Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:14525

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-12-2019
Datum publicatie
07-04-2020
Zaaknummer
C/09/528922 / FA RK 17-1990, C/09/553638 / FA RK 18-3719
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2021:1025, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Eindbeschikking. Verdeling naar Texaans recht. Geen reden om af te wijken van een verdeling bij helfte. Bespreking van de bestanddelen (waaronder het pensioen).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PR-Updates.nl PR-2020-0087
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummers: FA RK 17-1990 en FA RK 18-3719

Zaaknummers: C/09/528922 en C/09/553638

Datum beschikking: 24 december 2019

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 14 maart 2017 ingekomen verzoek van:

[Y]

de man,

wonende te Qatar,

advocaat: mr. C.L.M. Smeets te Amsterdam.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[X] ,

de vrouw,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. drs. E.J. Kim-Meijer te Den Haag.

Procedure

Bij beschikking van 16 augustus 2019 van deze rechtbank is de verdere voortgang van de procedure ten aanzien van de afwikkeling van het huwelijksvermogen en de pensioenaanspraken bepaald.

Bij beschikking van 19 augustus 2019 is het verzoek van de vrouw om de beschikking van 17 april 2019 ten aanzien van de partneralimentatie te verbeteren afgewezen.

De rechtbank heeft nadien de volgende stukken ontvangen:

  • -

    de brief van 13 september 2019, met bijlagen, van de zijde van de man;

  • -

    het F9-formulier van 15 september 2019, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;

  • -

    het faxbericht van 20 september 2019 van de zijde van de man;

  • -

    het faxbericht van 22 september 2019 van de zijde van de vrouw.

De rechtbank heeft op 1 november 2019 beide advocaten per brief gevraagd of zij – gelet op de zetelwisseling – nog behoefte hebben aan een nadere mondelinge behandeling voordat de rechtbank een eindbeslissing zal geven in de zaak. De rechtbank heeft op 20 november 2019 en op 22 november 2019 per fax van beide advocaten het bericht ontvangen dat geen behoefte bestaat aan een nadere mondelinge behandeling.

De rechtbank zal thans een eindbeslissing geven ten aanzien van de nog openstaande (geschil)punten.

Beoordeling

De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikkingen is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.

Ontvangen stukken

De rechtbank heeft bij beschikking van 16 augustus 2019 partijen tot uiterlijk 15 september 2019 de gelegenheid gegeven om de gevraagde lijst van vermogensbestanddelen en schulden in te dienen. De man heeft op 13 september 2019 de gevraagde informatie bij de rechtbank ingediend en de vrouw op 15 september 2019. De man maakt bezwaar tegen het in behandeling nemen van de door de vrouw overgelegde bescheiden omdat deze reactie volgens hem pas op 16 september 2019 is ontvangen en de vrouw zich hiermee dus niet aan de door de rechtbank gestelde termijn heeft gehouden. De rechtbank zal aan dit bezwaar voorbij gaan en neemt wel kennis van de door de vrouw ingediende stukken. De rechtbank is van oordeel dat de man hiermee niet in zijn (procedurele) belangen is geschaad, temeer nu hij in de daaropvolgende schriftelijke ronde de gelegenheid heeft gehad om op de stukken te reageren.

Inhoudelijke beoordeling

Peildatum

De rechtbank hanteert, zoals in de beschikking van 16 augustus 2019 is overwogen, in dit geval 17 april 2019 – de datum waarop de echtscheiding is uitgesproken – als de peildatum voor de vaststelling van de omvang van de gemeenschap en de vaststelling van de waarde van de (vermogens)bestanddelen.

Omvang

De rechtbank begrijpt uit de standpunten van partijen dat zij een beslissing wensen over de volgende bestanddelen en schulden:

  1. (zakelijke) bankrekening ABN AMRO ( [nr. 1] ) ten name van de vrouw;

  2. bankrekening Rabobank ( [nr. 2] ) ten name van de man;

  3. bankrekening Rabobank ( [nr. 3] ) ten name van de man;

  4. bankrekening ABN AMRO ( [nr. 4] );

  5. bankrekening ABN AMRO ( [nr. 5] );

  6. [naam werkgever Y] en [naam 1] ten name van de man;

  7. spaarrekening Sparkasse [plaatsnaam] [nr. 7] ) ten name van de vrouw;

  8. [naam 2] bank stock ten name van de vrouw;

  9. [naam 3] savings account ten name van de vrouw;

  10. [naam werkgever Y] pensioen van de man;

  11. [naam werkgever Y] ten name van de man;

  12. [naam werkgever Y] ten name van de man;

  13. [naam 4] account ( [nr. 6] ) ten name van de man;

  14. [naam 5] ;

  15. Cybercurency [naam 6] ;

  16. severance payment van de man;

  17. motor vehicle [kenteken] ;

  18. inboedel man;

  19. inboedel vrouw;

  20. sieraden en lijfgoederen man;

  21. sieraden en lijfgoederen vrouw;

  22. kapitaalverzekering [naam 7] ten name van de vrouw;

  23. spaarrekening [minderjarige]

  24. [naam werkgever Y] ;

  25. cash set aside for Private School [minderjarige]

  26. belastingschulden.

Wijze van verdelen: bij helfte?

De rechtbank begrijpt uit de door beide partijen overgelegde legal opinions dat het verdelen van gemeenschappelijk goederen (‘community property’) naar Texaans recht geschiedt volgens de regels van redelijkheid en billijkheid (‘division in a just and right manner’). Dit behoeft geen 50/50-verdeling in te houden. Indien de rechtbank hier gelet op de omstandigheden van het geval redenen voor ziet dan kan worden afgeweken van een verdeling bij helfte.

De vrouw heeft in de brieven van 14 mei 2019, 15 september 2019 en 22 september 2019 gemotiveerd aangegeven hoe zij vindt dat de ‘division in a just and right manner’ moet plaatsvinden. Dit komt er – kort weergegeven – op neer a) dat het opgebouwde pensioen voor 100% aan de vrouw zal worden toegescheiden, b) dat een groter deel van de gemeenschappelijke bezittingen aan de vrouw zal worden toegescheiden, c) dat de vrouw een 100% vergoeding krijgt voor het bedrag dat de man gedurende het huwelijk aan gemeenschapsgelden heeft onttrokken voor zijn privédoeleinden, d) dat [minderjarige] en de vrouw volledig voor huidige en toekomstige therapie kosten door de man worden gecompenseerd, en e) dat de vrouw haar separate property geheel mag behouden. Volgens de vrouw is dit redelijk als compensatie voor onder andere het gedrag van de zijde van de man ten tijde van het huwelijk en nu het volgens de vrouw onwaarschijnlijk is dat de man in de toekomst de partneralimentatie en kosten voor [minderjarige] zal betalen.

De man betwist hetgeen de vrouw stelt en stelt zich – zo begrijpt de rechtbank – in beginsel op het standpunt dat een verdeling van community property bij helfte redelijk is. De man merkt hierbij wel op dat het feit dat de man een alimentatieverplichting heeft jegens [minderjarige] en de vrouw in aanmerking genomen kan worden bij de verdeling, in die zin dat de man onder bepaalde omstandigheden een groter deel van het gemeenschappelijk vermogen dan de helft toegedeeld zou kunnen krijgen. Daarnaast brengt de man de schoolkosten van [minderjarige] tot en met 2021/2022 in mindering op zijn ‘severance payment’, gelet op de afspraken die partijen hierover hebben gemaakt.

De rechtbank ziet in hetgeen beide partijen naar voren hebben gebracht geen aanleiding om hun gemeenschappelijke vermogen op een andere wijze dan bij helfte te verdelen.

De rechtbank begrijpt uit de toelichting dat de vrouw zich erg gekwetst voelt door de man, maar nu partijen beide een andere lezing hebben over (de problemen binnen) hun huwelijk en de (reden voor) de uiteindelijke breuk, kan de rechtbank niet beoordelen wat waarheid is en wat niet en zal zij het door de vrouw benoemde ‘gedrag van de man’ niet op de wijze zoals de vrouw voorstelt betrekken in het oordeel. Hiernaast is de rechtbank niet gebleken dat de man gedurende het huwelijk gemeenschapsgelden heeft onttrokken voor privédoeleinden, zodat ook dit geen reden is om af te wijken van een verdeling bij helfte.

De rechtbank gaat er voorts vanuit dat de man de door de rechtbank vastgestelde alimentatieverplichtingen jegens de vrouw en [minderjarige] , alsmede de tussen de ouders gemaakte afspraken over het betalen van de school- en opleidingskosten van [minderjarige] , zal nakomen. De aanname die de vrouw op dit punt formuleert, is naar het oordeel van de rechtbank ongefundeerd. Tot slot overweegt de rechtbank dat zij van oordeel is dat de man niet behoeft te worden gecompenseerd, in die zin dat hij een groter deel van het gemeenschappelijk vermogen zou ontvangen, omdat hij voornoemde alimentatieverplichtingen heeft.

De bestanddelen

De rechtbank zal hierna de onder a tot en met z genoemde bestanddelen bespreken. Hierbij zal de rechtbank – voor zover dat aan de orde is – ook beoordelen of sprake is van gemeenschappelijk goederen (‘community property’), privé goederen (‘separate property’) of gemengde goederen (‘mixed assets’) en wat dit voor gevolg heeft bij de verdeling.

Bankrekening ABN AMRO ( [nr. 1] )

Partijen hebben niet gesteld dat de bankrekening aan één van hen beide toebehoort en is aan te merken als privégoed (‘separate property’). De rechtbank gaat er daarom vanuit dat deze rekening een gemeenschappelijk goed is. Tussen partijen is niet in geschil dat het saldo op deze rekening op de peildatum € 2.501,- bedraagt. De rechtbank zal de bankrekening aan de vrouw toedelen en bepalen dat het saldo bij helfte tussen partijen moet worden verdeeld.

Bankrekeningen ABN AMRO ( [nr. 4] en [nr. 5] )

Tussen partijen is niet in geschil dat het totale saldo op deze rekeningen op de peildatum

€ 15.033,22 bedraagt.

De man stelt dat hij deze rekeningen in 1997 – dus voor het huwelijk – heeft geopend, waardoor deze bankrekeningen aanvankelijk privé bankrekeningen van de man waren. De man stelt, onder verwijzing naar zijn op 13 september 2019 overgelegde productie 1a, dat het totale saldo op het moment dat partijen trouwden op [huwelijksdatum] 2005 € 71.428,83 was. Na het huwelijk zijn deze rekeningen mede op naam van de vrouw gesteld, waardoor het gezamenlijke rekeningen werden. In juni 2019 zijn de rekeningen op naam van de vrouw gesteld. Volgens de man betekent dit dat sprake is van voorhuwelijks privévermogen van de man van € 71.428,83, waardoor de man een vergoedingsrecht heeft jegens de gemeenschap, en dat het op peildatum aanwezige bedrag van € 15.033,22 tot de gemeenschap behoort.

De vrouw heeft voornoemde standpunten van de man niet betwist. De vrouw heeft zich ten aanzien van deze bankrekeningen op het standpunt gesteld dat de man een bedrag van

€ 230.794,34 heeft zoekgemaakt of heeft verduisterd (‘embezzled’).

De rechtbank stelt voorop dat niet is gebleken dat de man – zoals de vrouw stelt en de man betwist – een bedrag van € 230.794,34 heeft zoekgemaakt of verduisterd en zal daarom voorbijgaan aan deze niet nader onderbouwde stelling. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de man te gelasten binnen veertien dagen na de te wijzen beschikking openheid van zaken te geven aangaande de gezamenlijke spaargelden en, zoals de vrouw wenst, het bedrag van € 230.794,34 volledig aan de vrouw toe te delen. Deze verzoeken worden afgewezen.

De rechtbank overweegt vervolgens als volgt. Nu de vrouw de stelling van de man niet heeft betwist en uit de door de man overgelegde bankafschriften blijkt dat rond de huwelijksdatum sprake was van een totaal saldo van € 71.428,83 op de destijds alleen op naam van de man gestelde bankrekeningen, volgt de rechtbank het standpunt van de man dat sprake is van voorhuwelijks privévermogen van de man van € 71.428,83. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat de man naar Texaans recht een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap ter hoogte van dit bedrag. De rechtbank komt hier bij de bespreking van de hiernavolgende Raborekeningen op terug. De rechtbank zal voorts de bankrekeningen bij de ABN AMRO – nu de tenaamstelling blijkbaar ondertussen al is gewijzigd – toedelen aan de vrouw en bepalen dat het totale saldo op de peildatum van € 15.033,22 bij helfte tussen partijen moet worden verdeeld.

Bankrekeningen Rabobank ( [nr. 2] en [nr. 3] )

De rechtbank gaat er – gelet op de onweersproken stelling van de man en de door hem overgelegde stukken – vanuit dat deze bankrekeningen uitsluitend zijn gevoed door de severance payment van € 337.048,75 die de man bij uitdiensttreding bij [naam werkgever Y] in december 2018 heeft ontvangen. De man heeft bij de brief van 13 september 2019 producties 1b en 1c overgelegd waaruit blijkt dat het saldo op de bankrekeningen op de peildatum € 49.077,38 respectievelijk € 250.000,- bedroeg.

De man stelt dat het saldo van € 250.000,- op de bankrekening [nr. 3] niet geheel tussen partijen moet worden verdeeld. De man stelt ten eerste dat het bedrag verminderd moet worden met het (hiervoor genoemde) vergoedingsrecht van de man. Verder stelt de man dat de schoolkosten voor [minderjarige] van € 78.000,- in mindering moet worden gebracht op het saldo van € 250.000,-. Partijen zijn voorafgaand en tijdens de zitting op 6 maart 2019 overeengekomen dat de man alle kosten – niet alleen voor de huidige [naam school] – betaalt, doch ook [minderjarige] ’s toekomstige opleidingskosten. De totale kosten voor de vervolgopleiding voor de komende schooljaren (tot en met het schooljaar 2021/2022) zijn begroot op 78.000,-. Deze kosten moeten van de ontslagvergoeding worden betaald, aldus de man.

De rechtbank zal – nu de man, zoals hiervoor besproken, een vergoedingsrecht heeft van

€ 71.428,83 – het saldo van € 250.000,- corrigeren met dit bedrag.

Anders dan de man acht de rechtbank het evenwel niet redelijk om het te verdelen deel van de severance payment daarnaast nog te corrigeren met de kosten die in de komende jaren moeten worden gemaakt voor het (privé)onderwijs van [minderjarige] . In de partneralimentatie-berekening heeft de rechtbank bij het bepalen van de draagkracht van de man immers al rekening gehouden met een maandelijkse kostenpost voor het internationale onderwijs van [minderjarige] van € 2.333,- (zie pagina 10 van de beschikking van 17 april 2019, en post 17 van de bij die beschikking gevoegde draagkrachtberekening).

Dit betekent dat een bedrag van (€ 250.000,- plus € 49.077,38 minus € 71.428,83 =)

€ 227.648,55 voor verdeling in aanmerking komt. De rechtbank zal de bankrekeningen met de saldi toedelen aan de man onder de verplichting aan de vrouw € 113.824,27 te vergoeden uit overbedeling.

[naam werkgever Y]

De rechtbank begrijpt uit de toelichting van partijen dat [naam werkgever Y] aandelen betreft. Deze aandelen vertegenwoordigen volgens de door de man op 13 september 2019 overgelegde producties 1d en 3c een waarde van $1.032,98 en $1.510,95. De rechtbank zal, nu – zoals de man zelf aangeeft – de waarde van aandelen fluctueert, niet voornoemde waarde van de aandelen bij helfte tussen partijen verdelen maar ‘in a just and right manner’ bepalen dat de aandelen bij helfte tussen partijen moeten worden verdeeld.

Spaarrekening Sparkasse [plaatsnaam] ( [nr. 7] )

De vrouw stelt dat het saldo (€ 99.580,14) op deze spaarrekening ‘separate property’, dus privévermogen, is, omdat de betreffende rekening is geopend vóór de huwelijksdatum.

De man betwist het standpunt van de vrouw. Voor zover de man weet had de vrouw ten tijde van het huwelijk wel al een klein bedrag aan spaargeld, maar zeker niet het bedrag dat per december 2018 op de rekening stond. De vrouw heeft tijdens het huwelijk gewerkt, voor grote en kleinere bedrijven en vanuit haar eigen eenmanszaak. Vergoedingen die de vrouw hiervoor ontving werden niet naar de gezamenlijke rekeningen overgemaakt, maar spaarde de vrouw op haar privé bankrekeningen in Duitsland. De man stelt zich dan ook op het standpunt dat het saldo van € 99.580,14 volledig deel uitmaakt van het tijdens het huwelijk opgebouwde, gemeenschappelijke vermogen.

De rechtbank overweegt dat de vrouw enkel als productie 15 een overzicht heeft overgelegd waaruit blijkt dat het saldo op 27 december 2018 € 99.580,14 bedraagt. De rechtbank kan dus niet vaststellen of deze rekening al bestond voor het huwelijk en welk deel van het saldo voor het huwelijk is opgebouwd, omdat stukken ter onderbouwing van deze stelling ontbreken. Gelet op hetgeen de man naar voren heeft gebracht, gaat de rechtbank er daarom vanuit dat dat het gehele saldo van € 99.580,14 deel uitmaakt van het huwelijksvermogen en dus niet privévermogen van de vrouw betreft. De rechtbank zal de bankrekening aan de vrouw toedelen en bepalen dat het saldo bij helfte tussen partijen moet worden verdeeld.

[naam 2] bank stock

De vrouw stelt dat zij deze aandelen (Amazon) op 17 juli 2000 heeft aangeschaft en daarna niets meer met het account heeft gedaan. De vrouw stelt deze aandelen die nu een waarde van € 17.494,42 vertegenwoordigen ‘separate property’, dus privévermogen, vormen.

De man stelt dat hij geen weet heeft van deze rekening; hij weet niet hoe deze is gevoed en wat het verloop van de rekening is geweest tijdens het huwelijk. Nu de vrouw dit niet aantoont en niet laat zien wat op de peildatum het saldo is, stelt de man zich op het standpunt dat het door de vrouw genoemde bedrag geheel deel uitmaakt van de huwelijksgemeenschap.

De rechtbank overweegt als volgt. De vrouw heeft op 15 september 2019 als productie 12 stukken overgelegd waaruit de aankoop van de aandelen op 17 juli 2000 blijkt en waaruit blijkt dat zij op 31 december 2004 – dus voor het huwelijk met de man – 10.000 stuks Amazon aandelen had. Bij productie 12 is ook een brief van [naam 2] bank gevoegd van

3 mei 2019 waaruit blijkt dat de vrouw op die datum nog steeds 10.000 stuks Amazon aandelen had en welke waarde deze aandelen thans vertegenwoordigen (€ 16.942,- plus

€ 552,42). De rechtbank gaat er op basis van deze stukken vanuit dat geen sprake is geweest van verloop en/of dat de rekening is gevoed tijdens het huwelijk.

Gebleken is immers dat de vrouw vóór het huwelijk 10.000 aandelen had en dat dit aantal tot twee weken na de peildatum niet is gewijzigd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw hiermee voldoende aangetoond dat sprake is van vermogen dat zij al voor het huwelijk heeft verkregen, waardoor dit privévermogen (‘separate property’) betreft. De (waarde van de) aandelen valt daarmee niet in de huwelijksgemeenschap en komt dus niet voor verdeling tussen partijen in aanmerking.

[naam 3] savings account

Tussen partijen is niet in geschil dat deze spaarrekening ‘separate property’, dus privévermogen, van de vrouw is. Dit betekent dat het saldo van € 36.315,29 geen deel uitmaakt van de huwelijksgemeenschap en dus niet tussen partijen wordt verdeeld.

[naam werkgever Y] pensioen

De rechtbank is gebleken dat naar Texaans recht de aanspraken op ouderdomspensioen in de huwelijksgemeenschap vallen. De tijdens de huwelijkse periode opgebouwde pensioenaanspraken komen voor verdeling in aanmerking.

De man heeft van 3 maart 1997 tot 18 december 2018 bij [naam werkgever Y] gewerkt en in die periode pensioen opgebouwd van in totaal € 1.375.314,87 bruto. Het deel dat is opgebouwd vanaf de huwelijksdatum van partijen – [huwelijksdatum] 2005 – tot aan de datum van uitdiensttreding – 18 december 2018 – komt voor verdeling in aanmerking.

De rechtbank stelt voorop dat zij voorbij gaat aan het standpunt van de vrouw om 100% van het pensioen aan de vrouw toe te delen. De rechtbank verwijst naar het voorgaande waarin de rechtbank tot het oordeel komt dat zij een verdeling van ‘community property’, waaronder dus ook de tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenaanspraken vallen, bij helfte redelijk vindt. De rechtbank volgt dan ook de berekening van de man, waaruit volgt dat per saldo (162/261 x 100 =) 62% van de pensioenaanspraken in de huwelijksgemeenschap valt. Dit komt neer op een bedrag van € 852.695,22. De man en de vrouw komt beide de helft – € 426.347,61 – van deze aanspraken toe. De rechtbank zal dan ook conform het verzoek van de man bepalen dat de helft van de tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenaanspraken aan de vrouw worden toegescheiden middels ‘pension sharing’. De rechtbank begrijpt dat het [naam werkgever Y] pensioenfonds te zijner tijd de aanspraken van de vrouw rechtstreeks aan de vrouw zal uitkeren.

[naam werkgever Y]

De rechtbank begrijpt dat deze geveste aandelen dezelfde aandelen zijn als de door de vrouw genoemde ‘ [naam 8] ’. De man heeft als productie 3a bij de brief van 13 september 2019 een ‘account overview’ overgelegd waaruit de hoeveelheid aandelen (15,818.208268 units) en de waarde op de peildatum (€ 451.688,94) blijkt. Het is de rechtbank niet gebleken dat de man aandelen zonder toestemming van de vrouw heeft verkocht en de gelden (€ 41.235,-) op een voor de rechtbank en de vrouw onbekende rekening heeft gestort. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om op dit punt als consequentie een bedrag van € 41.235,- aan de vrouw toe te scheiden, daarom afwijzen. De rechtbank zal bepalen dat de 15.818 geveste aandelen bij helfte tussen partijen moeten worden verdeeld.

[naam werkgever Y]

De rechtbank begrijpt dat deze niet geveste aandelen dezelfde aandelen betreffen als de door de vrouw genoemde ‘PSP Stock’. De man heeft onweersproken gesteld dat hij gedurende het huwelijk 1441 ongeveste aandelen van [naam werkgever Y] heeft ontvangen. Hiernaast heeft de man, onder verwijzing naar de door hem bij brief van 13 september 2019 overgelegde productie 3b, gesteld dat dat volgens Texaans recht per saldo de geveste aandelen voor € 34.704,14 en € 12.630,64 voor verdeling in aanmerking komen, terwijl een deel van € 11.103,86 en

€ 19.434,96 geen deel uitmaakt van de huwelijksgemeenschap. Nu de vrouw dit naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende heeft betwist zal de rechtbank voorbij gaan aan het (niet onderbouwde) standpunt van de vrouw dat de waarde € 63.701,75 is en volgt de rechtbank de berekening van de man. De rechtbank zal ten aanzien van deze aandelen dan ook bepalen dat ze worden toegedeeld aan de man en dat het deel van de waarde dat voor verdeling in aanmerking komt, in totaal € 47.334,78, bij helfte tussen partijen moet worden verdeeld.

E trade account

De rechtbank begrijpt uit de toelichting van partijen dat de E trade rekening een beleggingsrekening met aandelen is. De rechtbank zal bepalen dat de aandelen bij helfte tussen partijen moeten worden verdeeld, nu uit de overgelegde stukken – productie 3d van 13 september 2019 van de zijde van de man en productie 8 van 15 september 2019 van de zijde van de vrouw – blijkt dat de waarde van de aandelen, en dus het saldo op de rekening, fluctueert.

[naam 5]

De vrouw heeft in haar vermogensopstelling ‘ [naam 5] ’ (aandelen) opgenomen. De man heeft hierop gesteld dat deze aandelen jaren voor het uiteengaan van partijen al zijn verkocht en dus op de peildatum niet meer aanwezig zijn. Nu de vrouw dit niet heeft betwist en de rechtbank uit de stukken niet is gebleken van het bestaan van deze aandelen, gaat de rechtbank ervanuit dat de ‘ [naam 5] ’ aandelen op de peildatum niet meer aanwezig waren en wordt (de waarde van) deze aandelen dus niet betrokken in de verdeling.

Cybercurency [naam 6]

De rechtbank begrijpt uit de toelichting van partijen dat [naam 6] aandelen betreft. Deze aandelen vertegenwoordigen volgens de door de man overgelegde productie 38 in de periode tussen 1 maart 2019 en 16 september 2019, waarin de peildatum valt, geen waarde (€ 0,00). De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw op dit punt – om te bepalen dat het geldbedrag dat op de peildatum op [naam 6] staat volledig aan de vrouw toe te scheiden – afwijzen. De rechtbank zal, nu de waarde van aandelen fluctueert, evenwel bepalen dat deze aandelen bij helfte tussen partijen moeten worden verdeeld.

Severance payment

De rechtbank is uit de overgelegde stukken gebleken dat de ontslagvergoeding (‘severance payment’) die de man heeft ontvangen bij zijn uitdiensttreding bij [naam werkgever Y] is gestort op de bankrekeningen bij de Rabobank met de rekeningnummers [nr. 2] en [nr. 3] en is aan te merken als ‘community good’. De rechtbank verwijst voor het overige naar hetgeen hiervoor is beslist onder het kopje “Bankrekeningen Rabobank”.

Motor vehicle, inboedel, sieraden en lijfgoederen

De man heeft in de door hem als productie 37 overgelegde vermogensopstelling opgenomen: ‘motor vehicle [kenteken] ’, ‘household furniture, furnishings and fixtures’ en ‘jewelry and other personal items’. Nu beide partijen ten aanzien van deze bestanddelen geen stellingen hebben ingenomen en ook geen producties ter onderbouwing hebben ingediend, kan de rechtbank niet vaststellen om welke items het concreet gaat en welke waarde deze items eventueel vertegenwoordigen. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat partijen op dit punt de verdeling – voor zover deze niet al feitelijk heeft plaatsgevonden – in onderling overleg zullen regelen.

Kapitaalverzekering

De vrouw heeft op 15 september 2019 als productie 14 een stuk ingediend waaruit blijkt dat zij een levensverzekering heeft waarin kapitaal is opgebouwd.

De man heeft hierover onweersproken het volgende gesteld. De verzekering is gestart kort voor het huwelijk, op 1 maart 2004. De vrouw betaalde de maandelijkse premie echter uit vermogen dat tot de huwelijksgemeenschap behoorde. Blijkens de overgelegde polis is per 1 maart 2020 een waarde opgebouwd van € 55.000,-. Het saldo van deze verzekering behoort tot het te verdelen vermogen. De man schat dit saldo per peildatum op € 50.000,-. Dit bedrag dient toegevoegd te worden aan het te verdelen vermogen en is ten onrechte niet in het vermogensoverzicht van de vrouw vermeld, aldus de man.

De rechtbank zal – nu de vrouw op dit punt geen standpunt heeft ingenomen en geen verweer heeft gevoerd – conform de stellingen van de man rekening houden met een waarde op peildatum van € 50.000,- wat als ‘community property’ moet worden aangemerkt en derhalve tussen partijen moet worden verdeeld. De rechtbank zal dit vermogensbestanddeel aan de vrouw toedelen en bepalen dat de vermogensopbouw op peildatum van € 50.000,- bij helfte tussen partijen moet worden verdeeld.

Spaarrekening / savings [minderjarige]

Tussen de man en de vrouw is niet in geschil dat dat het geld dat zij voor [minderjarige] hebben gespaard buiten de verdeling dient te blijven omdat dit geld voor [minderjarige] is.

Cash set aside for Private School [minderjarige]

De rechtbank heeft hierover in het voorgaande bij de bespreking van de bankrekeningen van de man bij de Rabobank al een beslissing genomen en zal daarom dit bestanddeel niet nogmaals te bespreken.

Belastingschulden

De vrouw heeft in haar bericht van 22 september 2019 verzocht om in de beschikking op te nemen dat de vrouw volledig zal worden gevrijwaard van de belastingschulden die de man in het verleden over de huwelijkse periode vanaf de jaren 2014, 2015 en 2016 heeft opgebouwd. De rechtbank ziet geen aanleiding hiertoe. Dit geldt te meer nu haar op geen enkele wijze is gebleken dat sprake is van belastingschulden. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw dan ook afwijzen.

De rechtbank zal aldus beslissen. Hetgeen meer of anders is verzocht in het kader van de afwikkeling van het huwelijksvermogen en de pensioenaanspraken zal worden afgewezen.

Proceskosten

De rechtbank ziet in de opmerking van de vrouw in het stuk ‘financial overview reference april 17, 2019’ dat zij wenst dat de man 100% van de advocaatkosten en de proceskosten moet dragen omdat het niet de wens van de vrouw was om te scheiden, geen aanleiding om de man te veroordelen in de door de vrouw gemaakte kosten. Bovendien is – voor zover de rechtbank deze opmerking als verzoek moet aanmerken – dit niet nader onderbouwd.

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

*

bepaalt ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgemeenschap:

1. dat de bankrekening bij ABN AMRO [nr. 1] aan de vrouw wordt toegedeeld, onder de verplichting om het op peildatum aanwezige saldo van

€ 2.501,- bij helfte met de man te delen;

2. dat de bankrekeningen bij ABN AMRO [nr. 4] en [nr. 5] aan de vrouw worden toegedeeld, onder de verplichting om het op peildatum aanwezige saldo van € 15.033,22 bij helfte met de man te delen;

3. dat de bankrekeningen bij de Rabobank [nr. 2] en [nr. 3] met de daarop aanwezige saldi aan de man worden toegedeeld, onder de verplichting om aan de vrouw € 113.824,27 te vergoeden;

4. dat de aandelen [naam werkgever Y] en [naam 1] bij helfte tussen partijen moeten worden gedeeld;

5. dat de spaarrekening Sparkasse [plaatsnaam] ( [nr. 7] ) aan de vrouw wordt toegedeeld, onder de verplichting om het saldo van € 99.580,14 bij helfte met de man te delen;

6. dat de 15.818 op peildatum aanwezige geveste aandelen ( [naam werkgever Y] bij helfte tussen partijen moeten worden verdeeld;

7. dat de waarde van de op peildatum aanwezige niet geveste aandelen ( [naam werkgever Y] ) tot een bedrag van in totaal € 47.334,78 bij helfte tussen partijen moet worden verdeeld;

8. dat de (aandelen van de) E trade account/rekening bij helfte tussen partijen moet worden verdeeld;

9. dat de aandelen [naam 6] bij helfte tussen partijen moeten worden verdeeld;

10. dat de kapitaalverzekering [naam 7] ten name van de vrouw aan de vrouw wordt toegedeeld, waarbij de vermogensopbouw tot een bedrag van € 50.000,- bij helfte tussen partijen moet worden verdeeld;

*

bepaalt dat de helft (lees: 50%) van de door de man ( [Y] ) gedurende het huwelijk (van [huwelijksdatum] juni 2005 tot aan 18 december 2018) opgebouwde pensioenaanspraken bij The [naam werkgever Y] ) – te weten € 426.347,61 – met pensioennummer [nummer] aan de vrouw ( [X] ) worden toegescheiden middels “pension sharing”;

*

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

*

wijst af het meer of anders verzochte;

*

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.Th.W. van Ravenstein, C.G. Meeder, L. van Hoppe, rechters, tevens kinderrechters, bijgestaan door mr. M. Verkerk als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 24 december 2019.