Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:14495

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-12-2019
Datum publicatie
12-02-2020
Zaaknummer
C/09/582587 / FA RK 19-7925
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Internationale kinderontvoering. Vast staat dat het gezin op 2 september 2018 vanuit de Verenigde Staten van Amerika (VS) naar Nederland is gekomen om hier te wonen. De ouders verschillen van mening over de vraag of dit verblijf in Nederland voor een bepaalde tijd van één jaar of voor onbepaalde tijd was bedoeld. De rechtbank gaat er vanuit dat de afspraak tussen de ouders was om gedurende één (school)jaar in Nederland te verblijven en om daarna weer terug te keren naar de VS, waar zij al sinds de geboorte van de minderjarige als gezin woonden. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat de minderjarige zijn gewone verblijfplaats enkel gedurende dit jaar in Nederland had en dat de ouders het overgrote deel van hun maatschappelijk bestaan in de VS hadden. Zodoende is op 2 september 2018 geen sprake van een definitieve wijziging van de gewone verblijfplaats naar Nederland. Nu de minderjarige na de afgesproken periode van één jaar niet is terug gegaan naar de VS, komt de rechtbank tot de conclusie dat de vasthouding in Nederland vanaf 2 september 2019 aangemerkt dient te worden als ongeoorloofd in de zin van artikel 3 van het Verdrag. De rechtbank is verder van oordeel dat de moeder in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vader niet heeft aangetoond dat de situatie van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag zich hier voordoet. Niet is gebleken dat er – zoals de moeder stelt en de vader uitdrukkelijk betwist – sprake is geweest van (seksueel) grensoverschrijdend gedrag.

De rechtbank gelast de terugkeer naar de VS, niet specifiek naar de woonplaats van de vader.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Den HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 19-7925

Zaaknummer: C/09/582587

Datum beschikking: 30 december 2019

Internationale kinderontvoering

Beschikking op het op 31 oktober 2019 ingekomen verzoek van:

[Y]

de vader,

wonende te [woonplaats Y] , Verenigde Staten van Amerika,

advocaat: mr. M.T. Wernsen te Den Haag.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[X] ,

de moeder,

wonende te [woonplaats X] ,

advocaat: mr. E. Kim-Meijer te Den Haag.

Procedure

De rechtbank heeft tijdens de zitting van 20 november 2019, nadat de moeder de voltallige meervoudige kamer had gewraakt, de Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering te Rotterdam belast met de voorlopige voogdij over de minderjarige [minderjarige] . De schriftelijke uitwerking van deze mondelinge uitspraak is op 20 november 2019 naar de betrokkenen verstuurd.

De wrakingskamer van deze rechtbank heeft op 2 december 2019 de moeder niet-ontvankelijk verklaard in haar wrakingsverzoek en heeft bepaald dat het proces wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek.

De rechtbank heeft wederom kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:

  • -

    het verweerschrift van 20 november 2019 van de zijde van de moeder;

  • -

    het F9-formulier van 10 december 2019, met bijlagen, van de zijde van de vader.

Het bezwaar van de moeder tegen de overlegging van deze laatste stukken namens de vader wegens het late moment van indiening heeft de rechtbank ter zitting verworpen. De stukken zijn niet van een dusdanige omvang of ingewikkeldheid dat de moeder daarvan niet behoorlijk kennis kan hebben genomen en hier op de mondelinge behandeling op kan reageren.

Op 12 december 2019 is de behandeling van deze zaak samen met het verzoek van de vader tot vervangende toestemming om met [minderjarige] naar de Verenigde Staten van Amerika te reizen (C/09/582137) en het verzoek van de vader tot wijziging van de voorlopige voorzieningen (C/09/582686) ter zitting van de meervoudige kamer voortgezet.

Hierbij zijn verschenen:

  • -

    de vader bijgestaan door zijn advocaat en een tolk, de heer [naam tolk 1] ;

  • -

    de moeder bijgestaan door haar advocaat en een tolk, mevrouw [naam tolk 2] ;

  • -

    de bijzondere curator;

  • -

    mevrouw [medewerker RvdK] namens de Raad voor de Kinderbescherming;

  • -

    mevrouw [medewerker Leger des Heils] namens Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Jeugdreclassering.

Van de zijde van de vader zijn tijdens de zitting pleitnotities overgelegd en voorgedragen.

Beoordeling

Het verzoek van de vader is gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). Nederland en de Verenigde Staten van Amerika zijn partij bij het Verdrag.

Op grond van artikel 11 lid 1 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: de Uitvoeringswet) is de rechtbank Den Haag bevoegd kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag daarover toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens.

Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.

Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag

Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of

gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag).

De rechtbank stelt voorop dat tussen de ouders niet in geschil is dat zij samen het gezag over [minderjarige] hebben en dat zij het gezagsrecht ook daadwerkelijk gezamenlijk uitoefenen.

Gewone verblijfplaats

Vast staat dat het gezin op 2 september 2018 vanuit de Verenigde Staten van Amerika (hierna ook: VS) naar Nederland is gekomen om hier te wonen. De ouders verschillen van mening over de vraag of dit verblijf in Nederland voor een bepaalde tijd van één jaar of voor onbepaalde tijd was bedoeld. De man stelt zich op het standpunt dat partijen na ommekomst van één jaar weer terug zouden keren naar de VS en de moeder voert aan dat zij zich definitief in Nederland wilden vestigen.

De vader stelt dat de ouders zijn overeengekomen dat zij, en dus [minderjarige] , vanaf 2 september 2018 voor de duur van maximaal één schooljaar in Nederland zouden verblijven. Dit was volgens de vader de afspraak tussen de ouders en dit blijkt ook uit het volgende. Het officiële adres van het gezin is nog steeds [adres gezin] in [woonplaats Y] , VS en het

gas-, licht-, water-, telefoon- en internetgebruik en de kosten voor afvalverwerking voor dit adres worden nog steeds elke maand betaald. Op dit adres ontvangen de vader en de moeder ook nog elke week post, waaronder belangrijke poststukken bestemd voor de moeder alleen. In deze woning en in de opslagruimte in [woonplaats Y] liggen verder nog veel (huishoudelijke) spullen van het gezin. Slechts de spullen die ze voor een jaar in Nederland nodig hadden, hebben zij laten overbrengen. Het gezin is ook nog verzekerd tegen ziektekosten in de VS. Hiernaast beschikken de vader en de moeder over verschillende bankrekeningen in de VS en hebben zij hun twee auto’s in [woonplaats Y] aangehouden. Vlak voor het vertrek naar Nederland is bovendien nog een stuk grond in [plaatsnaam 1] , [woonplaats Y] , gekocht (op naam van de moeder), met als doel hier een huis op te laten bouwen voor het gezin. Na afronding van de bouw zouden partijen hier gaan wonen en zouden zij de woning aan de [adres gezin] gaan verhuren. In Nederland huurden partijen een woning in [plaatsnaam 2] voor de periode van 28 september 2018 tot 31 juli 2019. Deze periode is overeengekomen omdat het schooljaar van [minderjarige] na deze periode voorbij zou zijn en [minderjarige] bij de start van het nieuwe schooljaar weer op zijn (oude) school in [woonplaats Y] zou beginnen. Indien de ouders hadden beoogd permanent te naar Nederland te verhuizen dan had de vader alles anders aangepakt en zouden alle spullen zijn verhuisd. Dan zou hij ook zijn werkgever hebben gevraagd om de verhuizing te vergoeden, nu [werkgever Y] – waar hij als piloot vanaf de locatie [naam vliegveld] werkt – tijdens de loopbaan van de vader slechts eenmaal een internationale verhuizing vergoedt. Dat is echter niet gebeurd. De vader zou dan ook een verblijfsvergunning in Nederland hebben aangevraagd. De vader heeft nu geen ‘residence pass’ voor Nederland. De vader stelt dat deze omstandigheden van beide gezagsdragende ouders inhouden dat zij hun maatschappelijk bestaan – financiën, verzekeringen, hypotheken, investeringen, onroerend goed, auto’s, werk, (schoon)familie, school etc. – in de VS hebben gehouden. Het is nooit de intentie van het gezin geweest om in Nederland te gaan wonen. Nu de periode waarover de ouders overeenstemming hadden voorbij is, is volgens de vader vanaf 2 september 2019 sprake van ongeoorloofde achterhouding van [minderjarige] in Nederland.

De moeder voert aan dat na de verhuizing van het gezin op 2 september 2018 naar Nederland de gewone verblijfplaats van [minderjarige] is gewijzigd naar Nederland. Volgens de moeder is er geen sprake van een tijdelijk verblijf in Nederland, maar hebben partijen ervoor gekozen om zich permanent met [minderjarige] in Nederland te vestigen. Partijen gingen volgens de moeder in 2015 en 2016 al naar Nederland en Duitsland op huizenjacht. De vader heeft op 4 juli 2018 actief naar huizen in Nederland gezocht en de moeder hierover een e-mail gestuurd. De vader heeft de verhuizing van het gezin naar Nederland voorbereid en de internationale verscheping van de meubelen vanuit de VS naar Nederland geregeld. Het huis van partijen in [woonplaats Y] wordt een paar dagen per maand door de vader bewoond en er staan een paar spullen waar hij dan gebruik van maakt. Dat is ook te zien op de overgelegde foto’s. Het is bovendien de bedoeling om de woning in [woonplaats Y] te verhuren als aanvulling op het inkomen. Sinds 2 september 2018 wonen partijen in Nederland en de moeder heeft zich kort daarna laten inschrijven in de Basisregistratie Personen van de gemeente [plaatsnaam 2] . Inschrijving voor de vader was volgens de moeder niet nodig omdat hij wegens zijn werk zonder immigratieproblemen twee weken per maand in Nederland kon blijven en hiernaast wilde de vader het IND-traject niet in omdat dit te omslachtig was. De vader stuurt de moeder verder – nadat partijen in Nederland zijn gearriveerd – op 13 oktober 2018 een link naar nutsvoorzieningen van Dunea en voor de Ziggo aansluiting en op 18 december 2018 wordt de bevestiging van de ING bank ontvangen dat partijen de voormalige betaalrekeningen hebben omgezet in een gemeenschappelijke bankrekening. De moeder start verder op 15 mei 2019 haar studie aan de [naam Uni ] universiteit. Het zwaartepunt van het maatschappelijk bestaan van het gezin ligt volgens de moeder daarom in Nederland.

De moeder wijst er voorts op dat partijen al op 22 november 2017 een gecertificeerde notariële verklaring hebben gesloten waarin is neergelegd dat een woning in Nederland zal worden gekocht én op 3 augustus 2018 een gecertificeerde notariële verklaring hebben gesloten waarin is opgenomen dat [minderjarige] zonder enige voorwaarde naar de [naam school] School in [plaatsnaam school] zal gaan. [minderjarige] gaat vanaf 4 september 2018 met onvoorwaardelijke toestemming van de vader naar [naam school] School. Hierbij is niet vermeld dat dit maar voor één jaar zou zijn. De moeder wijst er tot slot ook op dat de Nederlandse rechter in de voorlopige voorzieningenprocedure (die heeft geleid tot de beschikking van 12 juni 2019) en in de door de vader gestarte bodemprocedure over de wijziging van de hoofdverblijf-plaats van [minderjarige] (die heeft geleid tot de beschikking van 16 september 2019), heeft bepaald dat [minderjarige] zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft (en dus bevoegd was kennis te nemen van die verzoeken). Hiermee is volgens de moeder duidelijk dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is.

De rechtbank stelt voorop dat naar vaste rechtspraak de gewone verblijfplaats als bedoeld in artikel 3 lid 1 onderdeel a) een feitelijk begrip is waaraan inhoud wordt gegeven door de feiten en de omstandigheden van het concrete geval. Bedoeld is de plaats waarmee het kind onmiddellijk voorafgaande aan zijn overbrenging/achterhouding maatschappelijk de nauwste banden heeft. Daarbij geldt dat zijn fysieke aanwezigheid niet tijdelijk of toevallig mag zijn, maar sprake moet zijn van een zekere integratie in een sociale en familiale omgeving. Volgens die rechtspraak kan bij het bepalen van de gewone verblijfplaats van het kind rekening worden gehouden met de bedoeling van de ouders om zich met het kind in een lidstaat te vestigen, wanneer daaraan uiting is gegeven door tastbare maatregelen (HvJEU 8 juni 2017, ECLI:EU:C:2017:436 (OL/PQ)).

Gelet op de overgelegde stukken en wat op de mondelinge behandeling door de ouders naar voren is gebracht, is de rechtbank van oordeel dat de ouders de afspraak hadden om slechts voor één jaar met [minderjarige] in Nederland te wonen om vervolgens terug te keren naar de VS. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang. In plaats van het kopen van een woning in Nederland hebben de ouders een woning in [plaatsnaam 2] gehuurd voor tien maanden en drie dagen, te weten van 28 september 2018 tot 31 juli 2019. Dit wijst er naar het oordeel van de rechtbank op dat het de intentie van de ouders was om voor de duur van één (school)jaar in Nederland te verblijven. Volgens het huurcontract zou een langere periode immers mogelijk zijn en niet valt in te zien waarom het huurcontract zou eindigen aan het einde van het schooljaar als de ouders niet de intentie hadden om dan terug te keren naar de VS. Dit geldt te meer nu de moeder stelt dat de vader haar zou hebben toegezegd een woning in Nederland voor haar te kopen. Het had dan ook voor de hand gelegen dat dit zou gebeuren als zij zich definitief in Nederland zouden vestigen. De rechtbank acht in dit verband voorts van belang dat niet is gesteld of gebleken dat de ouders definitief afscheid hebben genomen van hun sociale omgeving in de VS – waaronder de familie van [minderjarige] in de VS – en de school van [minderjarige] . Daarnaast heeft de vader zijn dienstverband in de VS aangehouden, is er geen aanspraak gemaakt op een verhuisvergoeding bij zijn werkgever en heeft hij geen verblijfsvergunning in Nederland aangevraagd. Voor een definitieve vestiging van de vader in Nederland zou dit wel noodzakelijk en bovendien verplicht zijn geweest. De ouders hebben bovendien in [woonplaats Y] zowel de woning in [woonplaats Y] aangehouden als een stuk grond gekocht in [plaatsnaam 1] , met de intentie om daar een ‘primary family residence’ te bouwen, zoals blijkt uit de door de vader overgelegde producties 20 tot en met 24. De moeder heeft in oktober 2018 bovendien nog contact gehad met de ‘contractor’ en een voorstel voor de bouwplannen in [plaatsnaam 1] ondertekend. Het komt de rechtbank onwaarschijnlijk voor dat de plannen voor het bouwen van een woning in de VS – waarvoor een verklaring is ondertekend dat dit met het doel ‘primary residence’ gebeurt – doorgang zouden vinden als er sprake zou zijn van een permanente verhuizing naar Nederland.

De rechtbank is verder van oordeel dat uit de op 3 augustus 2018 door de vader ondertekende ‘official permission notice’ niet blijkt dat de vader – zoals de moeder stelt – onvoorwaardelijke toestemming geeft dat [minderjarige] zonder tijdsbepaling in Nederland naar school kan gaan, waaruit moet worden afgeleid dat sprake is van definitieve vestiging in Nederland. In deze verklaring is vermeld ‘I, [Y] , officially give permission to my son, [minderjarige] , to attend [naam school] of the Netherlands’. De rechtbank kan hier enkel uit afleiden dat de vader toestemming heeft gegeven [minderjarige] in te schrijven op de [naam school] School. Evenmin volgt uit het door de vader getekende document ‘agreement’ van 22 november 2017 dat de ouders de intentie hadden om voorgoed naar Nederland te verhuizen. In dit document verklaart vader weliswaar : ‘I ( [Y] ) agree to buy a property in the Netherlands for my wife ( [X] …’, maar hieraan is geen uitvoering gegeven. Dat er door de vader behalve naar huurwoningen ook naar koopwoningen is gezocht, heeft de moeder niet aangetoond en zoals hiervoor reeds overwogen pleit het uitblijven van de aanschaf van een woning eerder voor een tijdelijk verblijf in Nederland dan voor een permanente verhuizing.

Hiernaast wijzen de door de vader als productie 69 overgelegde WhatsApp-berichten er naar het oordeel van de rechtbank op dat tussen de ouders geen overeenstemming bestond over een verblijf van [minderjarige] in Nederland langer dan voor de duur van één (school)jaar. In deze WhatsApp-berichten van 20 en 23 augustus 2019 geeft de moeder onder meer aan:

I told you we are coming back’

I offer to settle the case’ ‘1 year in Europe’ ‘What do you want in return’ ‘Can you think about my offer?’ ‘And let me know’ ‘I really want to study and do all this what I started here. I also want to be with [minderjarige] . Don’t take [minderjarige] away from me. It is not good for him’

But you should let me stay at that [woonplaats Y] house and you should go somewhere else’ ‘Can you talk to her now?’ ‘Tis important to me before I come back’ ‘We should start selling [woonplaats Y] house’ ‘So can buy 2 cheaper homes

Gelet op al het voorgaande gaat de rechtbank er vanuit dat de afspraak tussen de ouders was om gedurende één (school)jaar in Nederland te verblijven en om daarna weer terug te keren naar de VS, waar zij al sinds de geboorte van [minderjarige] als gezin woonden. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat [minderjarige] zijn gewone verblijfplaats enkel gedurende dit jaar in Nederland had en dat de ouders het overgrote deel van hun maatschappelijk bestaan in de VS hadden. Zodoende is op 2 september 2018 geen sprake van een definitieve wijziging van de gewone verblijfplaats van [minderjarige] naar Nederland. Nu [minderjarige] na de afgesproken periode van één jaar niet is terug gegaan naar de VS, komt de rechtbank tot de conclusie dat de vasthouding van [minderjarige] in Nederland vanaf 2 september 2019 aangemerkt dient te worden als ongeoorloofd in de zin van artikel 3 van het Verdrag.

Dat deze rechtbank in de beschikkingen van 12 juni 2019 en 16 september 2019 heeft bepaald dat de gewone verblijfplaats in Nederland is, maakt het voorgaande naar het oordeel van de rechtbank niet anders. De rechtbank heeft in die beschikkingen immers overwogen dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] op het moment van indiening van de aan die beschikkingen ten grondslag liggende verzoeken – op 7 mei 2019 respectievelijk 20 juni 2019 – in Nederland was gelegen. Dit gold dus in de periode waarover de ouders het eens waren dat [minderjarige] in Nederland verbleef, en niet voor de periode daarna, zodat dat oordeel niet relevant is voor de thans beantwoorde vraag of de gewone verblijfplaats van [minderjarige] ook na 2 september 2019 in Nederland is gelegen.

Onmiddellijke terugkeer in de zin van artikel 12 van het Verdrag

Ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag wordt de onmiddellijke terugkeer van een kind gelast wanneer er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren van een kind en het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechtbank.

Nu er minder dan één jaar is verstreken tussen de vasthouding van [minderjarige] in Nederland – vanaf 2 september 2019 – en het tijdstip van indiening van het verzoek op 31 oktober 2019, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of [minderjarige] in Nederland is geworteld en dient in beginsel de onmiddellijke terugkeer van [minderjarige] te volgen, tenzij er sprake is van één of meer weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag.

Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag

Op grond van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag is de rechter van de aangezochte Staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten, indien de persoon die zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht. Het doel en de strekking van het Verdrag brengen met zich dat deze weigeringsgrond restrictief moet worden uitgelegd.

De moeder stelt dat [minderjarige] door terugkeer met de vader wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar en in een ondragelijke toestand wordt gebracht. De moeder maakt zich ernstig zorgen om het welzijn van [minderjarige] . Zij is zeer bevreesd dat er sprake is geweest van seksueel misbruik van [minderjarige] door de vader. Volgens de moeder heeft [minderjarige] haar recent hiervan op de hoogte gebracht met zeer gedetailleerde informatie en heeft [minderjarige] zeer angstig medegedeeld dat hij bang was om dit te vertellen omdat de vader hem heeft bedreigd. De moeder heeft Veilig Thuis en de politie hiervan op de hoogte gesteld. Volgens de moeder heeft Veilig Thuis aan haar medegedeeld en ook per e-mail bevestigd, dat zij als moeder van [minderjarige] haar zoon moet beschermen, ook als dit inhoudt dat er geen contact tussen [minderjarige] en zijn vader kan plaatsvinden. Bij de zedenpolitie is op dit moment een onderzoek gaande. Er hebben al twee gesprekken met de moeder plaatsgevonden en [minderjarige] en de vader zullen ook nog worden gehoord. Veilig Thuis wacht dit onderzoek van de politie af. Hiernaast is de huisarts op de hoogte en hij heeft [minderjarige] doorgestuurd naar een arts in het ziekenhuis, gespecialiseerd in de behandeling van kinderen die zijn misbruikt. Volgens de moeder mag er van de politie geen contact plaatsvinden tussen [minderjarige] en de vader. De moeder wijst er in dit verband ook op dat namens haar een (concept)dagvaarding in kort geding is opgesteld waarin zij vraagt om een contactverbod en schorsing van de zorgregeling. De moeder is de mening toegedaan dat de veiligheid en emotionele rust en welbevinden, alle zwaarwegende belangen van [minderjarige] , voorop dienen te staan.

De vader betwist dat [minderjarige] door teruggeleiding naar de VS zou worden blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar dan wel op enige andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht. Integendeel, het gedrag van de moeder is juist schadelijk voor [minderjarige] . De vader stelt dat hij door de moeder valselijk wordt beschuldigd van seksueel misbruik. De beschuldiging is volstrekt niet aannemelijk en het feit dat de beschuldigingen steeds bizarder worden is een duidelijke indicatie dat sprake is van een valse aangifte, aldus de vader. Hiernaast heeft de vader gesteld dat de moeder de financiële middelen heeft om samen met [minderjarige] terug te keren naar de VS.

De rechtbank is van oordeel dat de moeder in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vader niet heeft aangetoond dat de situatie van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag zich hier voordoet. De rechtbank overweegt dat haar uit de stukken en wat er tijdens de zitting is besproken niet is gebleken dat er – zoals de moeder stelt en de vader uitdrukkelijk betwist – sprake is geweest van (seksueel) grensoverschrijdend gedrag van de vader naar [minderjarige] . De rechtbank weegt in dit verband mee dat uit het verslag van de bijzondere curator blijkt dat [minderjarige] zich niet vrijelijk lijkt te kunnen uiten. De bijzondere curator merkt op dat het haar is opgevallen dat de moeder van [minderjarige] aandringt op het feit dat [minderjarige] dingen moet zeggen. [minderjarige] geeft in het gesprek met de bijzondere curator aan dat hij cadeaus van mama krijgt als hij zegt dat papa aan zijn penis en billen heeft gezeten. De bijzondere curator heeft de indruk gekregen dat er sprake is van sturend gedrag vanuit de moeder naar [minderjarige] . Gelet hierop is de rechtbank niet gebleken dat [minderjarige] bij terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht. Bovendien geldt dat de teruggeleiding naar de VS niet betekent dat [minderjarige] samen met de vader of naar de vader moet terugkeren. De rechtbank gaat ervanuit dat de moeder samen met [minderjarige] kan terugkeren naar de VS, nu immers niet is gebleken dat er voor de moeder een belemmering bestaat. De teruggeleiding van [minderjarige] naar de VS hoeft er dus niet toe te leiden dat [minderjarige] naar zijn vader terugkeert en van zijn moeder wordt gescheiden. Bovendien bestaat in de VS ook de mogelijkheid om zo nodig (juridische) maatregelen te treffen om [minderjarige] te beschermen. Gelet op het voorgaande slaagt het beroep van de moeder op deze weigeringsgrond dus niet.

Conclusie

Nu er geen sprake is van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag, terwijl er minder dan een jaar is verstreken tussen de ongeoorloofde vasthouding van [minderjarige] en de indiening van het verzoekschrift, dient ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag de onmiddellijke terugkeer van [minderjarige] te volgen.

Wijze van terugkeer

De rechtbank zal voorbij gaan aan het verzoek van de vader om de teruggeleiding van [minderjarige] specifiek naar [woonplaats Y] , te gelasten. De strekking van het Verdrag (en de Uitvoeringswet) is dat een kind wordt teruggeleid naar het land van herkomst zodat daar (zo nodig) verdere beslissingen over de hoofdverblijfplaats van het kind kunnen worden genomen. Het is niet de bedoeling van het Verdrag dat in een teruggeleidingsprocedure wordt beslist over de verblijfplaats van het kind. Bovendien heeft de vader niet verder toegelicht waarom hij de teruggeleiding specifiek naar [woonplaats Y] wenst. De rechtbank ziet dus geen aanleiding om de teruggeleiding naar [woonplaats Y] te gelasten en zal de teruggeleiding naar de VS gelasten.

De vader verzoekt verder de bepalen dat hij gerechtigd is om [minderjarige] terug te brengen naar de VS. De rechtbank begrijpt dat de vader hiermee bedoelt dat hij afgifte van [minderjarige] aan hem verzoekt. De rechtbank zal op dit punt minder toewijzen dan verzocht. De rechtbank zal de teruggeleiding toewijzen op na te melden wijze, waarbij afgifte aan de vader pas aan de orde komt als de moeder niet zelf voor teruggeleiding zorgt en dan enkel met het doel [minderjarige] terug te geleiden naar de VS.

Uitvoerbaar bij voorraad

Ingevolge artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet schorst een eventueel hoger beroep de tenuitvoerlegging van de beschikking, tenzij de rechter in het belang van het kind op verzoek of ambtshalve anders bepaalt. De rechtbank acht het wenselijk dat [minderjarige] een eventuele uitspraak in hoger beroep in Nederland kan afwachten en zal het verzoek van de vader om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren afwijzen. De rechtbank zal daarom ook niet – zoals de vader verzoekt – de terugkeer gelasten binnen één dag na de beschikking. De rechtbank zal de terugkeer, zoals gebruikelijk, gelasten op de derde dag na afloop van de termijn waarbinnen hoger beroep tegen onderhavige beslissing kan worden ingediend. Dit is in dit geval uiterlijk 16 januari 2020.

Sterke arm

De vader verzoekt de terugkeer van [minderjarige] zo nodig met behulp van de sterke arm te gelasten. Ingevolge artikel 13 lid 6 van de Uitvoeringswet in samenhang met artikel 813 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van rechtswege voorzien in het met behulp van de sterke arm ten uitvoer leggen van de onderhavige beschikking. Het betreffende verzoek van de vader zal dan ook bij gebrek aan belang worden afgewezen.

Kosten

De moeder verzoekt op grond van artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet om de vader te veroordelen in alle kosten van de procedure, de griffierechten, de kosten van de tolk en de kosten van de advocaat van € 4.000,- exclusief BTW.

Voor een dergelijke kostenveroordeling bestaat geen grond, nu de rechtbank het verzoek van de vader tot teruggeleiding van [minderjarige] toewijst. De rechtbank wijst het verzoek van de moeder daarom af.

Bijzondere curator

De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] dat de bijzondere curator de uitspraak van de rechtbank (en eventueel de uitspraak van het Gerechtshof) met hem bespreekt. De rechtbank merkt ten overvloede op dat de benoeming van de bijzondere curator, voor zover er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing, doorloopt tijdens de appelprocedure. Indien er geen hoger beroep wordt ingesteld dan beschouwt de rechtbank de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure één maand na datum van deze beschikking als beëindigd.

Beslissing

De rechtbank:

gelast de terugkeer van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] , [woonplaats Y] , Verenigde Staten van Amerika, naar de Verenigde Staten van Amerika uiterlijk op 16 januari 2020, waarbij de moeder [minderjarige] dient terug te brengen naar de Verenigde Staten van Amerika en beveelt, indien de moeder nalaat [minderjarige] terug te brengen naar de Verenigde Staten van Amerika, dat de moeder [minderjarige] met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven uiterlijk op 16 januari 2020, opdat de vader [minderjarige] zelf mee terug kan nemen naar de Verenigde Staten van Amerika;

wijst af het meer of anders verzochte;

beschouwt – voor zover er geen hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing – de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure met ingang van 30 januari 2020 als beëindigd.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H.M. Boone, J.Th.W. van Ravenstein en J.C. Sluymer, rechters, tevens kinderrechters, bijgestaan door mr. M. Verkerk als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 30 december 2019.

Van deze beschikking kan -voor zover er definitief is beslist- hoger beroep worden ingesteld binnen twee weken (artikel 13 lid 7 Uitvoeringswet internationale kinderontvoering) na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof Den Haag. In geval van hoger beroep zal de terechtzitting bij het hof - in beginsel - plaatsvinden in de derde of vierde week na deze beslissing.