Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:14267

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-10-2019
Datum publicatie
04-03-2020
Zaaknummer
7951582 EJ VERZ 19-85684
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

De werknemer heeft een verzoekschrift ex artikel 7:681 van het Burgerlijk Wetboek (BW), tevens houdende een voorlopige voorziening ex artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), ingediend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0280
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Leiden

SB

Rep.nr.: 7951582\ EJ VERZ 19-85684

Datum: 16 oktober 2019

Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

[werknemer]

wonende te [plaats] ,

verzoekende partij in de zaak van het verzoek,

verwerende partij in de zaak van het voorwaardelijk tegenverzoek,

gemachtigde: mr. M.S. van Dijk,

tegen

[werkgever]

statutair gevestigd en kantoorhoudende te [plaats] ,

verwerende partij in de zaak van het verzoek,

verzoekende partij in de zaak van het voorwaardelijk tegenverzoek,

gemachtigde: mr. dr. E.J.A. Franssen.

Partijen worden aangeduid als “de werknemer” en “de werkgever”.

1 Het procesverloop

in de zaak van het verzoek en het voorwaardelijk tegenverzoek

1.1.

De werknemer heeft een verzoekschrift ex artikel 7:681 van het Burgerlijk Wetboek (BW), tevens houdende een voorlopige voorziening ex artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), ingediend. De werkgever heeft een verweerschrift ingediend en een voorwaardelijk tegenverzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst gedaan.

1.2.

Op 17 september 2019 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. De gemachtigde van de werknemer heeft spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. Voorafgaand aan de zitting heeft de gemachtigde van de werknemer bij brieven van 13 september 2019 producties 32 tot en met 39 toegezonden en bij fax van 16 september 2019 nog een aanvulling daarop. Bij fax van 16 september 2019 heeft de gemachtigde van de werkgever nog een aanvullend verweerschrift toegezonden.

1.3.

Na de zitting is de zaak een week aangehouden voor schikkingsonderhandelingen. Bij fax van 23 september 2019 heeft de gemachtigde van de werkgever laten weten dat partijen geen schikking hebben kunnen treffen en heeft zij verzocht om een beschikking af te geven. Vervolgens is beschikking bepaald op heden.

2 De feiten

in de zaak van het verzoek en het voorwaardelijk tegenverzoek

2.1.

De werkgever is een financiële holding en maakt onderdeel uit van de groep Petrofac ondernemingen.

2.2.

De werknemer, geboren op [geboortedatum] , is op 14 april 2014 in dienst getreden bij de werkgever, laatstelijk in de functie van Finance Manager waarin hij verantwoordelijk is voor de salarisadministratie, financiële maandrapportages, belastingaangiftes en het tijdig en correct versturen en klaarzetten van betalingen voor facturen ten behoeve van de werkgever. Het laatstverdiende salaris bedraagt € 3.858,33 bruto per maand exclusief 8% vakantiebijslag op basis van een 40-urige werkweek.

2.3.

Per 23 juli 2012 heeft de werknemer een eenmanszaak genaamd [naam 1] en een eenmanszaak genaamd [naam 2] met als bedrijfsactiviteit: ‘brede administratieve dienstverlening’. Bij brief van 1 april 2017 heeft de werknemer de werkgever in kennis gesteld van de naamswijziging van [naam 1] in die van [naam 2] per 1 april 2017.

2.4.

De werknemer heeft destijds een sollicitatiegesprek gehad met [managing director] (hierna: [managing director] ), Managing Director van de werkgever en destijds de direct leidinggevende van de werknemer. [managing director] heeft op 30 april 2016 de werkgever verlaten.

2.5.

In een opdrachtbevestiging van 1 januari 2016 (hierna: de opdrachtbevestiging) die namens [naam 1] is ondertekend door de werknemer en namens de werkgever door [managing director] , directie, is onder meer het volgende vermeld:

“Geachte heer/mevrouw,

Hierbij bevestigen wij de door u aan ons, [naam 1] , verstrekte opdracht tot het verzorgen van de financiële administratie, debiteuren- en crediteurenbeheer, loonadministratie, jaarrekening en aangifte BTW van uw onderneming Petrofac Training Services B.V. en gelieerde ondernemingen. De inhoud en de wijze van uitvoering van deze opdracht zijn reeds gedeeltelijk met u besproken. Deze brief dient ter bevestiging van deze gesprekken.

Gaarne aanvaarden wij de opdracht en verzoeken u voor akkoord te tekenen.

In het vervolg van deze brief zullen wij kort ingaan op de aard, inhoud en uitvoering van de opdracht, de rapportage naar aanleiding van de opdracht, het honorarium, de wederzijdse verantwoordelijkheden alsmede de beperkingen in de opdracht.

1. Aard en inhoud van de opdracht

Wij zullen naar aanleiding van de door u verstrekte gegevens zullen wij de volgende werkzaamheden voor u verrichten:

Onze werkzaamheden bestaan, overeenkomstig in Nederland algemeen aanvaarde richtlijnen met betrekking tot samenstellingsopdrachten, uit het verzamelen, het verwerken, het rubriceren en het samenvatten van financiële gegevens.

Ook dragen wij zorg voor de indiening van de aangiften vennootschapsbelasting- en omzetbelasting en verzorgen wij dc afhandeling van verzoek- en bezwaarschriften betreffende fiscale aangelegenheden.

De opdracht heeft betrekking op het verslagjaar 2016 en volgende.

Deze opdracht is aangegaan voor de periode van een jaar en zal na afloop van dat jaar stilzwijgend overgaan op het volgende verslagjaar, tenzij de opdracht wordt gewijzigd, vervangen of beëindigd.

(…)

3. Honorarium

Boekjaar 2016

Loonadministratie € 3.000,00

Jaarwerk en aangiften € 6.000,00

Totaal per jaar € 9.000,00

De kosten zullen tegen het eind van het desbetreffende periode gefactureerd worden.

Extra administratieve werkzaamheden zoals het verstrekken van tussentijdse overzichten worden berekend tegen €50,00 per uur. Adviezen en strategische ondersteuning worden verleend tegen € 75,00 per uur.

Advies- en controlewerkzaamheden voor de accountant, worden berekend tegen €125,-- per uur. Alle genoemde bedragen zijn exclusief omzetbelasting. (…)”

2.6.

Op 7 maart 2019 heeft de contactpersoon van de Citi-bank, waar de werkgever een rekening heeft, aan de werkgever laten weten dat er in januari en februari 2019 een aantal betalingen door de werkgever was gedaan aan een partij waarvan voor de Citi-bank niet duidelijk was dat dit reguliere betalingen betrof. Uit onderzoek van de werkgever is naar voren gekomen dat vanaf 21 oktober 2015 vanaf een bankrekening van de werkgever betalingen zijn gedaan aan een bankrekening van [naam 1] . Voorts is uit onderzoek van de werkgever naar voren gekomen dat in de periode van 25 april 2017 tot en met 15 maart 2019 voor een totaalbedrag van € 137.095,64 betalingen zijn gedaan van een bankrekening van de werkgever aan een bankrekening van [naam 2] .

2.7.

Met betrekking tot de periode 21 oktober 2015 tot en met 22 december 2016 heeft de werkgever e-mails van de werknemer overgelegd waarin hij met betrekking tot die periode om goedkeuring voor de betaling van een aantal facturen vraagt met bijbehorende facturen. In deze stukken bevinden zich geen facturen van [naam 1] .

2.8.

Met betrekking tot de periode 25 april 2017 tot en met 15 maart 2019 heeft de werkgever e-mails van de werknemer overgelegd waarin hij met betrekking tot die periode om goedkeuring voor de betaling van een aantal facturen vraagt met bijbehorende facturen. In deze stukken bevinden zich geen facturen van [naam 2] .

2.9.

Tijdens een gesprek op 27 mei 2019 heeft de werknemer de werkgever laten weten dat [naam 2] bepaalde diensten had verricht voor de werkgever waarvoor bedragen in rekening zijn gebracht. Tijdens dat gesprek heeft de werknemer de opdrachtbevestiging laten zien aan de werkgever en 4 nota’s van [naam 1] overgelegd. De volgende dag heeft de werknemer zich ziek gemeld.

2.10.

Bij e-mail van 29 mei 2019, 11:59 uur, heeft de werkgever aan [managing director] onder meer geschreven:

“As discussed yesterday, attached is the contract with [naam 1] with your signature. Also attached is a letter where they inform us on the name change.

Can you let me know if this looks familair?

(…)”

Bij e-mail van 29 mei 2019, 12:22 uur, heeft [managing director] hierop onder meer als volgt gereageerd:

“As discussed, this is the first time I see this contract:

  • -

    I have not signed this, the signature is fake

  • -

    The service is a joke and doesnt make sense. Why would PTS ever need to outsource it since we had [werknemer] on our payroll to do this? Pay him double?

I have attached to picture of my signature from my id cards (please not misuse). As far as I can see I always start my signature with a E and a circle around it. Now the fake signature has this E in a way I can remember ever making my signature. (….) My wife also immediately spotted the fact there was something wrong.

(…)”

2.11.

Op 4 juni 2019 is de werknemer door de werkgever op staande voet ontslagen. De werkgever heeft dit ontslag op staande voet bevestigd in een brief van 5 juni 2019 waarin onder meer het volgende is vermeld:

“Op 4 juni 2019 hebben wij u op staande voet ontslagen op grond van art. 7:677 Jo. 7:678 lid 2 sub d en/of sub k BW, waarbij wij u mededeelden dat wij u op 5 juni 2019 de achtergrond van deze redenen zouden uiteenzetten. Deze treft u onderstaand aan.

(…)

Na verder onderzoek zijn wij in mei 2019 tot de ontdekking gekomen dat er sinds 2015 tot heden, voor zover tot nu toe bij ons bekend, in totaal een bedrag van € 137.095,64 naar deze onderneming ( [naam 2] , toevoeging kantonrechter) en naar [naam 1] is overgemaakt (…) Het bankrekeningnummer van waar het geld is overgemaakt is één van de rekeningnummers van PTS BV. (…)

Wij hebben u op 27 mei 2019 gehoord naar aanleiding van deze feiten. U gaf aan dat de voormalig directeur van PTS B.V., de heer [managing director] , u destijds gevraagd heeft of u een onderneming kende die kon assisteren bij administratieve en financiële zaken en dat u daarbij [naam 2] introduceerde, waarbij u aangaf dat u deze onderneming kende via uw netwerk.(…) U vermeldde ook dat er een overeenkomst tussen PTS B.V. en [naam 1] was gesloten. Deze overeenkomst zou zijn ondertekend door de heer [managing director] . (…) Wij hebben de heer [managing director] deze overeenkomst gestuurd op 29 mei 2019 en hem gevraagd of hij zich kon herinneren deze overeenkomst ooit getekend te hebben en of de handtekening die op die overeenkomst staat ook zijn handtekening was. De heer [managing director] antwoordde dat hij zich niet kon herinneren deze overeenkomst te zijn aangegaan en dat dit ook niet zijn handtekening was (…) Wij hebben nog enkele andere overeenkomsten gezocht waar de handtekening van de heer [managing director] op stond (onder andere op uw arbeidsovereenkomst) en die handtekening vergeleken met de handtekening die op de overeenkomst met [naam 1] staat (zie bijlage 3).. Het blijkt dat de handtekening op de overeenkomst met [naam 1] substantieel afwijkt van de handtekeningen op de documenten die als bijlage 3 bij deze brief zijn gevoegd. Wij hebben op grond van deze feiten dan ook gegronde redenen om te vermoeden dat u de handtekening van de heer [managing director] heeft vervalst.

Tijdens het gesprek op 27 mei 2019 hebben wij u ook gevraagd naar de nota’s die [naam 1] / [naam 2] gestuurd moet hebben naar PTS B.V. of andere aan haar gelieerde ondernemingen die ten grondslag zouden moeten liggen aan de betalingen. U kon echter slechts 4 nota’s overleggen (zie bijlage 4), die bij lange na niet het totale bedrag dat aan [naam 1] en/of [naam 2] is betaald, dekten.

(…)

Gegeven de volgende feiten:

  1. dat er betalingen zijn verricht aan [naam 1] en/of [naam 2] ;

  2. dat u daar niet alle nota’s van heeft kunnen overleggen;

  3. dat de heer [managing director] verklaart dat de overeenkomst zoals bijgevoegd bij bijlage 1 niet door hem is getekend;

  4. at de handtekening op die overeenkomst bij de naam van dhr. [managing director] niet overeenkomt met zijn handtekening op andere documenten die bij deze brief zijn gevoegd;

  5. dat u niet heeft kunnen uitleggen welke diensten [naam 1] en/of [naam 2] hebben verricht voor PTS B.V. en/of de aan haar gelieerde ondernemingen;

  6. dat het ook niet logisch is dat PTS BV. akkoord zou zijn gegaan met dienstverlening door [naam 1] en/of [naam 2] aangezien zij daar u voor heeft aangenomen;

hebben wij gegronde redenen om te denken dat u zich schuldig heeft gemaakt aan frauduleuze handelingen en/of verduistering en/of andere misdrijven waardoor u ons vertrouwen onwaardig bent geworden in de zin van art. 7:678 lid 2 sub d BW.

(…)

Deze feiten vormen een dringende reden voor een ontslag op staande voet. Uw persoonlijke omstandigheden zoals de mogelijke gevolgen die het ontslag voor u zal hebben, hebben wij afgewogen tegen de aard en de ernst van de dringende redenen. Die afweging heeft tot de conclusie geleid dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is.

(…)”

2.12.

De werkgever heeft op 17 juni 2019 aangifte gedaan jegens de werknemer wegens verduistering. In een aanvullende verklaring van 2 juli 2019 heeft de Operations Manager van de werkgever onder meer verklaard:

“(…)

Als laatste ben ik er zelf achter gekomen, ook deze heb ik gevonden in de mailbox van [werknemer] , deze staat gekoppeld aan het account [e-mailadres] , dat [werknemer] een zakelijk Europees incasso, doorlopende (business- to-business) machtiging heeft opgemaakt. Met deze machtiging kon geld van de bankrekening van PTS BV naar [naam 1] en later [naam 2] worden overgeboekt zonder verdere goedkeuringen van mijzelf en het finance team.

Ik zag dat de machtiging op 31 oktober 2015 is ondertekend door de heer [de man] en de heer [managing director] .

De heer [managing director] was op dat moment directeur van PTS BV.

Ik heb geen idee wie de heer [de man] is.

Ik zag direct dat er, net als op de overeenkomst tussen PTS BV en [naam 2] , waar een valse handtekening van de heer [managing director] op had gestaan, deze heb ik al bij de aangifte afgegeven, weer een valse handtekening was gezet op deze machtiging.

Tot aan de dag van ontdekking was ik zelf niet op de hoogte van deze machtiging.

(…)”

2.13.

Bij e-mail van 28 augustus 2019 heeft [managing director] onder meer het volgende aan de werkgever geschreven:

“Wat er exact gezegt is tijdens een sollicitatiegesprek van zo lang geleden weet ik niet meer, echter dit is iets wat duidelijk geregeld was bij PTS BV zolang als ik daar de directeur was. Het hebben van eigen entiteiten is op zich geen probleem (en volgens mij heb ik in al mijn jaren nog nooit iemand moeten vragen te stoppen met zijn eigen bedrijf toen hij/zij bij ons in dienst kwam) onder bepaalde voorwaarden dit ik altijd zal hebben besproken:

  • -

    Eigen entiteiten hebben geen concurrerende activiteiten met PTS BV (of het overal bedrijf)

  • -

    Geen impact hebben op de tijdbesteding voor PTS BV tav de afgesproken contractuele uren

  • -

    Geen impact hebben op de performance (iemand die de hele nacht doorwerkt in zijn andere bedrijf en bij PTS BV zou slapen/moe zijn is niet de bedoeling).

Kijkend naar de situatie en de kennis die ik op dat moment tav [werknemer] had, kan ik niet bedenken waarom ik toendertijds ‘nee’ gezegt zou hebben tegen [werknemer] , dus het zal wel kloppen dat we er geen probleem van gemaakt hebben.

(…)”

Op de vraag of [managing director] de werknemer gevraagd heeft om naast zijn bestaande taken bij de werkgever ook werkzaamheden te verrichten voor andere vennootschappen in de Petrofac groep heeft [managing director] het volgende geschreven:

“De situatie ligt anders:

Het klopt dat Petrofac in Amsterdam een ‘treasury’ kantoor opgericht heeft. Echter dat kantoor had/heeft eigen personeel in dienst heeft genomen voor hun activiteiten. De entiteiten die dat kantoor heeft opgericht en manages zullen wel overeenkomen met de lijst hierboven. Natuurlijk was er contact tussen [werknemer] en het treasury kantoor en zullen ze elkaar vast wel eens om hulp gevraagd hebben. Er was ook voor een tijd een resource van treasury die enige zaken bij PTS BV oppakte toen [werknemer] net bij ons in dienst was. Deze is echter na een tijdje uit dienst gegaan en toen heeft de financiele tak van de training afdeling uit Aberdeen die rol overgenomen door resources beschikbaar te stellen als het te druk werd.

Het klopt dat ik de MD van PTS was, echter de rapportage lijn van [werknemer] liep via 2 mensen, mij en de financiele man van de trainings afdeling van Petrofac in Aberdeen ( [naam 3] ). Formele vragen/opdrachten, zoals [werknemer] aangeeft ik gedaan zou hebben, zouden nooit door mij alleen gedaan worden. Alles tav finance gingen altijd door de combinatie [naam 3] (finance)/ [naam 3] (local MD).

Daarnaast zat mijn baas, [baas] , ook op kantoor in Leiden en ook die zou deze vraag nooit goedgekeurd hebben (en die ging veel met [werknemer] om dus had zeker gehoord als ik [werknemer] teveel werk gevraagd had te doen voor iets anders dan PTS BV).

Tenslotte, toen ik vertrok ben bij PTS BV, zou dit meteen naar boven gekomen zijn bij [baas] , [naam 3] , [naam 4] en de persoon die hij tijdelijk gevraagd had mij te vervangen.

(…)”

3 Het verzoek

3.1.

De werknemer verzoekt de kantonrechter, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, om bij wijze van voorlopige voorziening voor de duur van het geding de werkgever te veroordelen tot betaling aan de werknemer van het salaris van € 3.858,33 bruto per maand, te vermeerderen met 8 % vakantiebijslag vanaf 4 juni 2019 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen is geëindigd.

Voorts verzoekt de werknemer de kantonrechter, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, primair het ontslag op staande voet te vernietigen en de werkgever te veroordelen tot doorbetaling van loon vermeerderd met de wettelijke verhoging vanaf 4 juni 2019 en de werkgever op straffe van een dwangsom te bevelen de werknemer binnen 24 uur na betekening van de beschikking toe te laten tot de overeengekomen werkzaamheden. De werknemer heeft subsidiair een verzoek gedaan om ten laste van de werkgever een billijke vergoeding van € 35.000,- bruto, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een transitievergoeding van € 7.640,- bruto toe te kennen. Meer subsidiair, voor het geval de arbeidsovereenkomst is geëindigd door het ontslag op staande voet, heeft de werknemer een verzoek gedaan om ten laste van de werkgever de wettelijke transitievergoeding toe te kennen op grond van artikel 7:673 lid 8 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Tot slot verzoekt de werknemer om de werkgever te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente en tot betaling van de kosten van de procedure.

3.2.

De werknemer heeft aan zijn verzoek het navolgende ten grondslag gelegd. De werknemer betwist dat sprake is van een dringende reden voor een ontslag op staande voet. Tijdens zijn sollicitatiegesprek met [managing director] heeft de werknemer aangegeven dat hij een eigen onderneming heeft, hetgeen niet als bezwaar werd gezien. Zijn dienstverband betreft alleen werkzaamheden voor de werkgever. [managing director] heeft de werknemer in 2014 gevraagd om naast zijn bestaande taken bij de werkgever ook werkzaamheden te verrichten voor de andere vennootschappen in de Petrofac groep. De werknemer kon en mocht de werkzaamheden vanuit zijn eenmanszaak doen, eerst [naam 1] en later [naam 2] . Dit betekende dat de werknemer zijn weekenden en vakantie opofferde om deze werkzaamheden te kunnen verrichten. De werknemer is in oktober 2015 gestart met deze werkzaamheden. De werknemer betwist dat de handtekening van [managing director] op de opdrachtbevestiging van januari 2016 vals is dan wel door hem is vervalst. Daarnaast kreeg de werknemer van andere hoge functionarissen binnen de Petrofac groep opdrachten voor Petrofac ondernemingen. De werknemer verwijst in dat kader naar de overgelegde e-mails in productie 17 bij het verzoekschrift en wijst met name op de e-mail van 11 april 2016 van de Finance Director [finance director] waarin hij opdracht krijgt om ook werkzaamheden van de Nederlandse Petrofac vennootschappen over te nemen naast zijn huidige werkzaamheden. [naam 1] heeft vanaf oktober 2015 tot en met december 2016 een bedrag van € 33.052,92 inclusief btw aan de werkgever gefactureerd. [naam 2] heeft vanaf april 2017 tot en met 2019 in totaal een bedrag van € 137.075,64 inclusief btw gefactureerd.

3.3.

De werknemer heeft de opdracht gekregen om aan de werkgever te factureren en de eerste facturen van [naam 1] zijn door [managing director] goedgekeurd. De werknemer is niet bij machte om zelfstandig betalingen te doen vanwege het driedubbele controlesysteem. Facturen die door de werkgever betaald moeten worden, worden door de werknemer ingevoerd in het banksysteem, voorzien van de daarbij behorende facturen. Vervolgens dienen deze eerst geautoriseerd te worden door [managing director] , waarna nog tweemaal een goedkeuring plaatsvindt door de afdeling Treasury. De werknemer zet enkel de betalingen klaar voorzien van facturen en heeft geen enkele autorisatie tot het doen van betalingen. De eerste vijf betalingen zijn handmatig overgemaakt volgens het driedubbele controlesysteem van de werkgever. Daarna zijn de facturen per automatische incasso geïncasseerd. Het is [managing director] geweest die met het idee is gekomen om de betalingen automatisch te incasseren.

3.4.

De werkgever wist, althans behoorde te weten dat [naam 1] en [naam 2] van de werknemer waren. In dit kader wijst de werknemer op de aan de werkgever op 1 april 2017 verzonden naamswijziging van zijn eenmanszaak en op een door de werkgever overgelegd uittreksel van de kamer van koophandel van [naam 1] van 24 maart 2017.

3.5.

Op de door de werknemer overgelegde facturen van [naam 1] dan wel [naam 2] staan de uren gespecificeerd. Hieruit blijkt dat veel werkzaamheden ook niet vielen onder de prijsafspraak.

3.6.

Met betrekking tot het subsidiaire en meer subsidiaire verzoek voert de werknemer aan dat hij in zijn eer en goede naam is geschaad, nu de werkgever hem tegen beter weten in heeft beschuldigd van het verduisteren van gelden. De werknemer heeft tot op heden geen inkomen en zijn echtgenote is ook enorm geraakt door de onterechte beschuldigingen van de werkgever, waardoor zij nu nog maar 4 uurtjes per dag kan werken. Er is geen sprake van verwijtbaarheid aan de kant van de werknemer en er dient gelet te worden op zijn lange dienstverband, zijn leeftijd en zijn verminderde kansen op de arbeidsmarkt.

4 Het verweer en het voorwaardelijk tegenverzoek

4.1.

De werkgever verweert zich tegen het verzoek en heeft –samengevat – het volgende aangevoerd. [managing director] heeft verklaard dat het best mogelijk is dat de werknemer destijds melding heeft gemaakt van (toen nog) [naam 1] . In dat kader is het heel goed mogelijk dat de werkgever op zeker moment een brief met naamswijziging van de eenmanszaak heeft ontvangen. Het kan ook kloppen dat het uittreksel van [naam 1] destijds is opgevraagd ter controle. [managing director] heeft nooit aan de werknemer toestemming gegeven om [naam 1] en/of [naam 2] werkzaamheden voor de werkgever te laten verrichten. De werkgever verwijst hiervoor naar de verklaring van [managing director] . [managing director] heeft verklaard dat er best wel eens af en toe een verzoek zal zijn gekomen van een andere identiteit om iets te doen, maar de prioriteit lag duidelijk bij de werkgever. De werkzaamheden op de overgelegde facturen van [naam 1] / [naam 2] zijn niet of nauwelijks gespecificeerd en ook staat niet of nauwelijks aangegeven ten behoeve van welke entiteit ze zijn verricht. De opdrachtbevestiging van januari 2016 bevat een vervalste handtekening van [managing director] en de werkzaamheden die daarin staan vermeld vallen onder de functie van Finance Manager. De e-mails waar de werknemer naar verwijst bevatten gewone mededelingen en zeker geen concrete opdrachten aan [naam 1] / [naam 2] . Ze zijn bovendien gericht aan de werknemer als werknemer van de werkgever in zijn functie van Finance Manager. Tegenover de betalingen aan [naam 2] staan geen facturen van [naam 2] . Het klopt dat er per abuis enkele keren goedkeuring is gegeven voor betalingen aan [naam 1] / [naam 2] . Echter na maart 2016 heeft de werknemer geen goedkeuring meer gevraagd voor betalingen aan [naam 1] en [naam 2] , hij heeft namelijk geen facturen meer bijgevoegd van deze eenmanszaken, terwijl er wel betalingen zijn gedaan aan [naam 1] en [naam 2] . Er is nooit een mandaat afgegeven om betalingen aan [naam 1] en [naam 2] via automatische incasso te laten verlopen. Alleen betalingen die regelmatig terugkeren (zoals huurbetaling, betalingen ter zake van de kosten voor mobiele telefoons en creditcard) worden met behulp van automatische incasso gedaan. Werkzaamheden zoals die door [naam 1] / [naam 2] gedaan werden zouden per definitie niet via de automatische incasso betaald worden.

4.2.

Het ontslag op staande voet is naar het oordeel van de werkgever terecht verleend. Voor vergoedingen is geen plaats. De werkgever is een kleine entiteit binnen de hele Petrofac groep en de werknemer heeft behoorlijk misbruik gemaakt van zijn belangrijke positie als Finance Manager. Er is sprake van ernstig verwijtbaar handelen van de werknemer. Het gaat hier niet om een relatief kleine misstap, maar om een jarenlange verduistering van gelden.

4.3.

In de zaak van het voorwaardelijk tegenverzoek heeft de werkgever verzocht de arbeidsovereenkomst met de werknemer te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, sub a BW, in verbinding met artikel 7:669 lid 3, sub e dan wel sub g dan wel sub h BW. Het verzoek is voorwaardelijk gedaan, namelijk voor het geval het ontslag op staande voet vernietigd moet worden. De werkgever legt hieraan dezelfde feiten en omstandigheden ten grondslag als die voor het ontslag op staande voet. Op grond daarvan is sprake van een redelijke grond en kan in redelijkheid niet langer van de werkgever gevergd worden om de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Er zijn geen herplaatsingsmogelijkheden en de werkgever verzoekt de arbeidsovereenkomst op korte termijn te ontbinden zonder toekenning van enige vergoeding aan de werknemer.

5 De beoordeling

in de zaak van het verzoek

5.1.

De werknemer heeft het verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet tijdig ingediend, omdat het is ontvangen binnen twee maanden na de dag waarop het ontslag op staande voet is gegeven.

het verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet

5.2.

Naar het oordeel van de kantonrechter is het ontslag op staande voet rechtsgeldig. Daarover wordt het volgende overwogen.

5.3.

Partijen verschillen van mening over de vraag of sprake is van een dringende reden. Volgens artikel 7:678 lid 1 BW worden voor de werkgever als dringende redenen voor een ontslag op staande voet beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. In artikel 7:678 lid 2 BW worden voorbeelden genoemd van situaties waarin een dringende reden aanwezig kan worden geacht. Zo wordt onder lid 2 sub d het zich schuldig maken aan verduistering of andere misdrijven genoemd, waardoor de werknemer zich het vertrouwen van de werkgever onwaardig wordt. Bij de beoordeling van de vraag of van een dringende reden sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren in de eerste plaats te worden betrokken de aard en ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt en verder onder meer de aard en duur van de dienstbetrekking, de wijze waarop de werknemer deze heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag voor hem zou hebben. Voorts dient in de beoordeling te worden betrokken dat een ontslag op staande voet een uiterste middel is.

5.4.

De kantonrechter stelt vast dat de werknemer niet heeft bestreden dat hij in de periode van 21 oktober 2015 tot en met maart 2019 circa € 170.000,- heeft ontvangen van de werkgever op de bankrekening van [naam 1] dan wel [naam 2] . Verder is komen vast te staan dat van een groot aantal betalingen aan met name [naam 2] geen onderliggende facturen aanwezig zijn. Ter rechtvaardiging van de betalingen aan zijn eensmanszaken heeft de werknemer naar voren gebracht dat hij in opdracht en met toestemming van zijn toenmalige direct leidinggevende [managing director] werkzaamheden heeft verricht voor andere Petrofac ondernemingen vanuit zijn eenmanszaken. Deze stelling vindt echter geen steun in de stukken. [managing director] heeft immers in zijn verklaring een vermeende toestemming tegengesproken (zie onder 2.13) en erop gewezen dat er weliswaar vast wel eens hulp aan elkaar is gevraagd, maar dat formele vragen/opdrachten zoals de werknemer stelt, nooit door [managing director] alleen gedaan konden worden. Pas tijdens het gesprek met de werknemer in mei 2019 heeft de werknemer een opdrachtbevestiging van januari 2016 getoond met daarop een handtekening van [managing director] . Tijden de zitting heeft de werknemer desgevraagd naar voren gebracht dat hij erbij was toen [managing director] dat document tekende. [managing director] heeft echter stellig betwist dat dit zijn handtekening is (zie onder 2.10) en hij wijst erop dat zijn handtekening bestaat uit een E met een cirkel eromheen. Ter zitting zijn de handtekeningen van [managing director] op officiële documenten (zoals die op zijn ID kaart en op de arbeidsovereenkomst met de werknemer) vergeleken met die van de handtekening op de opdrachtbevestiging van januari 2016. De kantonrechter is van oordeel dat met het blote oog duidelijk waarneembaar is dat de handtekening op de officiële documenten uit een duidelijke E met cirkel bestaan en dat de handtekening op de opdrachtbevestiging van januari 2016 hiervan afwijkt. Daar komt bij dat volgens eigen zeggen van de werknemer hij al in oktober 2015 met zijn werkzaamheden vanuit [naam 1] is begonnen, maar de opdrachtbevestiging pas van veel latere datum is. Daarnaast is opvallend dat [managing director] al per 30 april 2016 de werkgever heeft verlaten en er geen andere opdrachtdocumenten door de werknemer zijn overgelegd op basis waarvan in de volgende jaren door nieuwe leidinggevende(n) toestemming is gegeven om werkzaamheden vanuit de eenmanszaken van de werknemer te verrichten. En zelfs als van de opdrachtbevestiging van januari 2016 dient te worden uitgegaan heeft de werknemer geen redelijke verklaring kunnen geven waarom hij in ruim vier jaar tijd een veelvoud van het jaarbedrag van € 9.000,- heeft ontvangen en waarom de werkgever heeft moeten betalen voor werkzaamheden die zouden zijn verricht voor andere vennootschappen in de Petrofac groep. Het had dan veeleer voor de hand gelegen dat aan die vennootschappen apart zouden zijn gefactureerd. Met de werkgever is de kantonrechter voorts van oordeel dat de door de werknemer overgelegde facturen weinig gespecificeerd zijn en voor zover er al een specificatie aanwezig is, deze niet rijmt met de in de opdrachtbevestiging van januari 2016 vermelde werkzaamheden. Zo staat bijvoorbeeld op een bij productie 30 door de werknemer overgelegde specificatie ‘30-4-2016 aanmelding UWV PH Zwangerschap HR dossier, 6 uur’ vermeld.

5.5.

Ook de stelling van de werknemer dat hij van andere hoge functionarissen binnen de Petrofac groep opdrachten voor Petrofac ondernemingen kreeg en dat hij dit – zo begrijpt de kantonrechter althans - vanuit zijn eenmanszaken mocht doen, vindt geen steun in de stukken. Een concrete verklaring van één van deze functionarissen waarin dit wordt bevestigd ontbreekt in het dossier. De werknemer volstaat met de verwijzing naar e-mails in productie 17 bij het verzoekschrift. Met de werkgever is de kantonrechter van oordeel dat deze e-mails gewone mededelingen bevatten en veelal zijn gericht aan de werknemer in zijn hoedanigheid van werknemer van de werkgever. Enkele e-mails worden door de werknemer ook in zijn hoedanigheid als Finance Manager van de werkgever beantwoord. Uit de e-mails kunnen in ieder geval geen concrete opdrachten aan [naam 1] of [naam 2] worden afgeleid. Dit geldt ook voor de e-mail van 11 april 2016 waar de werknemer specifiek nog op wijst. In deze e-mail van [finance director] ,
Finance Director, aan de werknemer staat onder meer vermeld:“Hi [werknemer] , (….) I was wondering whether we could have a call when you return on Thursday to follow up on the point we briefly mentioned when you were in Aberdeen, about looking at the accounting function for the Treasury companies in the Netherlands. (….) I would like to explorer whether you would have the capacity to take this on if you also got an assistant from the current team working with Treasury on accounting for these entities. I think this would be a good opportunity for development and would increase your exposure to Group Tax and Group Treasury as well as becoming the in country focal point for Finance.”

Voor zover de werknemer heeft willen betogen dat hieruit afgeleid kan worden dat hij toestemming heeft gekregen om vanuit zijn eenmanszaak [naam 1] dan wel [naam 2] werkzaamheden te verrichten, valt dit zonder nadere onderbouwing niet in te zien. Uit deze e-mail valt immers enkel af te leiden dat er gesproken wordt om te onderzoeken of het mogelijk is om ‘the accounting function for the Treasury companies’ op te pakken eventueel met een assistent van het huidige team dat met Treasury werkt.

5.6.

Het voorgaande leidt ertoe dat niet is komen vast te staan dat de werknemer toestemming heeft verkregen van de werkgever om vanuit zijn eenmanszaken werkzaamheden te verrichten en dat een rechtvaardiging voor de aan [naam 1] en/of [naam 2] verrichte betalingen eveneens niet is komen vast te staan. De werkgever heeft dan ook terecht gegronde redenen gehad dat de werknemer zich schuldig heeft gemaakt aan frauduleuze handelingen en/of verduistering en/of andere misdrijven, waardoor hij het vertrouwen van de werkgever onwaardig is geworden. Mede gelet op de bijzondere positie die de werknemer als Finance Manager bekleedde en de frequentie en omvang van de verrichte betalingen gedurende een lange periode aan de eenmanszaken van de werknemer is de kantonrechter van oordeel dat sprake is van een dringende reden en dat de werkgever de werknemer heeft mogen ontslaan op staande voet. Dat er sprake is geweest van een driedubbel controlesysteem en de werknemer geen autorisatie had om zelf betalingen te verrichten maakt dit oordeel niet anders. Daarbij merkt de kantonrechter op dat nog nader strafrechtelijk onderzoek dient plaats te vinden naar een automatische incassomachtiging die in de mailbox van de werknemer is aangetroffen en waarop onder meer de naam [de man] (één van de namen van de werknemer) staat vermeld. De werknemer heeft hiervoor tijdens de zitting geen redelijke verklaring kunnen geven.

5.7.

Uit artikel 7:681 lid 1 sub a BW volgt dat de kantonrechter op verzoek van de werknemer de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever kan vernietigen, indien de werkgever heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Nu hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is, zal het verzoek van de werknemer om vernietiging van dat ontslag worden afgewezen. Er is immers geen sprake van een opzegging in strijd met artikel 7:671 BW, zodat er ook geen grond is om toepassing te geven aan artikel 7:681 lid 1 BW. Het verzoek van de werknemer tot loondoorbetaling vanaf 4 juni 2019, vermeerderd met de wettelijke rente en het verzoek om toe te worden gelaten de overeengekomen werkzaamheden te verrichten op straffe van een dwangsom, zullen daarom eveneens worden afgewezen.

het verzoek tot toekennen van een billijke vergoeding, gefixeerde schadevergoeding en transitievergoeding

5.8.

Uit artikel 7:681 lid 1, sub a BW volgt dat de kantonrechter op verzoek van de werknemer een billijke vergoeding kan toekennen, indien de werkgever heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. De werknemer heeft het verzoek om toekenning van een billijke vergoeding nadrukkelijk subsidiair gedaan en heeft ter zitting verklaard dat bedoeld is de keuze als bedoeld in artikel 7:681 lid 1 BW te laten vallen op vernietiging van de opzegging. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt de kantonrechter aan bespreking van dit verzoek daarom niet toe. Daarnaast staat vast dat de werkgever de arbeidsovereenkomst met de werknemer onverwijld heeft opgezegd en dat hij daartoe bevoegd was, zodat het toekennen van de gefixeerde schadevergoeding op grond van artikel 7:672 lid 10 BW eveneens niet aan de orde is. Tot slot is de kantonrechter met de werkgever van oordeel dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van de werknemer, zodat ook het verzoek om toekenning van de transitievergoeding op grond van artikel 7:673 lid 7 sub c BW wordt afgewezen. Voor het verzoek tot het toekennen van een transitievergoeding op grond van artikel 7:673 lid 8 BW ziet de kantonrechter geen aanleiding, gelet op de bijzondere positie die de werknemer als Finance Manager bekleedde en de frequentie en omvang van de verrichte betalingen gedurende een lange periode aan de eenmanszaken van de werknemer.

inzake de voorlopige voorziening

5.9.

Nu in deze beschikking al een beslissing wordt gegeven op het verzoek van de werknemer in de hoofdzaak, is er geen reden meer om met toepassing van artikel 223 Rv een voorlopige voorziening te treffen. Een voorlopige voorziening op grond van dat artikel kan immers alleen worden getroffen voor de duur van het geding. De werknemer zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in zijn verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.

in de zaak van het voorwaardelijk tegenverzoek

5.10.

De werkgever heeft het voorwaardelijk tegenverzoek ingediend uitsluitend voor het geval dat vast zou komen te staan dat het ontslag op staande voet vernietigd moet worden. Nu hiervoor is overwogen en beslist dat het ontslag op staande voet op 4 juni 2019 rechtsgeldig is gegeven, behoeft het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst geen verdere inhoudelijke beoordeling.

in de zaak van het verzoek en het voorwaardelijk tegenverzoek

5.11.

De proceskosten komen voor rekening van de werknemer, omdat hij ongelijk krijgt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

in het incident:

6.1.

verklaart de werknemer niet ontvankelijk in zijn verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening;

in de zaak van het verzoek

6.2.

wijst het verzoek af;


in de zaak van het voorwaardelijk tegenverzoek

6.3.

verstaat dat de voorwaarde waaronder het tegenverzoek is ingediend niet is vervuld;

6.4.

verklaart de werkgever niet ontvankelijk in haar tegenverzoek;

in de zaak van het verzoek en het voorwaardelijk tegenverzoek

6.5.

veroordeelt de werknemer tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de werkgever tot en met vandaag vaststelt op € 600,00 aan gemachtigdensalaris, een en ander onverminderd de eventueel over deze kosten verschuldigde btw;

6.6.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. S.M. de Bruijn en uitgesproken ter openbare zitting van 16 oktober 2019.