groep jegens PH, omdat EMA in de plaats van THB als borg jegens PH is getreden. Daarnaast betwist THB de hoogte van de uitstaande vorderingen. Niet alleen is het totaal van de openstaande huur van het equipment te hoog, ook zijn kosten voor reparaties in rekening gebracht, die voor rekening van PH dienen te blijven. Tenslotte laat PH een vorderingen van vennootschappen uit de Ter Haak Groep op PH tot een bedrag van € 177.018,45 onbetaald.

5 De beoordeling

5.1

De problematiek in deze procedure valt uiteen in twee aspecten, namelijk een strikt juridisch aspect en een meer administratief aspect. Het eerste aspect gaat over de vraag of de bepaling van artikel 3.2 van de Vaststellingsovereenkomst tot gevolg heeft dat EMA THB als borg voor de verplichtingen van de Ter Haak Groep uit de Mantelovereenkomst en de Betalingsregeling vervangt, met ontslag van THB als borg jegens PH tot gevolg. Het tweede aspect gaat over de vraag hoe hoog het bedrag is dat de Ter Haak Groep nog aan PH verschuldigd is. Omdat het antwoord op de eerste vraag tot gevolg kan hebben dat THB niet (langer) aansprakelijk is voor de verplichtingen van de Ter Haak Groep onder de Mantelovereenkomst en de Betalingsregeling zal de kantonrechter die vraag als eerste behandelen.

Is Ter Haak Beheer B.V. ontslagen als borg jegens Peinemann Heftrucks B.V.?

5.2

Tussen partijen is niet in geschil dat op grond van de Mantelovereenkomst en de Betalingsregeling THB zich tot borg gesteld heeft voor de verplichtingen, die verschillende vennootschappen uit de Ter Haak Groep op 1 januari 2013 jegens PH hadden en de verplichtingen, die na 1 januari 2013 jegens PH zijn ontstaan als gevolg van de verhuur van equipment door PH aan de Ter Haak Groep. Wat partijen verdeeld houdt is de vraag of EMA voor THB in de plaats is gekomen als borg jegens PH met ontslag van THB als borg tot gevolg (standpunt THB) of dat EMA zich tot borg heeft gesteld voor THB met instandhouding van de borgtocht van THB jegens PH (standpunt PH).

5.3

Voor zover niet al uit de tekst van artikel 3.2 in combinatie met andere bepalingen van de Vaststellingsovereenkomst zou voortvloeien dat EMA in de plaats is getreden van THB, leidt, volgens THB, een redelijke uitleg van de Vaststellingsovereenkomst ook tot die conclusie.

5.4

Voor de beoordeling van dit aspect van het geschil neemt de kantonrechter als uitgangspunt de definitie van borgtocht van artikel 7:850 lid 1 BW: Borgtocht is de overeenkomst waarbij de ene partij, de borg, tegenover de andere partij, de schuldeiser, verbindt tot nakoming van een verbintenis, die een derde, de hoofdschuldenaar, tegenover de schuldeiser heeft of zal krijgen.

5.5

In die zin zijn artikel 2.4 van de Mantelovereenkomst en artikel 4 van de Betalingsregeling afzonderlijke overeenkomsten van borgtocht. Op grond van artikel 2.4 van de Mantelovereenkomst heeft THB zich jegens PH tot borg gesteld voor de huurverplichtingen van equipment vanaf 1 januari 2013 en op grond van artikel 4 van de Betalingsregeling heeft THB dat gedaan voor de huurverplichtingen van voor 1 januari 2013.

5.6

Ervan uitgaande dat THB met PH aldus twee afzonderlijke overeenkomsten van borgtocht is aangegaan, is ook artikel 3.1 van de Vaststellingsovereenkomst weer als een afzonderlijke overeenkomst van borgtocht aan te merken. Daarbij heeft EMA zich tot borg gesteld voor de verplichtingen van de Ter Haak Groep jegens de Peinemann Groep. Niet onbelangrijk detail hierbij is dat PH formeel gesproken geen partij is bij de Vaststellingsovereenkomst; dat is immers, gelet op de lijst van partijen bij deze overeenkomst alleen PMG. In die zin is artikel 3.1 van de Vaststellingsovereenkomst dus een afzonderlijke overeenkomst van borgtocht tussen EMA en PMG. PH is niet eens partij bij deze overeenkomst. In minder strikte zin zou nog gezegd kunnen worden dat EMA zich via PMG tot borg heeft gesteld voor de gehele Peinemann Groep, inclusief PH. Daarmee is artikel 3.2 van de Vaststellingsovereenkomst dan aan te merken zijn als een overeenkomst van borgtocht, die naast de reeds bestaande overeenkomst van borgtocht van THB jegens PH is komen te staan. Artikel 3.2 bevestigt dit ook in letterlijke zin, immers: EMA heeft zich jegens de Peinemann Groep borg gesteld (…) voor de betaling van de Peinemann Vorderingen door de Ter Haak Groep).

5.7

Zoals uit het voorgaande blijkt is in deze procedure sprake van drie afzonderlijke overeenkomsten van borgtocht. Door THB is betoogd dat de (laatste) overeenkomst, de overeenkomst waarbij EMA zich tot borg stelt jegens de Peinemann Groep in de plaats is gekomen van de twee eerdere overeenkomsten. De kantonrechter zal dat thans toetsen.

5.8

Uit de (letterlijke) bewoording van artikel 3.1 van de Vaststellingsovereenkomst vloeit in ieder geval niet voort dat EMA in de plaats treedt van THB met betrekking tot de twee eerdere overeenkomsten die THB is aangegaan. Dat artikel zegt immers niets meer en niets minder dan dat EMA zich (via PMG) jegens PH tot borg heeft gesteld voor de betalingen van de vorderingen van de Peinemann Groep door de Ter Haak Groep. Het artikel zegt niets over de positie van THB als borg jegens PH.

5.9

THB beroept zich op twee andere bepalingen uit de Vaststellingsovereenkomst, die tot de conclusie zouden moeten leiden dat EMA in de plaats is getreden van THB en dat THB als borg jegens PH is ontslagen. De eerste van de twee is artikel 3.2.

5.10

Wat naar het oordeel van de kantonrechter uitsluitend uit artikel 3.2 kan worden afgeleid is (a) ten opzichte van de Peinemann Groep niet meer dan een bevestiging van hetgeen reeds in artikel 3.1 is bepaald, namelijk dat EMA zich als borg voor de Ter Haak Groep stelt (‘het voldoen van de Peinemann Vorderingen namens de Ter Haak Groep’ is immers juist de verplichting die EMA op zich heeft genomen) en (b) ten opzichte van THB dat EMA geen regres op THB zal nemen. Dat laatste regardeert PH echter niet. EMA doet daarmee alleen afstand van een regresrecht dat zij ten opzichte van THB heeft, een overeenkomst tussen EMA en THB, waar PH geen partij bij is, laat staan dat PH daardoor in een nadeliger positie kan komen te verkeren.

5.11

De tweede is artikel 1.2 van de Vaststellingsovereenkomst dat luidt: De in deze Vaststellingsovereenkomst opgenomen afspraken gaan voor op (en, waar van toepassing, vervangen) alle eerdere afspraken en overeenkomsten tussen Partijen, en waar van toepassing worden alle eerdere afspraken en tussen Partijen getekende overeenkomsten gewijzigd voor zover nodig om invulling te geven aan het gestelde in deze Vaststellingsovereenkomst.

5.12

Zoals reeds in rechtsoverweging 5.6 is besproken is van de zijde van de Peinemann Groep alleen PMG partij bij de Vaststellingsovereenkomst. Alleen daardoor al kan niet gezegd worden dat de afspraken uit de Vaststellingsovereenkomst eerdere afspraken en overeenkomsten tussen Partijen vervangen; PH is immers geen partij bij de Vaststellingsovereenkomst.

5.13

Daarnaast is naar het oordeel van de kantonrechter artikel 1.2 met name een bepaling die de rangorde tussen de verschillende tussen partijen gesloten overeenkomsten bepaalt. Pas secundair, omdat het betreffende zinsdeel tussen haakjes staat, zegt de bepaling iets over het vervangen van eerder gemaakte afspraken, en dan alleen nog ‘waar van toepassing’. Hoogstens zou gezegd kunnen worden dat als gevolg van de rangorde PH, indien deze zich zou willen beroepen op een van de overeengekomen overeenkomsten van borgtocht, zich in eerste instantie dient te wenden tot EMA, hetgeen overigens ook uit artikel 3.2 lijkt voort te vloeien. Zoals in rechtsoverweging 5.6 is overwogen bestaat de borgtocht van THB immers naast die van EMA.

5.14

Voor zover THB nog betoogd heeft op grond van het Haviltex-criterium niet alleen gekeken moet worden naar de letterlijke teksten, maar ook naar de betekenis die partijen aan die teksten mogen toekennen, komt de kantonrechter niet tot een ander oordeel. THB heeft gesteld dat het de bedoeling van partijen was THB als borg jegens PH zou zijn ontslagen, maar PH ontkent dit. De consequentie van het ontslaan van THB als borg zou zijn dat PH een van de bedongen zekerheden voor de nakoming van de verplichtingen van de vennootschappen van de Ter Haak Groep zou verliezen en dat in een situatie dat deze vennootschappen al jarenlang hun verplichtingen jegens PH gebrekkig nakomen. Zoals hierna ook aan de orde zal komen, wordt van de zijde van THB zelfs erkend dat nog een bedrag van tenminste € 2 miljoen uitstaat. THB heeft daarbij niet duidelijk kunnen maken op grond van welke zakelijke rationale PH afstand zou hebben gedaan van een in de gegeven omstandigheden voor haar zo belangrijke zekerheid. Het feit dat beide partijen zich bij de opstelling van de Vaststellingsovereenkomsten hebben laten bijstaan door externe raadslieden weegt de kantonrechter mee bij het oordeel dat het op de weg van THB had gelegen om expliciet in de Vaststellingsovereenkomst het ontslag van THB als borg overeen te komen en op te nemen. Het feit dat dat niet gebeurd is mag nu niet ten nadele van PH strekken. Ook het feit dat nog van de zijde van THB betoogd is dat EMA onderdeel is (geworden) van de Peinemann Groep maakt dit niet anders.

5.15

Uit het voorgaande vloeit voor dat THB niet als borg jegens PH is ontslagen en dat PH THB nog steeds, naast ook EMA, voor de openstaande verplichtingen van de Ter Haak Groep kan aanspreken. Daarmee komt de kantonrechter toe aan de tweede in rechtsoverweging 5.1. genoemde vraag.

De hoogte van de vordering van Peinemann Heftrucks B.V.

5.16

De vordering van PH in deze procedure bedraagt € 3.801.611,07 in hoofdsom, te vermeerderen met een bedrag aan rente van € 2.253.410,00 en buitengerechtelijke incassokosten. Tegen de hoogte van de hoofdsom heeft THB deels verweer gevoerd. Daarnaast heeft THB aangevoerd dat (het onbetwiste deel van) de vordering niet opeisbaar is.

5.17

Als argumenten voor de stelling dat de vordering van PH niet opeisbaar is noemt THB het feit dat partijen als sinds 1985 zaken met elkaar doen en dat tussen hen een ‘understanding’ geldt dat in zware economische tijden PH THB niet strikt aan haar betalingsverplichtingen zou houden. THB verkeert thans in zware economische tijden en desondanks heeft zij vanaf 2015 € 501.057,71 betaald.

5.18

Dat verweer kan THB naar het oordeel van de kantonrechter niet helpen. Uit de overgelegde stukken blijkt inderdaad dat partijen al langere tijd met elkaar zaken doen. Maar daaruit blijkt ook dat al gedurende langere tijd betalingsproblemen bestaan. De Betalingsregeling is daar een exponent van. Per 31 december 2012 had PH vorderingen op THB voor een bedrag van € 1.086.723,83, waarvoor partijen op 10 april 2013 een betalingsregeling hebben getroffen, op grond waarvan het betreffende bedrag op
1 oktober 2018 geheel afbetaald zou zijn. THB heeft niet aan het betalingsschema kunnen voldoen, waarop PH bij brief van 3 juni 2014 een deel het nog uitstaande bedrag heeft kwijtgescholden en voor het overige een gewijzigd betalingsschema heeft voorgesteld. Uit de brief blijkt dat de reden voor een en ander was dat THB een crediteurakkoord wenste om haar levensvatbaarheid te waarborgen. Tenslotte hebben partijen de Vaststellingsovereenkomst gesloten. Uit overweging (F) daarvan blijkt dat de Peinemann Vorderingen grotendeels achterstallig zijn en inmiddels zijn ingeroepen. Ook daaruit blijkt dat de vordering opeisbaar is.

5.19

Zou al niet uit overweging (F) van de Vaststellingsovereenkomst voortvloeien dat de vordering van Peinemann op THB opeisbaar is, dan overweegt de kantonrechter dat het altijd aan een schuldeiser is om al dan niet in te gaan op verzoeken van een schuldenaar om de betalingsvoorwaarden te wijzigen, wat daarvan ook de achterliggende oorzaak is. Een overweging kan zijn dat de schuldeiser een inschatting maakt dat hij door andere betalingsvoorwaarden te accepteren meer kans heeft zijn vordering (geheel) betaald te zien, dan deze in een keer op te eisen, met een acuut liquiditeitsrisico bij de schuldeiser tot gevolg. Dat PH in het verleden verschillende keren is ingegaan op verzoeken van THB om de betalingsvoorwaarden te wijzigen betekent niet dat deze niet THB op enig (later) moment aan haar betalingsverplichtingen mag houden. Daarbij komt nog dat een eenmaal opeisbaar geworden vordering alleen met toestemming of medewerking van de schuldeiser niet langer opeisbaar kan worden verklaard. Van een dergelijke toestemming of medewerking van PH is in deze procedure niet gebleken.

5.20

De hoogte van de hoofdsom heeft THB gedeeltelijk betwist. Met andere woorden: THB heeft een deel van de hoofdsom erkend. Tot betaling van het erkende deel van de hoofdsom zal THB in ieder geval worden veroordeeld.

5.21

Het erkende deel van de vordering valt als volgt te berekenen. Op de hoofdsom van
€ 3.801.611,07 brengt THB een aantal posten in mindering, als volgt:

Hoofdsom € 3.801.611,07

Betwisting deel hoofdsom € 704.225,86

Deelbetaling € 166.500,75

Wijziging maandbedrag € 670.000,00

Onterecht gefactureerde motor € 40.416,95

Onderhoudscontracten € 198.431,70

Vordering THB op PH € 177.018,45

Saldo onbetwist € 1.845.017,36

5.22

De kantonrechter zal thans elke betwisting beoordelen in het licht van de argumenten over en weer. Tijdens de comparitie van partijen is besproken dat THB haar betwisting, desgewenst nader aan de hand van producties, zou mogen onderbouwen, waarop PH dan nog zou mogen reageren. THB heeft daarop akte genomen op 10 september 2019, PH heeft op 24 september 2019 gereageerd.

5.23

Met betrekking tot het bedrag van € 704.225,86 dat THB van de hoofdsom betwist, heeft THB bij conclusie van antwoord productie 12 overgelegd en daarnaar in haar conclusie van antwoord verwezen. Productie 12 is slechts een eenvoudige opstelling, die niet onderbouwd wordt met enig onderliggend stuk. PH heeft de juistheid van de opstelling betwist. Ondanks daartoe in de gelegenheid gesteld herhaalt THB in haar akte van 10 september 2019 haar stelling dat de hoofdsom voor een bedrag van
€ 704.225,86 wordt betwist. Aangezien THB na de comparitie van partijen in de gelegenheid is geweest haar betwisting nader te onderbouwen, maar dat niet heeft gedaan, verwerpt de kantonrechter deze betwisting als onvoldoende onderbouwd.

5.24

THB heeft geen nadere onderbouwing gegeven van (een) deelbetaling(en) tot een bedrag van € 166.500,72. THB baseert zich hierbij eveneens op de eerder genoemde productie 12 bij conclusie van antwoord, waarvan de kantonrechter reeds oordeelde dat deze in het licht van de betwisting door PH en het feit dat THB nadien geen nadere onderbouwing heeft gegeven onvoldoende als onvoldoende onderbouwd wordt verworpen.

5.25

Ten aanzien van de stelling dat per 1 januari 2016 het maandbedrag verlaagd zou zijn van € 75.000,- naar € 47.400,- (leidende tot een te hoog factuurbedrag van € 670.000,-) verwijst THB naar een e-mail van de heer Kornet van PH. De betreffende e-mail wordt echter niet overgelegd, ook niet bij de akte van 10 september 2019, waarin THB opnieuw naar die e-mail verwijst. Ook deze betwisting zal daarom als onvoldoende onderbouwd terzijde worden geschoven.

5.26

Dat een bedrag van € 40.416,95 ten onrechte is gefactureerd voor de revisie van een motor is besproken tijdens de comparitie van partijen. De betreffende motor zou niet meer onder de fabrieksgarantie vallen en THB zou de reparatiekosten bij haar verzekeraar hebben geclaimd, volgens PH. Op deze stellingname van PH komt THB vervolgens niet meer terug, zodat ook deze betwisting als onvoldoende onderbouwd zal worden afgewezen.

5.27

Met betrekking tot het bedrag van € 198.431,70 voor reparatiewerkzaamheden, waarvan THB stelt dat deze onder een onderhoudscontract vallen en daardoor niet voor rekening van THB zouden, zijn baseert THB zich op het overzicht van productie 13 bij conclusie van antwoord. Uit het feit dat op dat overzicht een (groot) aantal posten geel is gemarkeerd zou voortvloeien dat de betreffende posten niet voor rekening van THB zijn. PH heeft dat betwist en bovendien nog aan haar betwisting toegevoegd dat THB niet eerder dan in deze procedure bij haar heeft geklaagd. Ook hier geldt dat het na de comparitie van partijen op de weg van THB lag om haar betwisting nader te onderbouwen, met name ook dat zij reeds eerder bij PH had geklaagd. Bij gebreke daarvan zal ook deze betwisting als uiteindelijk onvoldoende onderbouwd worden verworpen.

5.28

Rest nog bespreking van de (tegen)vordering(en) van THB op PH en andere vennootschappen van de Peinemann Groep (Peinemann Hoogwerkersystemen B.V. en Peinemann Container Handling B.V.). Bij conclusie van antwoord heeft THB productie 15 overgelegd, waaruit zou moeten blijken dat de Ter Haak Groep opeisbare vorderingen op (onder meer PH) heeft ter hoogte van € 177.018,45. Anders dan een e-mail van 13 december 2017, waarin een overzicht wordt gegeven van de openstaande vorderingen onderbouwt THB deze vordering(en) niet. PH betwist dat er sprake zou zijn van opeisbare vorderingen. Ondanks daartoe in de gelegenheid te zijn geweest, onderbouwt THB deze vorderingen in haar akte van 10 september 2019 niet nader, maar volstaat zij te verwijzen naar de eerder genoemde productie 15 bij conclusie van antwoord. Tegenover de betwisting van PH staat daarom geen nadere onderbouwing van de vorderingen op PH en andere Peinemann-vennootschappen. Alleen daarom al dient het verweer van THB, dat er kennelijk op neerkomt dat zij een opeisbare vorderingen van € 177.019,45 met de vordering van PH op THB zou mogen verrekenen, te worden afgewezen. Daarnaast verzuimt THB overigens ook aan te geven waarom vorderingen van ‘BEH’ en ‘USA’, kennelijk andere vennootschappen dan THB, op PH, Peinemann Hoogwerkersystemen B.V. en Peinemann Container Handling B.V. in aanmerking komen voor verrekening met vorderingen van THB.

De gevorderde vertragingsrente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten

5.29

Tegen de door PH gevorderde vertragingsrente (punt 3 van het petitum) voert THB in het geheel geen verweer, zodat deze vertragingsrente zal worden toegewezen en wel tot het volledige gevorderde bedrag, gegeven het feit dat uit het voorgaande voortvloeit dat de hoofdsom ook in zijn geheel zal worden toegewezen. Blijkbaar is de vertragingsrente berekend over een hoofdsom van € 3.801.611,07 en het gevorderde bedrag aan vertragingsrente van € 2.253.410,00 correspondeert met dat bedrag aan hoofdsom. Bij de toewijzing van de gevorderde rente na dagvaarding gaat de kantonrechter ervan uit dat een percentage van 1,5% per maand dient te worden toegepast.

5.30

Ook tegen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten voert THB geen verweer, zodat deze als onweersproken zullen worden toegewezen tot het gevorderde bedrag van € 1.250,00. Dat geldt evenzeer voor de beslagkosten ten hoogte van € 332,47.

5.31

Als de in het ongelijk gestelde partij zal THB worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van PH. Het bij team kanton verschuldigde griffierecht is € 972,00, de explootkosten bedragen € 85,79 en 2,5 punten salaris gemachtigde x € 1.441,00, zodat de kosten tot op heden worden begroot op € 4.660,29. De gevorderde nakosten zullen op de hierna in het dictum weergegeven wijze worden begroot.

6 De beslissing

De kantonrechter:

- veroordeelt THB om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis aan PH te betalen een bedrag van € 6.055.021,07, te vermeerderen met een rente van 1,5% per maand over een bedrag van € 3.801.611,07, te berekenen vanaf de dag van de dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt THB in de buitengerechtelijke incassokosten aan de zijde van PH van
€ 1.250,00 alsmede in de beslagkosten van € 332,47, te betalen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis;

- veroordeelt THB in de proceskosten aan de zijde van PH tot op heden begroot op
€ 4.660,29, waarvan € 3.602,50 vanwege salaris gemachtigde, te betalen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis en voor het geval betaling niet binnen veertien dagen plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening, alsmede in de nakosten van € 120,00 voor zover PH daadwerkelijk nakosten zal maken, en voorts, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de explootkosten van betekening van het vonnis;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. C.W.D. Bom en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 oktober 2019, in tegenwoordigheid van de griffier.