Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:14606

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-11-2019
Datum publicatie
11-02-2020
Zaaknummer
7951538/19-50368
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2020:1847, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

artikel 7:668 BW, aanzegplicht, ontvangsttheorie, artikel 3:37 lid 3 BW, bewijslastverdeling, artikel 7:661 BW, schade

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0183
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Den Haag

CdW

Zaaknr: 7951538/19-50368

Datum: 7 november 2019

Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. F. Ayar,

tegen

de besloten vennootschap Multi Construct B.V.,

gevestigd te ‘s-Gravenhage,

verwerende partij,

gemachtigde: mr. I.C. van der Wiel.

Partijen worden hierna aangeduid als “werknemer” en “werkgever”.

1 Het procesverloop

1.1.

Werknemer heeft een verzoek gedaan om werkgever te veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens het niet nakomen van de zogenoemde aanzegverplichting. Werkgever heeft een verweerschrift – tevens inhoudende een tegenverzoek – ingediend. Bij akte van 17 september 2019 heeft werkgever het tegenverzoek gewijzigd.

1.2.

Op 26 september 2019 heeft een zitting plaatsgevonden. Verschenen zijn de gemachtigde van werknemer, mr. F. Ayar, en [betrokkene 1] namens werkgever, bijgestaan door mr. I.C. van der Wiel. Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt die zich in het procesdossier bevinden.

2 De feiten

2.1.

Werknemer is op 25 juni 2018 in dienst getreden bij werkgever, op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor de duur van een jaar. Werknemer heeft laatstelijk de functie van onderhouds-/montagemedewerker vervuld, tegen een salaris van
€ 1.420,20 bruto per maand, exclusief 8% vakantietoeslag en verdere emolumenten. In artikel 5.2 van de arbeidsovereenkomst staat dat werkgever uiterlijk op 12 mei 2019 zal aangeven of de arbeidsovereenkomst zal worden voortgezet.

2.2.

Tijdens het dienstverband heeft werkgever aan werknemer een bedrijfsauto ter beschikking gesteld. Werknemer heeft de bedrijfsauto op 17 juni 2019 ingeleverd.

2.3.

De arbeidsovereenkomst is van rechtswege geëindigd op 24 juni 2019.

2.4.

Op 17 juni 2019 heeft tussen partijen een gesprek plaatsgevonden over de financiële afwikkeling van het dienstverband. Partijen zijn tot overeenstemming gekomen en hebben voorts voor akkoord getekend.

2.5.

Bij brief van 25 juni 2019 heeft werknemer werkgever aangeschreven over de aanzegvergoeding.

3 Het verzoek, grondslag en verweer

3.1.

Werknemer verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. werkgever te veroordelen om aan werknemer een vergoeding te betalen die gelijk is aan het bedrag van het loon naar rato, zijnde € 959,76 bruto;

II. werkgever te veroordelen tot betaling aan werknemer van de wettelijke rente vanaf de tijd van opeisbaarheid van het hiervoor genoemde bedrag tot aan de dag der algehele voldoening;

III. werkgever te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

Aan dit verzoek legt werknemer ten grondslag dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen is aangegaan voor bepaalde tijd en is geëindigd op 24 juni 2019, en dat werkgever heeft verzuimd om hem uiterlijk een maand daarvoor schriftelijk te informeren over het al dan niet voorzetten van de arbeidsovereenkomst, zoals dat op grond van artikel 7:668 lid 1 BW had gemoeten. Daarbij staat in artikel 5.2 van de arbeidsovereenkomst dat werkgever uiterlijk op 12 mei 2019 zal aangeven of de arbeidsovereenkomst zal worden voortgezet. Werknemer heeft echter pas op 14 juni 2019 een brief van werkgever ontvangen waarin staat dat zijn arbeidsovereenkomst niet wordt voortgezet. Aangezien werkgever 21 dagen te laat is met het aanzeggen van de arbeidsovereenkomst, is werkgever aan werknemer een vergoeding naar rato verschuldigd. De aanzegvergoeding bedraagt derhalve € 959,76. Voorts heeft werknemer de brief van 11 mei 2019 niet ontvangen. Het lag op de weg van werkgever om de brief aangetekend te versturen, maar dit is niet gebeurd.

3.3.

Werkgever verweert zich en stelt dat het verzoek om haar te veroordelen tot betaling van de gevorderde vergoeding moet worden afgewezen. Werkgever voert daartoe aan dat werkgever op 11 mei 2019 door middel van een brief aan werknemer heeft medegedeeld dat zijn arbeidsovereenkomst niet verlengd zal worden. Werkgever heeft dus wel degelijk voldaan aan haar wettelijke en contractuele verplichting, ook al is de brief niet aangetekend verstuurd. Na het versturen van de brief op 11 mei 2019 heeft werknemer laten blijken dat hij op de hoogte was van het feit dat zijn dienstverband niet wordt voortgezet. Wegens het niet voortzetten van het dienstverband heeft op 17 juni 2019 tussen partijen een gesprek plaatsgevonden om de financiële afwikkeling te bespreken. De door werknemer in het geding gebrachte brief, gedateerd 14 juni 2019, is niet de oorspronkelijke opzeggingsbrief, maar het resultaat van het gesprek tussen partijen. De handgeschreven opmerkingen op de brief van 14 juni 2019 hebben betrekking op de overeengekomen financiële afwikkeling. Bovendien hebben partijen twee maanden voor het versturen van de brief van 11 mei 2019 meerdere gesprekken gehad over het slechte functioneren van werknemer. Voor werknemer was het dus voldoende duidelijk dat het dienstverband niet verlengd zou worden. Voorts heeft werkgever de brief van 11 mei 2019 per e-mail toegezonden aan de gemachtigde van werknemer. Hoewel werknemer en diens gemachtigde op de hoogte waren van de brief van 11 mei 2019, hebben zij nagelaten dit feit in het verzoekschrift te vermelden. Werknemer heeft dus zijn waarheidsplicht, voorvloeiend uit artikel 21 Rv, geschonden. Daarom verzoekt werkgever de kantonrechter om hieraan de gevolgtrekking te verbinden die zij geraden acht.

4. De tegenvordering, grondslag en verweer

4.1.

Werkgever vordert – na wijziging van de tegenvordering bij akte – dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, werknemer veroordeelt tot betaling van € 2.347,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na het toegewezen vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening, met veroordeling van werknemer in de proceskosten.

4.2.

Werkgever legt aan deze vordering het navolgende ten grondslag. Tijdens het gesprek op 17 juni 2019 heeft werknemer bevestigd dat de bedrijfsauto schoon en zonder schade zal worden ingeleverd. Een paar weken voor het einde van zijn dienstverband heeft de heer [betrokkene 2] van JNR Handelsonderneming hem verzocht om een aantal stickers op de bedrijfsauto te verwijderen, zonder het gebruik van een schuurspons. Desondanks heeft werknemer opzettelijk de stickers met een schuurspons verwijderd, hetgeen blijkt uit de lakschade aan de bedrijfsauto. Toen werknemer de bedrijfsauto in gebruik nam, was er geen sprake van lakschade. Voorts bleek het interieur van de bedrijfsauto zwaar vervuild te zijn. Aangezien er sprake is van opzet aan de kant van werknemer, is werknemer jegens werkgever op grond van artikel 7:661 lid 1 BW aansprakelijk voor de schade aan de bedrijfsauto en de zware vervuiling van het interieur van de bedrijfsauto. Werknemer dient daarom deze schade aan werkgever te vergoeden.

4.3.

Werknemer heeft verweer gevoerd. Werknemer stelt dat hij geen schade heeft berokkend aan de bedrijfsauto. Op het moment dat werknemer de bedrijfsauto heeft ingeleverd, heeft werkgever hem niet gewezen op schade aan de bedrijfsauto.

5 De beoordeling

5.1.

Het verzoek van werknemer heeft betrekking op de aanzegplicht van artikel 7:668 lid 1, onderdeel a, BW. Op grond van dit wetsartikel moet de werkgever de werknemer uiterlijk een maand voordat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege eindigt schriftelijk informeren over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst. Uit artikel 7:668 lid 3 BW volgt dat de werkgever aan de werknemer een vergoeding naar rato verschuldigd is, indien de werkgever deze verplichting niet tijdig is nagekomen.

5.2.

Werknemer heeft het verzoek tijdig ingediend, omdat het is ontvangen binnen drie maanden na de dag waarop de verplichting op grond van artikel 7:668 lid 1 BW is ontstaan.

5.3.

De kantonrechter neemt tot uitgangspunt dat in zaken die voortvloeien uit de Wet werk en zekerheid (Wwz), zoals deze zaak, het bewijsrecht in beginsel van toepassing is, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet. In dit geval verzet de aard van de zaak zich niet tegen toepassing van het bewijsrecht.

5.4.

Ten aanzien van de bewijslastverdeling is in de wetsgeschiedenis van artikel 7:668 BW het volgende opgemerkt (Nota naar aanleiding van het verslag, Kamerstuk II 2013/2014, 33818, nr. 7, p. 36):

(…) Ten aanzien van de bewijslast (verdeling) geldt het volgende. Aangezien de werknemer zich zal moeten op het beroepen op het niet (tijdig) aangezegd zijn, zal hij dit wel eerst moeten stellen. Vervolgens zal de werkgever, aangezien op hem de plicht rust om aan te zeggen, moeten bewijzen dat hij dat ook daadwerkelijk en tijdig gedaan heeft. Aangezien de aanzegging schriftelijk dient plaats te vinden, doet een werkgever er wijs aan om de aanzegging aangetekend te versturen. (…)

5.5.

Als uitgangspunt voor de schriftelijke aanzegverplichting van artikel 7:668 lid 1 BW geldt de ontvangsttheorie, voortvloeiend uit artikel 3:37 lid 3 BW. Deze theorie houdt in dat een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon moet hebben bereikt.

5.6.

Vast staat dat de brief van 11 mei 2019 niet per aangetekende post is verzonden. Ter zitting heeft werkgever onweersproken gesteld dat werknemer – nadat de brief op 11 mei 2019 is verzonden – heeft laten blijken dat hij op de hoogte was van het einde van zijn dienstverband. Het niet voortzetten van het dienstverband was de aanleiding voor het gesprek van 17 juni 2019. Niet is weersproken dat twee maanden voor het versturen van de brief van 11 mei 2019 meerdere gesprekken hebben plaatsgevonden over de slechte functionering van werknemer, en dat het voor hem toen voldoende duidelijk was dat zijn dienstverband niet zou worden voortgezet. Nu werknemer niet heeft weersproken dat hij op de hoogte was van het einde van zijn dienstverband, is vast komen te staan dat werkgever tijdig heeft aangezegd. Werknemer heeft dus geen recht op een vergoeding en het verzoek zal daarom worden afgewezen.

5.7.

Ten aanzien van het tegenverzoek van werkgever geldt het volgende. Uit artikel 7:661 lid 1 BW blijkt dat de werknemer die bij de uitvoering van de overeenkomst schade toebrengt aan de werkgever te dier zake niet jegens de werkgever aansprakelijk is, tenzij de schade een gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid. Volgens jurisprudentie dient de werknemer schade aan een ter beschikking gestelde (lease-)auto te vergoeden, indien de schade niet tijdens de uitoefening van de werkzaamheden is veroorzaakt.

5.8.

Werkgever heeft gesteld dat werknemer opzettelijk schade heeft veroorzaakt aan de bedrijfsauto door de stickers met een schuurspons te verwijderen en de bedrijfsauto ernstig vervuild in te leveren. Werknemer heeft niet gemotiveerd weersproken dat hij een schuurspons heeft gebruikt voor het verwijderen van de stickers op de bedrijfsauto. Daarnaast is niet door werknemer weersproken dat hij de bedrijfsauto ernstig vervuild heeft ingeleverd. Naar het oordeel van de kantonrechter is voldoende aannemelijk geworden dat werknemer opzettelijk de stickers met een schuurspons heeft verwijderd, met als gevolg de ontstane lakschade. Ook acht de kantonrechter het voldoende aannemelijk dat werknemer opzettelijk de bedrijfsauto ernstig vervuild heeft ingeleverd.

5.9.

Het had op de weg van werknemer gelegen de stelling van werkgever gemotiveerd, dus aan de hand van concrete feiten en omstandigheden, te betwisten. Nu hij dit heeft nagelaten, wordt dit verweer als onvoldoende gemotiveerd verworpen. Dat werkgever werknemer niet op de schade heeft gewezen op het moment dat werknemer de bedrijfsauto heeft ingeleverd, doet hier niets aan af. Het verzoek tot betaling van € 2.347,00 ter zake van schade zal daarom worden toegewezen.

5.10.

Werknemer zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

6. De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

wijst het verzoek van werknemer af;

6.2.

veroordeelt werknemer tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van werkgever tot en met vandaag vaststelt op € 360,00 aan gemachtigdensalaris;

6.3.

veroordeelt werknemer tot betaling aan de werkgever van € 2.347,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 14 dagen na het toegewezen vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening;

6.4.

verklaart de veroordelingen onder 6.2 en 6.3 uitvoerbaar bij voorraad;

6.5.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. L.C. Heuveling van Beek en uitgesproken ter openbare zitting van 7 november 2019.