Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:14414

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-07-2019
Datum publicatie
21-01-2020
Zaaknummer
C/09/576163 / JE RK 19-1562
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling - Er is sprake van een bedreiging in de sociaal-emotionele ontwikkeling van de minderjarige die mede wordt veroorzaakt door de aanhoudende strijd tussen de ouders over de minderjarige en de omgang. Het is niet gelukt om gedurende vele jaren en met de vele vormen van hulpverlening de beschadigingen die de minderjarige heeft opgelopen in het vrijwillige kader weg te nemen. De kinderrechter wijst daarmee het zelfstandige verzoek van de advocaat van de moeder, ertoe strekkende dat de ouders worden doorverwezen naar het vrijwillig kader, af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd & Bopz

Zaaksgegevens: C/09/576163 / JE RK 19-1562

Datum uitspraak: 26 juli 2019

Beschikking van de kinderrechter

Ondertoezichtstelling

in de zaak naar aanleiding van het op 27 juni 2019 ingekomen verzoekschrift van:

de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Haaglanden (hierna te noemen: de Raad),

betreffende:

- [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2011 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de man] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats]

advocaat: mr. P. Wieringa, te Zaandam.

[de vrouw] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. C.J.P. Liefting, te Mijdrecht.

Het procesverloop

De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift, met bijlagen;

- het verweerschrift van de zijde van de advocaat van de moeder;

- het verweerschrift van de zijde van de advocaat van de vader.

Ter zitting zijn er door de advocaat van de moeder pleitnotities overlegd.

Op 26 juli 2019 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij zijn verschenen:

- mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad;

- mevrouw [vertegenwoordigers van de GI] namens Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden (hierna te noemen: de gecertificeerde instelling);

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat mr. P. Wieringa;

- de moeder, bijgestaan door zijn advocaat mr. C.J.P. Liefting.

Feiten

– [minderjarige] is erkend door de vader, [de man] .

– De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag.

– [minderjarige] verblijft feitelijk bij de moeder.

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de periode van één jaar. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting ligt hieraan het volgende ten grondslag. De sociaal-emotionele ontwikkeling van [minderjarige] wordt bedreigd. Er is sprake van een langlopende juridische strijd tussen de ouders. Dit is altijd van invloed op een kind en de langdurigheid van de strijd is een groot punt van zorg. Ondanks de inzet van EMDR-therapie, heeft [minderjarige] nog altijd een negatief beeld van de vader en een grote weerstand tegen omgang of contact met hem. Het ontbreken van (de continuïteit van) het contact en het negatieve beeld dat [minderjarige] van haar vader heeft, is schadelijk voor haar identiteitsontwikkeling en kan gevolgen hebben voor het aangaan van relaties in de toekomst en haar zelfbeeld. Door de voortdurende juridische strijd, is het voor de moeder lastig om [minderjarige] te steunen in het aangaan van contact met de vader. Verder raken de ouders door hun strijd steeds verder van elkaar verwijderd en het lukt hen niet om gezamenlijk keuzes te maken die in het belang van [minderjarige] zijn. In de afgelopen jaren zijn de ouders onvoldoende bereid en in staat gebleken om onder eigen verantwoordelijkheid de bedreiging voor [minderjarige] weg te nemen en hulpverlening te accepteren. De Raad verzoekt daarom om [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar.

Door en namens de vader is ingestemd met het verzoek. Uit de zeven beschikkingen die sinds 2013 door de rechtbank zijn gewezen in de bodemprocedure over de omgang van de vader met [minderjarige] , heeft de rechtbank de omgang steeds in het belang van [minderjarige] geacht, althans niet in strijd met haar belang geacht. Op basis van deze beschikkingen zijn er meerdere trajecten gestart die er niet toe hebben geleid dat de omgang van de grond is gekomen en dat de beschikkingen door de moeder zijn opgevolgd. Uit het dossier kan niet anders worden geconcludeerd dan dat de moeder niet bereid is om vrijwillig mee te werken. Een gedwongen kader lijkt nog de enige uitweg om de omgang tussen [minderjarige] en de vader te bewerkstelligen en om het ouder-kind contact, zoals gewaarborgd in artikel 8 EVRM, artikel 1:247 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 3 lid 2 IVRK, te realiseren. Ten aanzien van het zelfstandig verzoek dat namens de moeder is ingediend, brengt de vader ter zitting naar voren dat hij er geen vertrouwen in heeft dat de hulpverlening in het vrijwillig kader goed van de grond komt. Er is al veel geprobeerd en de communicatie met de moeder is verstoord. De advocaat van de vader heeft voorts naar voren gebracht dat uit het verleden is gebleken dat de moeder zich alleen in een gedwongen kader aan afspraken kan houden en dat speltherapie en mediation alleen binnen een gedwongen kader kunnen worden bewerkstelligd.

Door en namens de moeder is verweer gevoerd en bepleit het verzoek af te wijzen. Tevens is er door de advocaat van de moeder een zelfstandig verzoek ingediend ertoe strekkende dat de behandeling van het verzoek wordt aangehouden en de ouders worden doorverwezen naar het vrijwillig kader. Ter zitting is naar voren gebracht dat er geen grond is om de ondertoezichtstelling toe te wijzen omdat er geen sprake is van een daadwerkelijke ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige] . Haar schoolgang verloopt goed, ze sport, heeft goede vriendinnen en goed contact met de familie. [minderjarige] heeft haar vader maar enkele keren in haar leven gezien en het wantrouwen dat zij jegens haar vader heeft, is door zijn eigen toedoen tot stand gekomen. Hij is degene die zich niet aan afspraken houdt en de omgang steeds stopzet en afbreekt. Een ondertoezichtstelling is niet het middel om omgang en contact te realiseren. Een omgangsondertoezichtstelling kan, indien er wordt voldaan aan hoge motiveringseisen, wel juridisch gelegitimeerd worden maar door de tekortkomingen van een ondertoezichtstelling in de praktijk zal dit niet leiden tot een verbetering van de situatie voor [minderjarige] . Verder wordt door de Raad vermeld dat het zorgelijk is dat [minderjarige] na EMDR-behandeling nog steeds weerstand heeft tegen het contact met vader. Dit was echter niet het doel van de EMDR-behandeling. De EMDR-behandeling was er op gericht om de spanningen bij [minderjarige] te laten afnemen en haar meer rust te laten ervaren rondom de omgang. De vader is een eenzijdige strijd aan het voeren, terwijl de moeder alleen maar bezig is met de vraag hoe voor [minderjarige] het beste invulling kan worden gegeven aan het contact met de vader. Er is nergens uit gebleken dat de moeder tegen dit contact is of dat het contact door haar toedoen niet van de grond is gekomen. Er is slechts één traject ingezet, Ouderschap Blijft, dat door de vader is afgebroken. De vader heeft hulp en begeleiding nodig en zijn verwachtingen dienen te worden bijgesteld.

Ten aanzien van het zelfstandig verzoek bepleit de advocaat van de moeder dat de ouders moeten worden doorverwezen naar de Jeugdbeschermingstafel in Zoetermeer waar in het vrijwillig kader de mogelijkheid van speltherapie kan worden besproken en mediation kan worden gestart. De moeder is bereid om in het vrijwillig kader te bezien wat er kan worden bewerkstelligd ten aanzien van het contact tussen [minderjarige] en de vader.

Beoordeling

De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor ondertoezichtstelling aanwezig zijn.

De concrete bedreigingen in de ontwikkeling van [minderjarige] bestaan uit het hierna volgende. Er is sprake van een bedreiging in haar sociaal-emotionele ontwikkeling die mede wordt veroorzaakt door de aanhoudende strijd tussen de ouders over [minderjarige] en de omgang met haar. Deze strijd wordt al zeven jaar gevoerd en dat betekent dat [minderjarige] hier bijna haar hele leven aan is blootgesteld. Het is daarom onvermijdelijk dat deze voortdurende strijd een negatieve invloed heeft op haar ontwikkeling. Hoewel [minderjarige] het op veel gebieden goed doet (ze doet het goed op school, zij heeft hobby’s, heeft vriendinnetjes en maakt een fanatieke indruk bij sport en spel), zijn er ook grote zorgen over haar ontwikkeling. Ze is een beschadigd meisje en alle vormen van hulpverlening die in het verleden zijn aangewend om de situatie voor [minderjarige] te verbeteren, hebben haar bedreigde ontwikkeling niet kunnen afwenden. Tijdens de zitting van 22 november 2017 heeft de moeder naar voren gebracht dat [minderjarige] bij een kinderarts, longarts, diëtist, fysiotherapeut, kinderpsycholoog en logopedist loopt. Ook zou de moeder hebben aangegeven dat [minderjarige] de diagnose PTSS heeft (wat goed lijkt aan te sluiten bij de zorgelijke situatie waarin zij verkeert). Ondanks al deze trajecten die ze heeft doorlopen, lijkt haar situatie niet te verbeteren. Zelfs na haar laatste EMDR-behandeling, lukt het haar niet om positief over haar vader te praten. Op 29 april 2019 heeft ze nog zorgelijke uitspraken over haar vader op het kantoor van de Raad gedaan. Zo heeft ze onder andere verteld dat haar vader een hele stomme vader is, ze de vriend van de moeder haar vader noemt en dat ze eigenlijk helemaal geen vader heeft. Verder heeft de GZ-psycholoog i.o. op 29 april 2019 aan de Raad laten weten dat de situatie rondom de biologische ouders voor [minderjarige] erg ingewikkeld is. De bijzondere curator heeft voorts op 7 mei 2019 aan de Raad laten weten dat het beeld dat [minderjarige] van haar vader heeft, niet lijkt te zijn gebaseerd op haar eigen ervaring en dat ze zich zorgen maakt over haar sociaal-emotionele ontwikkeling. Er dient nog hulpverlening voor [minderjarige] te worden ingezet en op dit moment wordt speltherapie door alle betrokkenen noodzakelijk geacht.

De kinderrechter stelt [minderjarige] onder toezicht voor de duur van de jaar omdat er sprake is van een jong meisje dat beschadigd is en wordt bedreigd in haar sociaal-emotionele ontwikkeling. Het is niet gelukt om gedurende vele jaren en met de vele vormen van hulpverlening de beschadigingen die zij heeft opgelopen, in het vrijwillige kader weg te nemen. Het is daardoor duidelijk geworden dat dit kader ontoereikend is geweest, en naar verwachting zal blijven als gekeken wordt naar de vele jaren waarin de ouders zeggen gewerkt te hebben aan verbetering van de situatie van [minderjarige] . Een vrijwillig kader is nu niet meer passend.

De kinderrechter wijst daarmee het zelfstandig verzoek van de advocaat van de moeder af om de noodzakelijke hulpverlening in het vrijwillig kader te laten plaatsvinden, of onderzoek te doen naar de haalbaarheid daarvan.

Derhalve zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De kinderrechter:

stelt [minderjarige] van 26 juli 2019 tot 26 juli 2020 onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden;

verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 juli 2019 door mr. P.J. Schreuder, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. K. Plette als griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 5 augustus 2019.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van

het gerechtshof Den Haag.