Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:14255

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-12-2019
Datum publicatie
09-01-2020
Zaaknummer
NL19.27928
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublinverordening; Eurodac-treffer niet onder alle omstandigheden indicatie voor verantwoordelijkheid lidstaat; ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.27928

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. M.E. Muller),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).

Procesverloop

Bij besluit van 18 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.27929, plaatsgevonden op 5 december 2019. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M. van Werven, als waarnemer van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is – naar de rechtbank begrijpt – op 5 november 2017 via Italië de Europese Unie op illegale wijze ingereisd. Op 28 november 2017 heeft eiser in Frankrijk een verzoek om internationale bescherming ingediend. Eiser heeft vervolgens op 23 april 2019 in Nederland een verzoek om internationale bescherming ingediend. Op dezelfde dag ontving verweerder een zogeheten Eurodac-treffer. Verweerder heeft op 5 juni 2019 Frankrijk verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder b van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Op 19 juni 2019 heeft Frankrijk het verzoek van verweerder afgewezen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers verzoek om internationale bescherming. Verweerder heeft op 26 juni 2019 Italië verzocht om eiser over te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder a van de Dublinverordening. Italië heeft hierop niet tijdig gereageerd. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag omdat de Italiaanse autoriteiten niet tijdig hebben gereageerd.

2. Eiser voert aan dat het op 26 juni 2019 door verweerder ingediende claimverzoek aan Italië niet binnen de in artikel 21, eerste lid, van de Dublinverordening genoemde termijn van twee maanden is ingediend en dat verweerder daarom verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielverzoek. Deze beroepsgrond slaagt niet.

2.1

Artikel 13, eerste lid, van de Dublinverordening bepaalt dat wanneer is vastgesteld, aan de hand van bewijsmiddelen of indirect bewijs, zoals omschreven in de twee in artikel 22, lid 3, van deze verordening genoemde lijsten, inclusief de gegevens zoals bedoeld in Verordening (EU) nr. 603/2013, dat een verzoeker op illegale wijze de grens van een lidstaat heeft overschreden via het land, de zee of de lucht of komende vanuit een derde land, de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming berust bij die lidstaat. Die verantwoordelijkheid eindigt twaalf maanden na de datum waarop de illegale grensoverschrijding heeft plaatsgevonden.

Op grond van artikel 21, eerste lid, van de Dublinverordening, kan de lidstaat waarbij een verzoek om internationale bescherming is ingediend en die van mening is dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van dit verzoek, die andere lidstaat zo spoedig mogelijk en in ieder geval binnen drie maanden na de indiening van het verzoek in de zin van artikel 20, tweede lid, dat wil zeggen de asielaanvraag, om overname verzoeken.

Niettegenstaande de eerste alinea wordt, in het geval van een Eurodac-treffer met gegevens die zijn opgeslagen overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EU) nr. 603/2013, het verzoek uiterlijk twee maanden na ontvangst van de treffer toegezonden overeenkomstig artikel 15, tweede lid, van die verordening.

In de derde alinea van het eerste lid van artikel 21 van de Dublinverordening is bepaald dat, indien er binnen de in de eerste en tweede alinea vastgelegde termijnen geen verzoek tot overname van de verzoeker wordt ingediend, de lidstaat waarbij het verzoek om internationale bescherming is ingediend, verantwoordelijk is voor de behandeling ervan.

Op grond van artikel 23, eerste lid, van de Dublinverordening kan een lidstaat waar een persoon als bedoeld in artikel 18, lid 1, onder b), c) of d), een nieuw verzoek om internationale bescherming heeft ingediend, en van oordeel is dat een andere lidstaat verantwoordelijk is overeenkomstig artikel 20, vijfde lid, en artikel 18, eerste lid, onder b), c) of d), die andere lidstaat verzoeken de betrokken persoon terug te nemen.

Op grond van het tweede lid wordt een verzoek tot terugname zo snel mogelijk ingediend en in ieder geval binnen twee maanden na ontvangst van de Eurodac-treffer op grond van artikel 9, vijfde lid, van Verordening (EU) nr. 603/2013.

2.2

Op 23 april 2019 heeft eiser een asielaanvraag ingediend in Nederland. Op dezelfde dag is uit Eurodac gebleken dat eiser op 5 november 2017 de buitengrenzen van het grondgebied van de aan de Dublinverordening gebonden lidstaten heeft overschreden via Italië en dat hij op 28 november 2017 een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend in Frankrijk.

2.3

Zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht, vormde de Eurodac-treffer ten aanzien van Italië voor verweerder geen aanknopingspunt om uit te gaan van de verantwoordelijkheid van Italië, omdat op 23 april 2019 de in de artikel 13, eerste lid, van de Dublinverordening genoemde termijn van twaalf maanden al was verstreken. Op 5 juni 2019, heeft verweerder overeenkomstig de in artikel 23, tweede lid, van de Dublinverordening genoemde termijn van twee maanden, de Franse autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b van de Dublinverordening.

Op 19 juni 2019 hebben de Franse autoriteiten dit verzoek afgewezen, omdat zij hebben vastgesteld dat Italië verantwoordelijk is voor het verzoek om internationale bescherming van eiser. Uit de informatie die verweerder van de Franse autoriteiten heeft ontvangen blijkt dat de Franse autoriteiten op 30 november 2017 een claimverzoek hebben ingediend bij de Italiaanse autoriteiten, welk verzoek de Italiaanse autoriteiten op 30 januari 2018 stilzwijgend hebben aanvaard. Op 26 februari 2018 hebben de Franse autoriteiten de Italiaanse autoriteiten geïnformeerd over hun stilzwijgende aanvaarding van de verantwoordelijkheid. Op 31 mei 2018 heeft Frankrijk aan Italië laten weten dat zij de overdrachtstermijn heeft verlengd tot 23 november 2019, omdat eiser met onbekende bestemming was vertrokken. Deze informatie betekent ook dat de procedure tot bepaling van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek is afgerond. Vanwege deze informatie heeft verweerder op 26 juni 2019 de Italiaanse autoriteiten verzocht eiser over te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder a, van de Dublinverordening.

2.4

De rechtbank kan verweerder volgen in zijn toelichting dat het aanknopingspunt voor de verantwoordelijkheid van Italië in dit geval niet was gelegen in de Eurodac-treffer ten aanzien van Italië, maar in de informatie die verweerder van de Franse autoriteiten heeft ontvangen. Verweerder heeft deze informatie ook ten grondslag gelegd aan het overnameverzoek dat verweerder op 26 juni 2019 bij Italië heeft ingediend. Uit dit verzoek blijkt immers: “The Dutch authorities sent a take back request to France on 5 June 2019, which was rejected on 19 June 2019. The rejection revealed that France deemed Italy as the responsible Member State and the time limit for transfer as mentioned in article 29 of Regulation (EU) no. 604/2013 has not expired yet (see enclosed). There are no indications that the responsibility of Italy would have ceased in accordance with article 19 Regulation (EU) No 604/2013). Therefore, Italy is considered responsible for taking charge of the person concerned on grounds of article 18, clause 1 (a) Regulation (EU) No 604/2013 as the person concerned did not formally apply for international protection in Italy.

Enclosed: the Eurodac Search Result, rejection of France, photograph, fingerprints (separately)”. Dat in het claimverzoek ook melding wordt gemaakt van de Eurodac-treffer ten aanzien van Italië, doet aan het voorgaande niet af.

2.5

Nu verweerder in de Eurodac-treffer ten aanzien van Italië geen aanknopingspunt heeft hoeven zien voor de verantwoordelijkheid van Italië en dit aanknopingspunt eerst ontstond na ontvangst van de informatie van de Franse autoriteiten, was verweerder ook niet gehouden om binnen de in artikel 21 van de Dublinverordening genoemde termijn van twee maanden na de Eurodac-treffer een overnameverzoek in te dienen, maar was hij gehouden om binnen de in artikel 21, eerste lid, van de Dublinverordening genoemde termijn van drie maanden een overnameverzoek in te dienen bij Italië. Eiser heeft op 23 april 2019 asielaanvraag ingediend in Nederland. De termijn voor het indienen van een overnameverzoek eindigde daarmee op 23 juli 2019. Nu verweerder het overnameverzoek aan Italië op 26 juni 2019 heeft ingediend, is het overnameverzoek tijdig gedaan.

3. Eiser voert aan dat Italië niet verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag omdat al meer dan twaalf maanden zijn verstreken sinds hij op illegale wijze de grens van Italië heeft overschreden. Hij wijst daarbij op artikel 13 van de Dublinverordening. Deze beroepsgrond slaagt niet.

3.1

Artikel 13 behoort tot hoofdstuk III van de Dublinverordening. Uit het arrest van het Hof van Justitie van 2 april 2019 in de zaken H. en R. tegen Nederland, ECLI:EU:C:2019:280, leidt de rechtbank af dat als een vreemdeling eerst in de ene lidstaat een verzoek om internationale bescherming indient en daarna doorreist naar een andere lidstaat en daar opnieuw een verzoek om internationale bescherming indient, hij in die andere lidstaat niet in een rechtsmiddel tegen een door verweerder genomen overdrachtsbesluit, een beroep kan doen op een criterium uit hoofdstuk III van de Dublinverordening. Nu eiser eerder in Frankrijk een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend en Italië het claimverzoek van de Franse autoriteiten heeft aanvaard, staat de verantwoordelijkheid van Italië vast. Naar het oordeel van de rechtbank kon eiser alleen in Frankrijk nog opkomen tegen een onjuiste toepassing van een in hoofdstuk III van die Verordening genoemd verantwoordelijkheidscriterium en kan hij, na te zijn ondergedoken en te zijn doorgereisd naar Nederland en na hier opnieuw een verzoek om internationale bescherming te hebben ingediend, in zijn beroep tegen het door verweerder genomen overdrachtsbesluit niet een beroep doen op een criterium uit hoofdstuk III van de Dublinverordening.

4. Eiser voert aan dat hij als kwetsbare persoon in de zin van het arrest Tarakhel van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 4 november 2014

(nr. 29217/12) (het arrest Tarakhel) dient te worden aangemerkt. Eiser is slachtoffer geweest van mensenhandel en vreest weer in de handen van mensenhandelaren te komen na zijn overdracht aan Italië. Verweerder heeft daarom de Italiaanse autoriteiten om individuele garanties met betrekking tot de opvangcapaciteit en leefomstandigheden in de opvangcentra in Italië moeten vragen. Hij wijst ter onderbouwing hiervan op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaat ’s-Hertogenbosch, van 28 juni 2019 (ECLI:NL:RBDHA:2019:6493) en een interim measure die op 19 september 2019 (nr. 48397/19) door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) is getroffen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.1

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als kwetsbare persoon dient te worden aangemerkt in de zin van het arrest Tarakhel. De enkele niet nader onderbouwde stelling dat eiser slachtoffer is geweest van mensenhandel en dat hij daarom vreest dat hij bij terugkeer weer in de handen van mensenhandelaren terecht zal komen, acht de rechtbank daartoe onvoldoende. De rechtbank overweegt daarbij dat de uitspraak van deze rechtbank en de interim measure waar eiser naar heeft verwezen, een gezin met minderjarige kinderen, respectievelijk een zwangere vrouw betroffen. Eiser is een alleenstaande meerderjarige man. De omstandigheden in die zaken zijn aldus niet vergelijkbaar met die van eiser.

5. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaat. Eiser betoogt dat in Italië sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen. Ter onderbouwing hiervan wijst hij op het rapport van het Zwitserse Vluchtelingenwerk (SFH/OSAR) van 9 mei 2019 en op het AIDA-landenrapport van 16 april 2016, waaruit deze tekortkomingen blijken. Eiser vreest hierdoor geconfronteerd te worden met leefomstandigheden die in strijd zijn met artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. Onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat in de zaak tussen MSS en België en Griekenland van 21 januari 2011 (ECLI:CE:ECHR:2011:0121JUD003069609) is gewezen, betoogt eiser in dit verband dat verweerder nader onderzoek had moeten doen naar de leefomstandigheden in Italië. Eiser meent dat verweerder gehouden is om eisers verzoek om internationale bescherming op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich te trekken, nu verweerder ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan. Deze beroepsgrond slaagt niet.

5.1

Op grond van paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 maakt verweerder terughoudend gebruik van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming te behandelen op grond van artikel 17, eerste en tweede lid, van de Dublinverordening als Nederland daartoe op grond van in de verordening neergelegde criteria niet is verplicht. Verweerder gebruikt de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming te behandelen in ieder geval indien er concrete aanwijzingen zijn dat de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt of bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan die lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt.

5.2

De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in onder meer haar uitspraken van 19 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4131), 29 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1395), 12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1861) en 22 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2845) heeft geoordeeld, met inachtneming van een aantal rapporten en andere bronnen, waaronder het door eiser in de zienswijze aangehaalde AIDA-rapport van 16 april 2019, mag verweerder ten aanzien van Italië nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan. De rechtbank is daarom met verweerder van oordeel dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat in zijn geval niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser is daar niet in geslaagd. Naar het oordeel van de rechtbank geeft het rapport van de SFH/OSAR van 9 mei 2019 immers geen wezenlijk ander beeld van de situatie in Italië dan zoals beoordeeld door de Afdeling in voornoemde uitspraken. Gelet hierop mag verweerder ten aanzien van Italië nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan. Voor zover eiser meent dat hij met betrekking hiertoe in bewijsnood verkeert, dient hij dit aannemelijk te maken. Eiser heeft dit niet gedaan. De rechtbank is daarom ook van oordeel dat verweerder niet gehouden was nader onderzoek te doen naar de leefomstandigheden in Italië.

5.3

Uitgaande van een terughoudende toets heeft verweerder daarnaast in de door eiser aangevoerde omstandigheden geen bijzondere, individuele omstandigheden hoeven zien, die maken dat de overdracht van eiser aan Italië van een onevenredige hardheid getuigt. Verweerder heeft daarom geen aanleiding hoeven zien om het asielverzoek op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich te trekken.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.M. Jurgens, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.A. Faulborn, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.