Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:14605

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-09-2019
Datum publicatie
07-02-2020
Zaaknummer
C/09/577306 / KG ZA 19-700
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Uitlevering Turkije; geen sprake van voldoende geconcretiseerd risico op schending art. 3 EVRM; eiser behoort niet tot risicogroep; eiser kan in Turkije opkomen tegen misstanden in penitenitaire inrichting; geen sprake van risico op flagrante schending art 6 EVRM; overheidsbemoeienis zal er in commune strafzaak van eiser niet toe leiden dat onafhankelijkheid/onpartijdigheid gerechtTurkijke in gedrang komt. Er rust op de Staat geen verplichting om tbv eiser een terugkeergarantie te bedingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0119
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/577306 / KG ZA 19-700

Vonnis in kort geding van 25 september 2019

in de zaak van

[eiser] te [plaats] ,

eiser,

advocaat mr. M.M.R. Slaghekke te Amsterdam,

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid)

te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 23 juli 2019;

- de brief van mr. Slaghekke van 31 juli 2019, met producties;

- de akte houdende een wijziging van eis;

- de brief van mr. Ten Broeke van 3 september 2019, met producties;

- de op 11 september 2019 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

De Turkse autoriteiten hebben op 14 november 2017 verzocht om de uitlevering van [eiser] . Dit uitleveringsverzoek is aangevuld op 20 juni 2018. De uitlevering van [eiser] wordt verzocht met het oog op een in Turkije tegen hem ingesteld strafrechtelijk onderzoek in verband met het vermoeden dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het meermaals invoeren van verdovende of stimulerende middelen en deelname aan een criminele organisatie.

2.2.

Bij uitspraak van 8 augustus 2018 heeft de rechtbank Rotterdam de uitlevering van [eiser] aan Turkije toelaatbaar verklaard. Daarbij heeft de rechtbank de Minister van Veiligheid en Justitie (hierna: ‘de Minister’) geadviseerd om na te gaan a) in welke mate de huidige situatie in Turkije van invloed is op de detentieomstandigheden aldaar en b) of op [eiser] de terugkeergarantie als bedoeld in artikel 4 van de Uitleveringswet (Uw) van toepassing is.

2.3.

Bij arrest van 22 januari 2019 heeft de Hoge Raad het door [eiser] tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 augustus 2018 ingestelde cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard.

2.4.

De Turkse autoriteiten hebben bij brief van 8 mei 2019 desgevraagd aan de Minister te kennen gegeven dat de bij brief van 3 februari 2017 en de bij brief van 24 maart 2017 door hen gegeven inlichtingen en garanties ook van toepassing zijn op [eiser] . Daarbij gaat het in de kern om de garanties dat a) een uit te leveren persoon in Turkije niet zal worden blootgesteld aan een behandeling die in strijd is met artikel 3 van Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en b) aan de uit te leveren persoon het recht wordt toegekend op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn conform de standaarden van artikel 6 EVRM.

2.4.1.

Meer in het bijzonder hebben de Turkse autoriteiten – voor zover thans van belang – toegezegd:

  • -

    dat een veroordeelde of in voorlopige hechtenis gestelde persoon in een Turkse penitentiaire inrichting niet zal worden gemarteld of slecht zal worden behandeld;

  • -

    dat veroordeelden en in voorlopige hechtenis gestelde personen bij de Turkse executierechter klachten kunnen indienen over het handelen van en de leefomstandigheden binnen de penitentiaire inrichting waar zij verblijven en vervolgens tegen beslissingen van de executierechter kunnen ageren bij de ‘Meervoudige Kamers in Zware Strafzaken’;

  • -

    dat de Turkse penitentiaire inrichtingen volledig voldoen aan de Europese regels voor het gevangeniswezen en de internationale standaarden en kunnen worden gecontroleerd door internationale controlemechanismen zoals het Europees Comité voor de preventie van foltering, de Commissie voor de Mensenrechten van de Raad van Europa en de Werkgroep van de Verenigde Naties voor Willekeurige Hechtenis in het kader van het ‘Optional Protocol to the Convention against Torture and other Cruel, Inhuman or Degrading Treatment or Punishment’ (OPCAT);

  • -

    dat uitgeleverde personen zullen worden ondergebracht in een penitentiaire inrichting passend bij de categorie van hun (vermoedelijk) gepleegde strafbare feiten en het veiligheidsrisico;

  • -

    dat de gesloten penitentiaire inrichtingen die in de grote steden zijn gebouwd op de plaats van oude penitentiaire inrichtingen dan wel om een oplossing te bieden voor de ontoereikende capaciteit over voldoende fysieke ruimte beschikken op het gebied van onderdak, zorg en onderwijs;

  • -

    dat uitgeleverde personen het recht hebben om vrijelijk een onafhankelijke advocaat te kiezen en dat deze advocaten de mogelijkheid wordt geboden om een onderhoud te hebben met hun in een penitentiaire inrichting verblijvende cliënt;

  • -

    dat uitgeleverde personen in een penitentiaire inrichting kunnen worden bezocht door een consulair ambtenaar van de uitleverende staat.

2.5.

De Minister heeft informatie ingewonnen bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken over de Turkse detentieomstandigheden van voor commune delicten veroordeelde personen. Dit heeft geleid tot de bevindingen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 10 maart 2017, die op 18 september 2017 en 8 maart 2019 van een update zijn voorzien.

2.5.1.

In de bevindingen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 10 maart 2017 valt – voor zover thans relevant – het volgende te lezen:

Samenvattend: De zaken die nu voorliggen en waar door Turkije om uitlevering wordt gevraagd betreffen commune delicten die relateren van vóór de coup. In z’n algemeenheid kan worden gezegd dat personen die worden verdacht van commune delicten redelijk tot goed worden behandeld. Wel kan sprake zijn van ‘overcrowding’, daarmee staat ook de toegang tot medische behandeling onder druk (…) Kanttekening hierbij is dat alle aandacht op dit moment naar postcoup en terrorismebestrijding uitgaat en in mindere mate naar de berechting van de gewone misdaad. (…)

Van 27 november t/m 2 december 2016 bezocht [A] , per 1 november jl. UN Special Rapporteur on Torture and Other Cruel, Inhuman or Degrading Treatment or Punishment , Turkije. (…) De omstandigheden in Turkse gevangenissen noemde [A] ‘generally satisfactory or acceptable’ . Wel is er sprake van ‘seriously overcrowded’ gevangenissen, met een bezettingsraad tussen de 125 en 200 procent. Dit heeft ook gevolgen voor de toegang van gevangenen tot medische zorg, frisse lucht en activiteiten in de gevangenis. Cellen op politiebureaus zijn bedoeld voor een kort voorarrest zijn niet toegerust op een langer verblijf, en zijn daarmee niet adequaat voor de huidige situatie waarin het voorarrest is verlengd tot 30 dagen. ‘ Gewone criminelen hoefden volgens [A] niet te vrezen voor marteling, maar ook zij ondervinden de gevolgen van overvolle cellen.

2.5.2.

In de ‘Update detentieomstandigheden Turkije m.b.t. uitlevering bij commuun delict’ van 18 september 2017 valt onder meer het volgende te lezen:

Samenvatting

De verslechterde situatie sinds de coup treft in eerste instantie de politieke gevangenen en in mindere mate de verdachten/veroordeelden van commune delicten. Uit het eerdere overzicht van BZ van 10 maart 2017 komt naar voren dat ten gevolge van de mislukte coup het aantal gevangenen in detentie drastisch is toegenomen. Hoewel een aantal plegers van commune delicten (vervroegd) is vrijgelaten, is het aantal gedetineerden in Turkije in absolute zin in korte tijd sterk gestegen. Deze toename leidt dan ook tot (verdere) overcrowding en dat leidt vervolgens weer tot vergroting van de druk op faciliteiten zoals de medische voorzieningen, de hygiëne, het ontvangen van bezoek en het luchten. Daarbij komt dat een aantal rechters en officieren van justitie is ontslagen. Daardoor, alsmede doordat prioriteit worden gegeven aan de berechting van politieke gevangenen, kan het langer duren voor verdachten van commune delicten voor de rechter verschijnen en verblijven zij dus langer in voorarrest.

In aanvulling op het overzicht van maart 2017 zijn er signalen vanuit een lokale NGO dat de agressievere opstelling van bewakingspersoneel jegens politieke gevangenen kan leiden tot het wegvallen van een drempel tot het gebruik van geweld en daarmee tot een verharding in atmosfeer, waarmee incidenteel ook de niet-politieke gevangenen (kunnen) worden geconfronteerd.”

2.5.3.

In de ‘Update detentieomstandigheden Turkije m.b.t. uitlevering bij commuun delict’ van 8 maart 2019 valt onder meer het volgende te lezen:

Samenvatting

De kwaliteit van detentieomstandigheden lijkt sterk per gevangenis te verschillen. Er kan niet worden geconcludeerd dat er sprake is van een systematische verslechtering over de hele linie; wel is duidelijk dat de omstandigheden niet zijn verbeterd en in voorkomende gevallen zijn verslechterd.

Verslechterde omstandigheden treffen in eerste instantie politieke gevangenen wiens aantal is toegenomen sinds de couppoging van 15 juli 2016, maar ook (in mindere mate) de verdachten/veroordeelden van commune delicten.

De belangrijkste oorzaak van de verslechterende omstandigheden is de stijging van het aantal gevangenen in de afgelopen jaren. Deze ontwikkeling is niet primair het gevolg van de couppoging, maar veeleer van een juridisch systeem waarbij processen vrijwel standaard leiden tot voorarrest en gevangenisstraf, terwijl er te weinig capaciteit beschikbaar is in de gevangenissen.

Hoewel plegers van commune delicten soms (vervroegd) worden vrijgelaten, heeft de absolute stijging van de gevangenispopulatie geleid tot verdere overcrowding. De huidige overbevolking wordt geschat op rond de 30.000 personen. Deze overbevolking leidt vervolgens weer tot vergroting van de druk op faciliteiten zoals de medische voorzieningen, de hygiëne, het ontvangen van bezoek en het luchten.

Daar komt bij dat tijdens de noodtoestand 4.279 rechters en aanklagers zijn ontslagen. Dit is een van de redenen waarom het langer duurt voordat verdachten van commune delicten voor de rechter verschijnen en de kans op een lang voorarrest dus toeneemt.”

2.5.4.

[A] heeft zijn bevindingen naar aanleiding van zijn bezoek aan Turkije neergelegd in een rapport van 18 december 2017 (hierna: ‘het rapport van [A] ’).

2.6.

De Minister heeft bij beschikking van 5 juni 2019 de verzochte uitlevering van [eiser] aan Turkije toegestaan. Volgens de Minister zijn de detentieomstandigheden voor verdachten van commune delicten in Turkije niet onredelijk en is de toegang tot effectieve klachtmogelijkheden in Turkije voldoende gewaarborgd. De Minister heeft zijn beslissing onderbouwd met een verwijzing naar de door de Turkse autoriteiten verstrekte inlichtingen en garanties en met de constatering dat door [eiser] onvoldoende is onderbouwd waarom in zijn specifieke geval sprake is van een dreigende flagrante mensenrechtenschending.

2.6.1.

De beschikking van 5 juni 2019 behelst tevens het besluit van de Minister om de Turkse autoriteiten niet te verzoeken om een terugkeergarantie ten aanzien van [eiser] . De Minister heeft die beslissing onder meer als volgt gemotiveerd:

“3.11. (…) Een terugkeergarantie wordt gevraagd voor Nederlandse burgers, alsmede voor geïntegreerde burgers (…)

3.12.

De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) heeft na navraag aangegeven dat verwacht kan worden dat de verblijfsstatus van de opgeëiste persoon zou worden ingetrokken bij een veroordeling voor de drie tenlastegelegde feiten. Dit heeft de IND kunnen vaststellen op grond van een advies van het openbaar ministerie dat een veroordeling voor de drie tenlastegelegde feiten in Nederland zou leiden tot een strafeis van 43 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Gelet op deze strafeis, en het aantal jaren dat de opgeëiste persoon in Nederland verblijft, is geconcludeerd dat, indien de opgeëiste persoon in Turkije zou worden veroordeeld voor de tenlastegelegde feiten, zou kunnen worden overgegaan tot intrekking van de verblijfsvergunning van de opgeëiste persoon.”

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert na wijziging van eis – zakelijk weergegeven – a) de Staat te veroordelen zijn feitelijke uitlevering uit te stellen tot na publicatie van het rapport van de ‘European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment’ (CPT) van de Raad van Europa (hierna: ‘het CPT-rapport’) naar aanleiding van een bezoek aan Turkije van 6 tot en met 17 mei 2019 en b) de Staat te verplichten om de Turkse autoriteiten op basis van de actuele stand van zaken in Turkije (zoals die zal blijken uit het CPT-rapport) nadere garanties te vragen ten aanzien van het verloop van zijn strafprocedure en de detentieomstandigheden, alsmede de Turkse autoriteiten te vragen om een terugkeergarantie, een en ander met veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2.

Daartoe voert [eiser] – samengevat – aan dat in weerwil van de door de Turkse autoriteiten verstrekte inlichtingen en garanties in zijn specifieke situatie niettemin sprake is van een dreigende flagrante schending van zijn door artikel 3, 6 en 13 van het EVRM beschermde mensenrechten. De Staat handelt volgens [eiser] jegens hem onrechtmatig door genoegen te nemen met ontoereikende garanties van de Turkse autoriteiten. Volgens [eiser] kan eerst na het door de Turkse autoriteiten verstrekken van bestendige en op hem toegespitste garanties positief op het uitleveringsverzoek worden beslist. Om dergelijke garanties te kunnen bedingen, dient volgens [eiser] het CPT-rapport te worden afgewacht. Aan de hand van dit rapport kan volgens [eiser] inzicht worden verkregen in de huidige situatie in Turkije. Meer in het bijzonder kan aan de hand van het CPT-rapport worden verzocht om plaatsing in een penitentiaire inrichting waar schending van de door het EVRM beschermde mensenrechten niet aan de orde is.

3.3.

Van een dreigende flagrante schending van artikel 3 EVRM is volgens [eiser] sprake nu het met de verstrekte garanties door de Turkse autoriteiten geschetste beeld van de detentieomstandigheden niet overeenstemt met de daadwerkelijke situatie in de Turkse penitentiaire inrichtingen. De verstrekte garanties zijn volgens [eiser] garanties voor de bühne en de inhoud van die garanties is een wassen neus. Er is volgens [eiser] in vrijwel alle Turkse penitentiaire inrichtingen sprake van ernstige overbevolking, (stelselmatige) marteling en slechte overige (detentie)omstandigheden.

3.3.1.

Wat betreft de overbevolking in Turkse penitentiaire inrichtingen verwijst [eiser] naar het rapport van [A] van 18 december 2017. [A] heeft onder meer penitentiaire inrichtingen in Istanbul en Antalya bezocht en volgens [eiser] is de kans groot dat hij na een veroordeling in een van deze inrichtingen terecht zal komen. Hoewel de garanties door de Turkse autoriteiten zijn afgegeven na het bezoek van [A] aan de penitentiaire inrichtingen, is volgens [eiser] de overbevolkingsproblematiek na voormeld bezoek van [A] allesbehalve verbeterd. In 2018 was sprake van een overpopulatie van 118,2%. De dreigende schending van artikel 3 EVRM wegens overbevolking wordt met de door de Turkse autoriteiten verstrekte garanties niet weggenomen. Onduidelijk is volgens [eiser] op welke penitentiaire inrichtingen de gegeven garanties betrekking hebben (gesloten of niet-gesloten inrichtingen) en of hij in een van deze inrichtingen zal worden geplaatst. Dit klemt volgens [eiser] te meer nu de Turkse autoriteiten in feite erkennen dat de detentieomstandigheden in het overgrote deel van de penitentiaire inrichtingen niet aan de internationale normen voldoen.

3.3.2.

In het Turkse gevangeniswezen vinden volgens [eiser] structureel martelingen plaats. Ook in dat verband verwijst [eiser] naar het rapport van [A] van 18 december 2017. Met name de eerste dagen na een arrestatie is het risico op mishandeling groot, mede omdat het relatief lang (maximaal vijf dagen) duurt voordat een verdachte toegang heeft tot een advocaat. Daarnaast worden van mishandeling verdachte overheidsdienaren in de praktijk niet vervolgd, zodat van een effectief rechtsmiddel om tegen deze mishandelingen op te komen geen sprake is. Na het bezoek van [A] aan Turkije is volgens [eiser] de situatie in Turkse penitentiaire inrichtingen op het gebied van structurele martelingen niet verbeterd. [eiser] verwijst in dit verband naar een grote hoeveelheid overgelegde publicaties en documenten. De door de Turkse autoriteiten verstrekte garanties zijn volgens [eiser] dan ook onvoldoende om een dreigende schending van artikel 3 EVRM als gevolg van marteling te voorkomen.

3.3.3.

[eiser] stelt wederom onder verwijzing naar het rapport van [A] dat de overbevolking tevens van grote invloed is op de overige detentieomstandigheden. De mogelijkheden tot het ontvangen van bezoek en onderhouden van contact met een advocaat zijn beperkt, evenals de toegang tot arbeid, recreatie en culturele activiteiten. Ook de toegang tot medische zorg laat ernstig te wensen over en er is sprake van een personele onderbezetting in de penitentiaire inrichtingen. Ook de overige detentieomstandigheden zijn na het verstrekken van de garanties niet verbeterd en ook in dit verband is van effectieve rechtsmiddelen geen sprake.

3.4.

Van een dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM is volgens [eiser] sprake nu een groot aantal rechters en openbare aanklagers na de couppoging is ontslagen en is vervangen door een door Erdogan benoemde en om die reden niet als onafhankelijk aan te merken groep rechters. Daarnaast is sprake van capaciteitsproblemen bij de Turkse rechterlijke macht, waardoor het risico bestaat dat strafprocedures niet binnen een redelijke termijn kunnen worden afgerond. In augustus 2017 is de maximale duur van de voorlopige hechtenis verlengd tot zeven jaar. Uit het rapport van [A] blijkt dat niet binnen een bekwame termijn toegang tot een advocaat kan worden verkregen en contact met een advocaat slecht mogelijk is. Hierdoor bestaat het gevaar dat bewijs onder dwang wordt verkregen en wordt de voorbereiding van een strafproces bemoeilijkt. Daarbij komt volgens [eiser] dat honderden Turkse advocaten zijn gearresteerd en vervolgd naar aanleiding van de mislukte couppoging. Het feit dat hij van commune delicten wordt verdacht, doet volgens [eiser] aan het voorgaande niet af, omdat de geschetste problematiek in het gehele Turkse rechtsbestel speelt. Van een effectief rechtsmiddel om tegen een schending van artikel 6 EVRM op te komen, is naar de mening van [eiser] geen sprake. De gegeven garanties zijn volgens [eiser] ook in dit verband gedateerd en ontoereikend. Daarbij wijst [eiser] er voorts op dat na de mislukte coup (strafvorderlijke) maatregelen zijn genomen, waarvan op voorhand niet duidelijk is dat deze niet gelden voor het soort delict waarvoor hij wordt vervolgd. Er zijn volgens [eiser] door de Turkse autoriteiten geen specifiek op hem betrekking hebbende garanties verstrekt, bijvoorbeeld over de duur van zijn strafproces en de mogelijkheden van toegang tot een advocaat.

3.5.

[eiser] stelt tenslotte dat hij recht heeft op een terugkeergarantie. Het standpunt van de Staat dat te verwachten valt dat zijn verblijfstitel zal worden ingetrokken, is volgens [eiser] onvoldoende onderbouwd.

3.6.

De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

De voorzieningenrechter stelt het volgende voorop. Op grond van de Uw vindt uitlevering van een opgeëiste persoon plaats nadat die door de uitleveringsrechter toelaatbaar is verklaard en vervolgens door de Minister bij besluit is toegestaan. In verband met de taakverdeling tussen de uitleveringsrechter en de Minister zoals neergelegd in de Uw, toetst de uitleveringsrechter bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de uitlevering niet alle aspecten van de uitlevering. Aspecten die volgens die taakverdeling worden beoordeeld door de Minister en daarom bij de toelaatbaarverklaring door de uitleveringsrechter niet aan de orde zijn gekomen, kan de opgeëiste persoon desgewenst betrekken in een vordering bij de burgerlijke rechter die ertoe strekt de uitlevering te verbieden op de grond dat het besluit van de Minister, of de tenuitvoerlegging daarvan, onrechtmatig is tegenover de opgeëiste persoon.

4.1.1.

Uit de artikelen 8 en 10 Uw volgt dat het oordeel over de vraag of de uitlevering een schending oplevert of tot een schending zal leiden van fundamentele rechten, zoals een inbreuk op het verbod van artikel 3 EVRM, in de taakverdeling tussen de uitleveringsrechter en de Minister is voorbehouden aan de Minister (vgl. HR 15 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0547). Indien tegen een besluit van de Minister om de uitlevering toe te staan, wordt opgekomen bij de burgerlijke rechter met de stelling dat de uitlevering strijdig is met fundamentele rechten, dient toetsing van die beslissing een volledige te zijn (vgl. HR 15 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV7387).

4.1.2.

De hiervoor omschreven taakverdeling tussen de uitleveringsrechter en de Minister betekent dat de opgeëiste persoon die bij de Minister aanvoert dat zijn uitlevering een schending van fundamentele rechten oplevert of zal opleveren, het besluit van de Minister ter toetsing kan voorleggen aan de burgerlijke rechter. Beroept de opgeëiste persoon zich op feiten, omstandigheden of bewijsmateriaal waarover de uitleveringsrechter reeds heeft geoordeeld, dan kan aan dat beroep voorbij worden gegaan indien daaraan niet (ook) andere feiten, omstandigheden of bewijsmateriaal ten grondslag worden gelegd. Hetgeen in de uitleveringsprocedure niet aan de orde is gesteld en in de civiele procedure wel naar voren wordt gebracht, zal door de burgerlijke rechter in de beoordeling moeten worden betrokken. In voorkomend geval kan dit ook ertoe leiden dat in de civiele procedure op grond van deze nieuwe omstandigheden anders moet worden geoordeeld dan in de uitleveringsprocedure (HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1680).

4.1.3.

In de gevallen waarin zowel de verzoekende staat als de aangezochte staat is toegetreden tot het EVRM, moet in beginsel worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende staat de bepalingen van dit verdrag zal eerbiedigen, welk vertrouwen meebrengt dat ervan moet worden uitgegaan dat de opgeëiste persoon in geval van schending van enig hem bij dat verdrag toegekend recht na zijn uitlevering ter (verdere) strafvervolging het recht heeft op een daadwerkelijk rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM voor een instantie van de verzoekende staat. Dit betekent dat een verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering moet wijken voor de ingevolge artikel 1 EVRM op de Staat rustende verplichting om de rechten van dat verdrag te verzekeren indien (a) blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge artikel 6, eerste lid, EVRM toekomend recht, en (b) voorts naar aanleiding van een voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan dat hem na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM ten dienste staat ter zake van die inbreuk.

4.1.4.

Daarnaast staat artikel 3 EVRM in de weg aan uitlevering indien er gegronde redenen ("substantial grounds") zijn om aan te nemen dat de opgeëiste persoon in geval van uitlevering een reëel risico ("a real risk") loopt te worden onderworpen aan foltering of aan een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing. Doet zo’n situatie zich voor dan kan de Minister niet volstaan met een verwijzing naar het vertrouwensbeginsel. Bij de beoordeling van de vraag of die situatie zich voordoet heeft als uitgangspunt te gelden dat de "mere possibility of ill-treatment on account of an unsettled situation in the requesting country does not in itself give rise to a breach of Article 3" (EHRM 18 september 2012, zaak 17455 / 11 Umirov-Russia).

Artikel 3 EVRM

4.2.

[eiser] stelt dat hij bij uitlevering aan Turkije een concreet risico loopt op schending van artikel 3 EVRM omdat in vrijwel alle Turkse penitentiaire inrichtingen sprake is van overbevolking, marteling en overige slechte detentie-omstandigheden. Het is blijkens het hiervoor geschetste toetsingskader aan [eiser] om gemotiveerd te onderbouwen dat er daadwerkelijk concrete aanwijzingen zijn op grond waarvan kan worden aangenomen dat hij het hiervoor bedoelde reële risico loopt. [eiser] is daarin niet geslaagd. Uit het rapport van [A] , waar [eiser] zich in dit verband voornamelijk op beroept, en de bevindingen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken volgt immers dat voornamelijk gedetineerden die behoren tot kwetsbare groepen een reëel risico lopen om in Turkije het slachtoffer te worden van een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling. Daarbij gaat het om aanhangers van de Gülen-beweging, personen die betrokken zijn (geweest) bij het corruptieonderzoek tegen (familie van) overheidsdienaren/leden van de regering Erdogan, personen met een Koerdische achtergrond en personen met (vermeende) banden met de PKK. Niet ter discussie staat dat [eiser] niet behoort tot een dergelijke risicogroep en dat hij niet wordt vervolgd voor een politiek getint delict. [eiser] wordt immers vervolgd voor de invoer van verdovende middelen in Turkije en deelname aan een criminele organisatie. Een en ander laat onverlet dat blijkens de beschikbare informatie incidenteel ook verdachten en veroordeelden van commune delicten binnen het Turkse gevangeniswezen het slachtoffer worden van een met artikel 3 EVRM strijdige bejegening. Dit is echter een algemeen risico dat in feite iedere verdachte of veroordeelde van een commuun delict loopt. Een voldoende geconcretiseerd reëel risico levert dit ten aanzien van [eiser] niet op. Van belang hierbij is dat [A] de omstandigheden in Turkse penitentiaire inrichtingen in zijn algemeenheid (ondanks de eveneens door hem geconstateerde overbevolking en daaruit op diverse aspecten van het gevangeniswezen voortvloeiende problematiek) als bevredigend dan wel in ieder geval als aanvaardbaar heeft aangemerkt en het Ministerie van Buitenlandse Zaken sindsdien heeft vastgesteld dat verdachten van commune delicten, ondanks het feit dat de (inmiddels afnemende) overbevolking en daaraan gerelateerde problematiek nog altijd niet volledig is teruggedrongen/opgelost, redelijk tot goed worden behandeld. Daarnaast hebben de Turkse autoriteiten ten aanzien van [eiser] de nodige garanties verstrekt dat hem niet een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling ten deel zal vallen. Bij gebreke van een gebleken reëel risico ten aanzien [eiser] kan niet worden gezegd dat de door de Turkse autoriteiten verstrekte garanties onvoldoende zijn, terwijl evenmin aanleiding bestaat om aan te nemen dat ten aanzien van [eiser] niet conform deze garanties zal worden gehandeld. Meer in het bijzonder mag erop worden vertrouwd dat [eiser] conform de gedane toezegging zal worden ondergebracht in een penitentiaire inrichting die, gelet op zijn status, de categorie van de aan hem tenlastegelegde strafbare feiten en het veiligheidrisico, voor hem geschikt is. Voorts is van belang dat de Turkse autoriteiten hebben toegelicht dat de Turkse regelgeving voorziet in concrete mogelijkheden om op te komen tegen slechte behandeling en marteling in penitentiaire inrichtingen, en dat zij hebben toegezegd dat deze mogelijkheden ook daadwerkelijk aan [eiser] ter beschikking zullen staan. Bij die stand van zaken bestaat geen reden om in dit verband de publicatie van het CPT-rapport af te wachten, zulks nog daargelaten dat – naar de Staat onweersproken heeft gesteld – dit onderzoek betrekking zal hebben op politiedetentie en niet aannemelijk is geworden dat [eiser] na uitlevering in politiedetentie zal worden geplaatst. Daarmee is evenmin toewijsbaar de eis om op basis van dit rapport nadere garanties te bedingen met betrekking tot de strafprocedure van [eiser] in Turkije en diens plaatsing in een specifieke penitentiaire inrichting.

Artikel 6 EVRM

4.3.

Vervolgens is aan de orde de vraag of [eiser] voldoende heeft onderbouwd dat hij bij uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op artikel 6 EVRM.

4.3.1.

De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag ontkennend. Niet ter discussie staat dat de Turkse autoriteiten zich sinds de mislukte couppoging actief hebben bemoeid met de benoeming van rechters en openbare aanklagers en het functioneren van politie en justitie in zijn algemeenheid. Niet gebleken is echter dat deze bemoeienis het door artikel 6 EVRM beschermde recht van [eiser] op een eerlijk proces in de kern aantast. Zoals reeds in eerdere jurisprudentie is uitgemaakt, heeft deze bemoeienis onmiskenbaar tot gevolg dat de aanhangers van Gülen alsmede personen die betrokken zijn (geweest) bij het corruptieonderzoek tegen (familie van) overheidsdienaren/leden van de regering Erdogan en personen met een Koerdische achtergrond en (vermeende) banden met de PKK in een kwetsbare positie zijn komen te verkeren. [eiser] wordt – zoals uit het voorgaande blijkt – verdacht van commune delicten en maakt geen deel uit van een van de hiervoor genoemde kwetsbare groepen. Concrete aanwijzingen dat de Turkse overheid (eveneens) structureel invloed/druk uitoefent op commune strafzaken, zoals die van [eiser] , ontbreken. Het voert aldus te ver om op voorhand aan te nemen dat de gesignaleerde overheidsbemoeienis ertoe zal leiden dat de rechter(s) in de commune strafzaak van [eiser] onvoldoende onafhankelijk/onpartijdig zal/zullen zijn.

4.3.2.

Daarnaast is van belang dat de Turkse autoriteiten schriftelijk hebben bevestigd dat de tijdens de noodtoestand uitgevaardigde maatregelen (waaronder de verlenging van de duur van de inverzekeringstelling) uitsluitend gelden ten aanzien van misdrijven tegen de staatsveiligheid, de constitutionele orde, de nationale defensie en staatsgeheimen, alsmede ten aanzien van terroristische misdrijven. [eiser] wordt vervolgd voor commune delicten, zodat er vanuit mag worden gegaan dat deze maatregelen op hem niet van toepassing zullen zijn. [eiser] heeft in het licht van de door de Turkse autoriteiten gegeven garantie dat hij – kort gezegd – recht heeft op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn conform de standaarden van artikel 6 EVRM, voorts onvoldoende onderbouwd dat hem geen toegang tot een advocaat zal worden verleend en dat de redelijke termijn in zijn strafzaak zal worden overschreden. Dit klemt temeer nu uit de bevindingen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken volgt dat het voor commune delicten in het algemeen geen probleem is om een advocaat te vinden en de doorlooptijden in commune strafzaken redelijk tot goed zijn. Ook staat vast dat er inmiddels veel nieuwe rechters zijn aangesteld, ter vervanging van de ontslagenen. Indien [eiser] tijdens zijn strafproces in Turkije niettemin geconfronteerd mocht worden met een (dreigende) flagrante schending van zijn door artikel 6 EVRM beschermde rechten, mag er bovendien op worden vertrouwd dat hem alsdan conform de daartoe door de Turkse autoriteiten gedane toezegging een voldoende effectief rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM ten dienste zal staan.

4.4.

[eiser] vordert tenslotte dat de Staat wordt veroordeeld om voor hem een terugkeergarantie te bedingen. Ook die vordering is niet toewijsbaar. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat de Staat met juistheid heeft betoogd dat een terugkeergarantie bij een geïntegreerde vreemdeling als [eiser] niet aan orde is wanneer verwacht kan worden dat die vreemdeling zijn verblijfsrecht naar aanleiding van een veroordeling in de verzoekende staat zal verliezen. Bij een te verwachten verlies van het verblijfsrecht is er geen grond om de vreemdeling gelijk te stellen aan een Nederlander en is een terugkeergarantie niet aan de orde. Onder verwijzing naar de zogenaamde ‘glijdende schaal’ van artikel 3.86 van het Vreemdelingenbesluit 2000 heeft de Staat toegelicht dat aan de hand van de verblijfsduur van de geïntegreerde vreemdeling in Nederland (duur van het rechtmatig verblijf tot het moment waarop het misdrijf is gepleegd) en de opgelegde straf wordt bepaald of een verblijfsrecht wordt ingetrokken. Niet ter discussie staat dat [eiser] sinds 5 augustus 2002 rechtmatig in Nederland verblijft en dat de feiten waarvan hij wordt verdacht zijn gepleegd op of omstreeks 22 februari 2010. [eiser] verbleef op dat moment dus tussen de zeven en acht jaar in Nederland. Op laatstgenoemde datum leidde krachtens artikel 3.86 van het Vreemdelingenbesluit een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan 36 maanden tot verlies van het verblijfsrecht. Nu aan [eiser] nog geen straf is opgelegd, dient een inschatting van de op te leggen straf te worden gemaakt. In dat verband heeft de IND advies van het OM ingewonnen en het OM heeft te kennen gegeven dat de strafeis naar Nederlands recht 43 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou zijn. [eiser] heeft niet weersproken dat laatstgenoemde strafeis voor de feiten waarvan hij wordt verdacht in overeenstemming is met de (destijds) geldende regelgeving. De IND heeft dan ook kunnen concluderen dat op grond van de verblijfsduur van [eiser] in Nederland en de te verwachten straf het verblijfsrecht van [eiser] kan worden beëindigd. De omstandigheid dat door de Staat ter zake geen stukken van de IND en het OM zijn overgelegd, doet voorshands aan de juistheid van die conclusie niet af. De Minister heeft bij voormelde stand van zaken dan ook in redelijkheid kunnen besluiten om voor [eiser] geen terugkeergarantie bij de Turkse autoriteiten te bedingen.

4.5.

Uit al het voorgaande volgt dat de vordering van [eiser] dient te worden afgewezen. [eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.619,--, waarvan € 980,-- aan salaris advocaat en € 639,-- aan griffierecht;

5.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.J. Keltjens en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2019.

mw