Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:1424

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-01-2019
Datum publicatie
19-02-2019
Zaaknummer
AWB 16/8167
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

MK, Brummen, IMMO, geloofwaardigheid relaas

De rechtbank is van oordeel dat uit het iMMO-rapport volgt dat de conclusie dat sprake is van psychische problematiek bij eiser die geïnterfereerd heeft met het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren betrekking heeft op alle verklaringen van eiser tijdens de gehoren. Het iMMO-rapport, voor zover daarin is geconcludeerd dat sprake is van psychische problematiek van dien aard dat deze zeker heeft geïnterfereerd met het compleet, coherent en consistent verklaren door eiser tijdens de gehoren in de asielprocedure, is naar het oordeel van de rechtbank voldoende inzichtelijk en concludent. In het iMMO-rapport wordt een verklaring gegeven voor de door verweerder tegengeworpen tegenstrijdige, inconsistente en summiere verklaringen van eiser in de gehoren. Het iMMO-rapport is daarom een relevant nieuw feit van na de eerdere uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, op grond waarvan verweerder, als hij geen contra-expertise inbrengt, zijn standpunt over de geloofwaardigheid van die verklaringen dient te herzien in het licht van de conclusie van het iMMO over het vermogen van eiser om compleet, consistent en coherent te verklaren. Dat betekent dat verweerder opnieuw zal moeten beoordelen of het relaas van eiser over de gebeurtenissen in 2010 geloofwaardig is. Indien verweerder, ondanks het iMMO-rapport, van de verklaringen van eiser tijdens de gehoren wenst uit te blijven gaan, dient verweerder een contra-expert in te schakelen. Het beroep is reeds hierom gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16 / 8167

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 10 januari 2019 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , van Srilankaanse nationaliteit,

eiser

(gemachtigde: mr. M. Woudwijk, advocaat te Amsterdam)

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

verweerder

(gemachtigde: mr. J.M. Sidler, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 15 juli 2011 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.

Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 29 september 2015 (AWB 11/25608) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, het beroep gegrond verklaard, het besluit van 15 juli 2011 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiser.

Bij besluit van 24 maart 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd opnieuw afgewezen. Verweerder heeft aan zijn afwijzing mede een verklaring van onderzoek van Bureau Documenten van 21 december 2015 ten grondslag gelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft op 5 oktober 2016 een rapport overgelegd van 26 juli 2016 van het instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek (iMMO; hierna verder: het iMMO-rapport).

Verweerder heeft op 17 februari 2017 en op 6 februari 2018 verweerschriften ingediend.

Bij beslissing van 17 juli 2017 heeft deze rechtbank en zittingsplaats de beperking van de kennisneming van de onderliggende stukken van het onderzoek van Bureau Documenten als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gerechtvaardigd geacht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen schriftelijk aan te geven of hij bereid is MediFirst te vragen om een reactie op het iMMO-rapport.

Verweerder heeft op 23 februari 2018 bericht geen gebruik te maken van de geboden gelegenheid om een reactie te vragen van een medisch deskundige op het iMMO-rapport. Verder heeft verweerder een nadere inhoudelijke reactie gegeven op het iMMO-rapport.
Eiser heeft vervolgens op 19 maart 2018 daarop gereageerd en een reactie van het iMMO van 16 maart 2018 overgelegd.

De rechtbank heeft partijen vervolgens op 29 juni 2018 verzocht om te reageren op uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 27 juni 2018 in een drietal vergelijkbare zaken (ECLI:NL:RVS:2018:2084, ECLI:NL:RVS:2018:2085 en ECLI:NL:RVS:2018:2086).

Verweerder heeft op 12 juli 2018 gereageerd. Eiser heeft op 8 augustus 2018 gereageerd en daarbij een reactie van het iMMO van 6 augustus 2018 overgelegd.

De rechtbank heeft partijen op 4 september 2018 bericht dat zij van oordeel is dat een nadere zitting niet nodig is, tenzij partijen aangeven dat zij alsnog gehoord wensen te worden. Eiser heeft op 13 september 2018 aangegeven geen nadere zitting nodig te achten. Verweerder heeft niet gereageerd. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

  1. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag het volgende aangevoerd. Eiser heeft verklaard dat er foto’s en video-opnames van hem zijn gemaakt toen hij in mei of juni 2004 in opdracht van de Liberation Tigers of Tamil Eelam (LTTE) teksten in de stad heeft omgeroepen in verband met een te houden bijeenkomst van de LTTE.
    Eisers vader, moeder, een zus en een broer zijn om het leven gekomen tijdens een bombardement op de schuilkelder waar zij zich schuilhielden in 2008.
    Eiser is op [datum 1] opgepakt en drie dagen mishandeld en verhoord door de Eelam People’s Democratic Party (EPDP). Hierbij is hij geconfronteerd met de foto’s en video-opnames uit 2004. Na betaling van een geldbedrag is hij vrijgelaten en heeft hij een week in het ziekenhuis gelegen. Op [datum 2] is hij meegenomen door de Criminal Investigation Departement (CID) op basis van eerdergenoemde opnames uit 2004 en is hij weer hierover ondervraagd en mishandeld. Dezelfde avond is hij weer vrijgelaten. Eiser heeft vervolgens op [datum 3] Sri Lanka verlaten. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn relaas een medische verklaring van een ziekenhuis, Mannar Clinic, van [datum 4] overgelegd waaruit blijkt dat eiser daar is opgenomen in 2010. Daarnaast heeft hij een arrestatiebevel overgelegd van [datum 5] . Eiser heeft ten slotte in Nederland ook deelgenomen aan zogenoemde “Heldendagen” en foto’s overgelegd waarop hij herkenbaar staat.

  2. Verweerder heeft de aanvraag van eiser in het bestreden besluit en het hierin ingelaste voornemen, afgewezen op grond van artikel 31 Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder heeft daarbij de volgende elementen als relevant aangemerkt:
    - eisers identiteit, afkomst en nationaliteit;
    - zijn activiteiten voor de LTTE in 2004;
    - de gebeurtenissen in juli 2010, waarbij eiser door zowel de EPDP als de CID is meegenomen;
    - deelname aan demonstraties in Nederland.
    Verweerder heeft de identiteit, afkomst en nationaliteit van eiser geloofwaardig geacht. Ook heeft verweerder de verklaringen van eiser over zijn activiteiten voor de LTTE in 2004 geloofwaardig geacht. De verklaringen van eiser over de gebeurtenissen in 2010 heeft verweerder ongeloofwaardig geacht. Daarvoor heeft verweerder verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 29 september 2015, waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat van de door eiser afgelegde verklaringen over die gebeurtenissen geen positieve overtuigingskracht uitgaat.
    Uit de verklaring van onderzoek van het Bureau Documenten blijkt dat het door eiser overgelegde arrestatiebevel met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet is opgemaakt en afgegeven door een daartoe bevoegde autoriteit en dat het document met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt is. Verweerder heeft zich daarom op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiser over de problemen in 2010 niet alsnog geloofwaardig zijn geworden door het overleggen van dit arrestatiebevel.
    Ten slotte heeft verweerder de deelname van eiser aan demonstraties in Nederland geloofwaardig geacht.
    De geloofwaardig geachte relevante elementen leiden er echter niet toe dat eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 Vw, aldus verweerder.

3. Eiser voert aan dat verweerder ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij de verklaringen van eiser over de gebeurtenissen in 2010 ongeloofwaardig acht, ten onrechte heeft verwezen naar zijn standpunt daarover in het eerdere besluit van 15 juli 2011.
Eiser verwijst daarvoor naar het iMMO-rapport van 26 juli 2016, en de aanvullingen daarop van 16 maart 2018 en 6 augustus 2018. Daarin is geconcludeerd dat de littekens die eiser heeft consistent zijn met zijn asielrelaas en dat zijn psychiatrische klachten typerend zijn voor zijn asielrelaas.
Verder heeft het iMMO geconcludeerd dat eiser ten tijde van de eerdere asielprocedure psychische klachten had die zeker interfereerden met het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren. Verweerder kan daarom volgens eiser niet langer aan hem tegenwerpen dat hij tegenstrijdige, inconsistente en summiere verklaringen heeft afgelegd over de gebeurtenissen in 2010.

3.1

Verweerder heeft zich (samengevat) op het standpunt gesteld dat het iMMO-rapport onvoldoende inzichtelijk en concludent is. Het iMMO-rapport is daarom volgens verweerder geen nieuw feit dat kan leiden tot een andere beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiser. Het iMMO-rapport voldoet volgens verweerder ook niet aan de eisen zoals die zijn vastgesteld in voornoemde uitspraken van de Afdeling van 27 juni 2018.

3.2

De rechtbank stelt vast dat partijen allereerst van mening verschillen over de vraag of in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 29 september 2015, die in rechte vast staat, een definitief oordeel is gegeven over de geloofwaardigheidsbeoordeling van het asielrelaas van eiser.

3.3

Gelet op vaste jurisprudentie van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 6 augustus 2003 (ECLI:NL:RVS:2003:AI0801), de zogenaamde Brummen-leer, heeft het niet instellen van hoger beroep tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank waarbij de rechtbank een eerder besluit heeft vernietigd, tot gevolg dat, indien in beroep tegen het nieuwe besluit op de aanvraag beroepsgronden worden aangevoerd die door de rechtbank in die eerdere uitspraak uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen, de rechtbank van de juistheid van het eerder gegeven oordeel over die beroepsgronden heeft uit te gaan.
Bijzondere omstandigheden kunnen er echter toe leiden dat het niet instellen van hoger beroep tegen uitspraken waarin beroepsgronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen, niet aan die partij kan worden tegengeworpen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 14 juni 2007 (ECLI:NL:RVS:2007:BA7794) volgt verder dat ook nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden een hernieuwde beoordeling van een eerder verworpen beroepsgrond kunnen rechtvaardigen.

3.4

Deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, heeft in voornoemde uitspraak van 29 september 2015 als volgt overwogen:

“4.2 In het licht van de terughoudende toets als weergegeven in overweging 3 is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat van de door eiser afgelegde verklaringen geen positieve overtuigingskracht uitgaat. Verweerder heeft hierbij kunnen betrekken dat eiser over diverse gebeurtenissen tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. Zo heeft eiser ten aanzien van de gestelde detentie en mishandelingen door de EPDP inconsistent verklaard over de momenten waarop de foto’s en videobeelden aan hem zijn getoond en over hoe hij werd behandeld tijdens de gestelde detentieperiode. De door eiser overgelegde verklaring uit het ziekenhuis van 13 maart 2011 heeft verweerder onvoldoende kunnen achten, nu hieruit niet valt af te leiden dat de medische klachten van eiser het gevolg zijn van de door eiser gestelde mishandelingen en er geen melding wordt gemaakt van de verdere door eiser in zijn verklaring aangegeven verwondingen. Voorts heeft verweerder mogen tegenwerpen dat eiser wisselend heeft verklaard over de momenten waarop de foto’s en videobeelden aan hem zijn getoond en tevens over door hoeveel personen hij zou zijn verhoord door de CID.
Daarnaast heeft verweerder eiser kunnen tegenwerpen dat hij summiere verklaringen heeft afgelegd ten aanzien van de foto en video-opnamen die van hem zouden zijn genomen. Zo heeft hij niet inzichtelijk kunnen maken hoe de foto’s en video-opnamen zijn gemaakt, omdat hij dit niet zou hebben gezien. Tevens heeft hij niet kunnen verklaren hoe de EPDP en de CID aan deze beelden zijn gekomen.
Voorts heeft verweerder bij zijn geloofwaardigheidsoordeel mogen betrekken dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over hoe hij in januari 2009 ongecontroleerd het gebied van het leger in heeft kunnen reizen en dat hij wisselend heeft verklaard over het gestelde huisbezoek van de EPDP en de CID bij zijn oma na zijn vertrek.
De gestelde medische klachten zijn onvoldoende onderbouwd om de tegenstrijdigheden te kunnen verklaren. In het medisch advies van Medifirst van 26 januari 2011 staat -voor zover van belang- het volgende: “Dhr zegt hiaten in geheugen te hebben voor data tijdens de oorlog in land van herkomst.” Dit vormt onvoldoende basis om de tegenstrijdigheden in het relaas niet tegen te werpen. Ook uit het in beroep overgelegde ‘meldingsformulier medische klachten asielzoeker’ van de GGD van 31 januari 2011 blijkt niet dat eiser niet in staat is consistent te kunnen verklaren.

4.3

Het voorgaande neemt echter niet weg dat eiser zijn relaas alsnog aannemelijk kan maken, indien hij dit relaas met stukken kan onderbouwen. Eiser heeft hiertoe in beroep een arrestatiebevel overgelegd. Bureau Documenten heeft op verzoek van verweerder in de beroepsfase een onderzoek naar het arrestatiebevel ingesteld. Dit heeft geresulteerd in de verklaring van onderzoek van 16 maart 2012 waarin -voor zover hier van belang- hetvolgende is gesteld: “Het arrestatiebevel wijkt voor wat betreft de echtheid, opmaak en afgifte af van bij Bureau Documenten intern bekende informatie. Het document is met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet opgemaakt en afgegeven door de daartoe bevoegde autoriteiten. Gelet op het voorgaande is het document waarschijnlijk niet echt.

4.4

De rechtbank heeft met toestemming van partijen kennis genomen van de onderliggende stukken die aan de verklaring van onderzoek ten grondslag zijn gelegd. Na bestudering van de onderliggende stukken is de rechtbank van oordeel dat deze onvoldoende inzicht bieden in de (expertise van) de door Bureau Documenten ingeschakelde expert en de door de expert gehanteerde onderzoeksmethoden. In zoverre is het besluit dan ook onzorgvuldig voorbereid en genomen in strijd met de artikelen 3:2 en artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep is reeds hierom gegrond.”

3.5

De rechtbank is van oordeel dat deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, in deze uitspraak in rechtsoverweging 4.2 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft geoordeeld dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser tijdens de gehoren op verschillende punten tegenstrijdige, inconsistente en summiere verklaringen heeft afgelegd. Voorts is uitdrukkelijk en zonder voorbehoud geoordeeld dat de gestelde medische klachten van eiser onvoldoende zijn onderbouwd om deze tegenstrijdigheden te kunnen verklaren. Deze rechtbank heeft met deze overweging uitdrukkelijk hetgeen eiser hierover heeft aangevoerd, verworpen.
Het standpunt van eiser dat uit de zinsnede in rechtsoverweging 4.3, te weten: “Het voorgaande neemt echter niet weg dat eiser zijn relaas alsnog aannemelijk kan maken, indien hij dit relaas met stukken kan onderbouwen”, volgt dat geen eindoordeel is gegeven, volgt de rechtbank niet. Immers, uitgangspunt blijft dat verweerder zich, in het licht van de daartegen aangevoerde beroepsgronden, op het standpunt heeft kunnen stellen dat het relaas van eiser niet aannemelijk is. Zoals ook blijkt uit de aangehaalde zin heeft de rechtbank daarbij niet op voorhand afbreuk willen doen aan het oordeel dat in de voorafgaande overweging is gegeven. Daarbij komt dat in het algemeen als uitgangspunt geldt dat een vreemdeling, nadat eerder de ongeloofwaardigheid van een asielrelaas in rechte is komen vast te staan, zijn asielrelaas alsnog aannemelijk kan maken met nieuw gebleken feiten of nieuw bewijs van zijn eerdere verklaringen.
Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank nu in deze procedure van de juistheid van het eerder gegeven oordeel van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, moet uitgaan. Eiser heeft ook geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die ertoe moeten leiden dat het niet instellen van hoger beroep tegen de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, niet aan hem kan worden tegengeworpen.

3.6

De rechtbank zal, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en gelet op voornoemde uitspraak van de Afdeling van 14 juni 2007, hierna beoordelen of het door eiser in beroep overgelegde iMMO-rapport nieuw gebleken feiten bevat die relevant zijn voor het standpunt van verweerder over de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser.

3.6.1

In het iMMO-rapport staat allereerst dat de littekens die eiser heeft consistent zijn met het gestelde relaas. Voorts staat als conclusie over de bij eiser vastgestelde psychiatrische problematiek dat deze qua aard en inhoud nadrukkelijk passen bij de gestelde ondergane geweldservaring. Alles overziend worden deze psychiatrische klachten beoordeeld als typerend voor het gestelde relaas van het meegemaakte bombardement en de mishandeling tijdens het verhoor.
Verder heeft het iMMO vastgesteld dat eiser nu last heeft van forse geheugen- en concentratieproblemen. Alles overziend zijn er op dit moment en ten tijde van de eerdere asielprocedure psychische klachten die zeker interfereren met het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren, aldus het iMMO-rapport.

In de bijgevoegde leeswijzer bij het iMMO-rapport staat het volgende:
- consistent: het litteken of de klacht kan zijn veroorzaakt door de gebeurtenis beschreven door betrokkenen, en er zijn een paar andere mogelijke oorzaken;
- typerend: deze verschijnselen worden meestal waargenomen bij dit type mishandeling of gebeurtenis, maar er zijn andere mogelijke oorzaken;
- zeker: de psychische problemen zijn van dien aard en ernst dat ze zeker zullen interfereren.

3.6.2

De rechtbank zal conform de uitspraken van de Afdeling van 27 juni 2018 het door eiser ingebrachte iMMO-rapport toetsen aan de hand van hetgeen verweerder daartegenover heeft gesteld en, aldus, beoordelen of het rapport nieuwe feiten omvat zoals bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 14 juni 2007.
De rechtbank stelt allereerst vast dat uit voornoemde uitspraken van de Afdeling van 27 juni 2018 blijkt dat het in de verweerschriften van 17 februari 2017 en 23 februari 2018 ingenomen standpunt van verweerder dat reeds vanwege het tijdsverloop tussen de asielgehoren van eiser en het nadien uitgebrachte iMMO-rapport geen waarde aan het iMMO-rapport toekomt, niet langer kan worden gehandhaafd. Verweerder heeft dit in zijn reactie van 12 juli 2018 ook erkend, zodat tussen partijen niet langer in geschil is dat verweerder zich ten onrechte op dat standpunt heeft gesteld.

3.6.3

In het advies van MediFirst van 26 januari 2011 is opgenomen dat er geen sprake is van medische problematiek die van invloed kan zijn op de verklaringen van eiser. Voorts is onder “overige relevante opmerkingen met betrekking tot de gezondheidssituatie van betrokkene” het volgende opgenomen:

“Dhr. meldt beperkt onderwijs te hebben genoten, houdt hiermee rekening in uw vraagstelling e.d. Dhr. zegt hiaten in geheugen te hebben voor data tijdens oorlog in land herkomst. Dhr. zegt niet langer dan 1,5 uur achtereen te kunnen zitten. Biedt s.v.p. in overleg met dhr. pauze aan.”

Eiser heeft in de eerdere beroepsprocedure niet bestreden dat MediFirst zijn onderzoek overeenkomstig het Protocol Medisch advies Horen en Beslissen heeft uitgevoerd. Evenmin heeft eiser stukken overgelegd waaruit volgt dat hij ten onrechte niet is gezien door een voor MediFirst werkzame arts, psycholoog of psychiater. Verder heeft eiser in de periode tussen het uitbrengen van het MediFirst-advies en het afnemen van de gehoren geen medische stukken overgelegd waarmee in het advies geen rekening is gehouden. Ook is in de eerdere beroepsprocedure niet gesteld dat de gehoorambtenaren tijdens het afnemen van de gehoren niet alert zijn geweest op signalen waaruit bleek dat eiser moeite had met verklaren. Uitgangspunt is dan ook, niet alleen gelet op de Brummen-leer, maar ook gezien de uitspraken van de Afdeling van 27 juni 2018, dat verweerder en de rechtbank van de door eiser tijdens de gehoren afgelegde verklaringen mogen uitgaan.

Wanneer een vreemdeling in de beroepsfase een iMMO-rapport heeft ingebracht dat zorgvuldig tot stand is gekomen en dat naar inhoud inzichtelijk en concludent is, moet verweerder, zoals de Afdeling ook heeft overwogen in haar uitspraken van 27 juni 2018, de conclusie uit dit rapport betrekken bij zijn beoordeling.

Zoals de Afdeling verder heeft overwogen, kan verweerder, indien in het iMMO-rapport op concludente en inzichtelijke wijze is gesteld dat de psychische problematiek van de vreemdeling ten tijde van de gehoren zeer waarschijnlijk of zeker interfereerde met zijn vermogen om consistent en coherent te verklaren, hieraan niet voorbijgaan zonder zelf een medisch deskundige te raadplegen. Daartoe is wel vereist dat uit het iMMO-rapport blijkt op welke wijze de mate van waarschijnlijkheid dat de vreemdeling niet in staat was consistent te verklaren, is vastgesteld. Het iMMO-rapport moet daartoe vermelden welke medische gegevens uit de periode van de gehoren zijn betrokken en of het onderzoeksformulier van MediFirst daar deel van uitmaakte. Verder moet uit het iMMO-rapport blijken op welke onderdelen van het asielrelaas de beperking van het vermogen om consistent en coherent te verklaren, invloed heeft gehad. Voorts is vereist dat uit het rapport blijkt dat de conclusie omtrent het vermogen consistent te verklaren, niet mede is gebaseerd op de aanname dat de gebeurtenissen waardoor de vreemdeling stelt psychische problemen te hebben gekregen, daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Als verweerder geen medisch deskundige inschakelt, en de in het iMMO-rapport neergelegde conclusie aldus niet bestrijdt, maar het relaas toch ongeloofwaardig acht, zal hij nader moeten motiveren waarom dit volgens hem het geval is.

3.6.4

Ter beoordeling staat daarom in deze zaak of het door eiser overgelegde iMMO-rapport zorgvuldig tot stand is gekomen en naar inhoud inzichtelijk en concludent is en tot de conclusie leidt dat, ondanks het hiervoor weergegeven uitgangspunt, niet van de verklaringen van eiser tijdens de gehoren kan worden uitgegaan. Indien een en ander het geval is, is sprake van een nieuw feit als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 14 juni 2007 en zal verweerder ofwel de conclusies van het iMMO (alsnog) bij zijn beoordeling moeten betrekken, ofwel zelf een medisch deskundige moeten raadplegen ter weerlegging van de conclusies van het iMMO-rapport.

3.7

Verweerder heeft zich over het door eiser overgelegde iMMO-rapport primair op het standpunt gesteld dat de wijze van onderzoek door het iMMO onvoldoende zorgvuldig is. Het iMMO heeft volgens verweerder zijn conclusie dat eiser last heeft van geheugen- en concentratieproblemen niet medisch onderzocht of onderbouwd. In de leeswijzer bij het iMMO-rapport, onder punt 8, wordt uitdrukkelijk vermeld dat het iMMO bij vreemdelingen psychodiagnostisch onderzoek verricht, waarbij aan de hand van een aantal psychodiagnostische testen gericht onderzoek wordt gedaan. Het gaat dan specifiek om de Bourdon-Wiersma test. Uit het overgelegde iMMO-rapport blijkt echter niet dat die test bij eiser is afgenomen, noch hoe het iMMO tot de conclusie is gekomen dat bij eiser sprake is van geheugen- en concentratieproblemen.

3.7.1

Het iMMO heeft in zijn reactie van 6 augustus 2018 aangegeven dat uit het psychiatrische onderzoek, zoals weergegeven in het iMMO-rapport (pagina 6 en 7), volgt dat eiser een posttraumatische stressstoornis (PTSS) heeft en dat hij last heeft van geheugen- en concentratieproblemen. Voorts blijkt dat hij piekert, slaapproblemen, nachtmerries en herbelevingen heeft. Uit het medisch dossier van de huisarts blijkt ook dat eiser dergelijke klachten heeft. Ter ondersteuning van het psychiatrische onderzoek heeft de onderzoeker één van de ter beschikking staande testen uitgevoerd, namelijk de HTQ-test, om de klachten te objectiveren die samen kunnen hangen met PTSS. Omdat de problemen met concentratie en vergeetachtigheid van eiser al voldoende duidelijk uit het psychiatrisch onderzoek naar voren waren gekomen, heeft de onderzoeker gemeend dat de Bourdon-Wiersma test niet meer hoefde te worden uitgevoerd.

3.7.2

Uit de reactie van het iMMO blijkt dat de onderzoeker onderbouwd heeft toegelicht waarom hij in dit geval de Bourdon-Wiersma test niet heeft uitgevoerd, omdat uit de HTQ-test en de overige medische gegevens in het dossier al voldoende waren om een conclusie te kunnen trekken. Daarbij komt dat verweerder niet medisch onderbouwd heeft gesteld dat het uitvoeren van de Bourdon-Wiersma test in dit geval noodzakelijk was. In punt 8 van de leeswijzer bij het iMMO-rapport is bovendien opgenomen, voor zover hier van belang: “Afhankelijk van de vraagstelling zullen bepaalde onderdelen wel of niet worden uitgevoerd.” Dit laat nadrukkelijk de mogelijkheid open dat een iMMO-onderzoeker bepaalde onderzoeken niet uitvoert. Verweerder heeft, ten slotte, in zijn reactie van 12 juli 2018 onderkend dat het iMMO kenbaar heeft weergegeven welke medische gegevens uit de periode van de gehoren bij de beoordeling zijn betrokken. Verweerder betwist niet dat het iMMO gebruik heeft gemaakt van de relevante medische gegevens.
Daarom biedt hetgeen verweerder heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het onderzoek van het iMMO op dit punt niet zorgvuldig of niet inzichtelijk en concludent is.

3.8.

Verweerder heeft zich in zijn reactie van 12 juli 2018 verder op het standpunt gesteld dat uit het iMMO-rapport niet blijkt op welke onderdelen van het asielrelaas de beperking van het vermogen van eiser om consistent en coherent te verklaren invloed heeft gehad. Verweerder verwijst in dit verband naar voornoemde uitspraken van de Afdeling van 27 juni 2018 waarin is overwogen dat dit uit het iMMO-rapport dient te blijken. Voor zover het iMMO heeft willen betogen dat eiser niet kan worden tegengeworpen dat hij in zijn algemeenheid in zijn relaas tegenstrijdig heeft verklaard, kan hij volgens verweerder gelet op een gebrek aan medisch-wetenschappelijke onderbouwing van dat betoog, daarin ook niet worden gevolgd. Los daarvan geeft het iMMO geen verklaring voor de omstandigheid dat eiser op hoofdlijnen wel coherent heeft kunnen verklaren, waarbij hij ook in staat is geweest zaken in de juiste chronologische volgorde te plaatsen. Het iMMO-rapport biedt geen verklaring voor de omstandigheid dat de psychische klachten van eiser er kennelijk niet aan in de weg hebben gestaan dat hij over bijvoorbeeld de periode waarin hij als omroeper heeft gefungeerd in 2004, wel gedetailleerd heeft kunnen verklaren, terwijl diezelfde klachten er kennelijk wel aan in de weg hebben gestaan dat eiser op andere onderdelen van zijn relaas coherent en gedetailleerd kon verklaren.

3.8.1

In het iMMO-rapport is op de vraag of er aanwijzingen zijn voor psychische problematiek die ten tijde van de eerdere asielgehoren van eiser heeft geïnterfereerd met het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren, als volgt geantwoord:

“Ja, betrokkene had destijds veel last van geheugen- en concentratieproblemen, zoals ook blijkt uit de medische stukken van MediFirst en het GCA uit die periode. Deze psychische problemen waren van dien aard dat ze zeker hebben geïnterfereerd met het compleet, coherent en consistent verklaren tijdens de gehoren in de asielprocedure. Voor verdere onderbouwing zie onder 5b, 6 en 7.2.”

En onder 7.2:
“De psychische klachten die betrokkene nu heeft, had hij ook al tijdens de eerdere asielprocedure. (…) Concluderend waren er ten tijde van de eerdere asielprocedure psychische klachten die zeker interfereerden met het compleet, coherent en consistent kunnen verklaren.”
Voorts heeft het iMMO in zijn reactie van 16 maart 2018, onder punt 4, het volgende opgenomen:

“Vanuit de wetenschap is bekend dat de invloed van psychische problematiek zich niet slechts tot bepaalde gedeelten van het geheugen of het functioneren beperkt, maar dat dit het hele geheugen en het functioneren van iemand aantast. Fysieke en psychische klachten beïnvloeden zowel het opslaan van informatie, als het terughalen van informatie. Het niet goed kunnen functioneren van het geheugen leidt makkelijk tot inconsistenties, er is immers geen kwalitatieve goede herinnering om op terug te vallen.
(…)
Dit betekent dat betrokkene over sommige zaken minder goed kan vertellen, of omdat informatie niet goed is opgeslagen in zijn geheugen of omdat psychische problemen hem hinderen om deze informatie goed uit zijn geheugen op te halen en kan daarom verklaren waarom betrokkene bij iMMO op sommige punten anders heeft verklaard dan bij de IND.”

3.8.2

De rechtbank is van oordeel dat uit de voorgaande citaten uit het iMMO-rapport en de reactie van 16 maart 2018 volgt dat de conclusie dat sprake is van psychische problematiek bij eiser die geïnterfereerd heeft met het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren betrekking heeft op alle verklaringen van eiser tijdens de gehoren. Het iMMO spreekt immers over de onmogelijkheid voor eiser om, naar de rechtbank begrijpt, in zijn algemeenheid, compleet, coherent en consistent te verklaren, omdat de invloed van psychische problematiek zich niet slechts tot bepaalde gedeelten van het geheugen of het functioneren beperkt, maar dat dit het hele geheugen en het functioneren aantast. Voorts blijkt uit deze toelichting van het iMMO ook waarom eiser op sommige onderdelen van zijn relaas wel consistent kan verklaren en op andere onderdelen niet. Verweerder is daaraan in zijn reactie voorbijgegaan. De reactie van verweerder biedt daarom geen grond voor het oordeel dat het iMMO-rapport op dit punt niet inzichtelijk of concludent is.

3.9

Verweerder heeft zich in zijn reactie van 12 juli 2018 verder op het standpunt gesteld dat het iMMO-rapport ook niet voldoet aan de laatste voorwaarde die de Afdeling in de uitspraken van 27 juni 2018 aan iMMO-rapporten stelt, te weten dat uit het rapport dient te blijken dat de conclusie omtrent het vermogen om consistent en coherent te verklaren niet mede is gebaseerd op de aanname dat de gebeurtenissen waardoor eiser stelt psychische problemen te hebben gekregen, daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Uit het iMMO-rapport blijkt volgens verweerder dat ervan wordt uitgegaan dat eiser is gemarteld tijdens zijn gestelde detentie. Verweerder wijst op paragraaf 5b van het iMMO-rapport, waarin het volgende staat vermeld.

“Betrokkene heeft daarbij veel last van geheugen- en concentratieproblemen. Deze passen bij zijn psychiatrisch ziektebeeld, maar kunnen ook zijn verergerd als gevolg van de hersenschudding die hij opliep bij de mishandeling gedurende het verhoor.”
Deze passage duidt er volgens verweerder op dat het iMMO is uitgegaan van de stelling van eiser dat hij gedetineerd en mishandeld dan wel gemarteld is. Uit het rapport blijkt niet dat op enigerlei wijze medisch is vastgesteld dat eiser op enig moment heeft geleden aan een hersenschudding. Het iMMO heeft aldus niet op medisch objectieve wijze vastgesteld dat hij als gevolg van de door hem gestelde mishandeling tijdens zijn detentie een hersenschudding heeft opgelopen. Bovendien heeft eiser tijdens zijn gehoren niet verklaard dat hij als gevolg van de door hem gestelde mishandeling tijdens zijn gestelde detentie een hersenschudding heeft opgelopen. Onder die omstandigheden valt zonder nadere motivering niet in te zien hoe het iMMO tot de conclusie is gekomen dat eiser als gevolg van de door hem gestelde mishandelingen een hersenschudding heeft opgelopen. De enige mogelijke conclusie is dat het iMMO is uitgaan van de verklaringen van eiser dat hij tijdens de door hem gestelde mishandeling op zijn hoofd is geslagen en geschopt en heeft de onderzoeker aan die door hem kennelijk als geloofwaardig bestempelde verklaringen zelf de conclusie verbonden dat mogelijk sprake is geweest van een hersenschudding. Daarmee wordt door het iMMO volgens verweerder miskend dat onderwerp van het geschil nu juist is of eiser mishandeld is.

3.9.1

Het iMMO heeft in zijn reactie van 6 augustus 2018 onder meer het volgende opgenomen. De onderzoeker van het iMMO gaat er niet van uit dat de door eiser beschreven gebeurtenissen ook daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Eiser vermeldt in de anamnese dat hij enkele malen tijdens en na de mishandeling buiten bewustzijn is geweest. De onderzoeker concludeert daaruit dat hij een hersenschudding gehad zou kunnen hebben, die van invloed kan zijn geweest op zijn geheugen.

3.9.2

De rechtbank begrijpt de door verweerder hiervoor aangehaalde passage 5b uit het iMMO-rapport, gelet op de door het iMMO gegeven toelichting, als volgt. De geheugen- en concentratieproblemen passen bij het psychiatrisch ziektebeeld van eiser. Het psychiatrisch ziektebeeld is daarbij als oorzaak aan te merken van de geheugen- en concentratieproblemen. Een hersenschudding als gevolg van de door eiser gestelde mishandeling, als deze mishandeling zou hebben plaatsgevonden, zou dit kunnen verergeren. Uit deze passage van het iMMO-rapport blijkt niet dat het iMMO de gestelde mishandeling en mogelijk als gevolg daarvan opgelopen hersenschudding als vaststaand feit heeft aangenomen. Ook blijkt hieruit niet dat het iMMO de mogelijke hersenschudding als oorzaak van de geheugen- en concentratieproblemen van eiser aanwijst. De oorzaak van de geheugen- en concentratieproblemen is volgens de iMMO-rapporteur immers zijn psychiatrische problematiek. Het enige wat uit deze passage van het iMMO-rapport wel blijkt is dat de iMMO-rapporteur uit de verklaring van eiser dat hij buiten bewustzijn is geweest en tegen zijn hoofd is geschopt, afleidt dat hij, als van de juistheid van deze verklaring kan worden uitgegaan, mogelijk een hersenschudding gehad zou kunnen hebben die de geheugen- en concentratieproblemen van eiser zou kunnen hebben verergerd. Omdat het iMMO de hersenschudding niet als vaststaand heeft aangenomen en ook niet als oorzaak heeft aangewezen van de geheugen- en concentratieproblemen van eiser, is niet van belang dat voor de mogelijkheid dat eiser een hersenschudding heeft gehad geen medisch steunbewijs voorhanden is.
Uit het voorgaande volgt dat er geen grond is voor het oordeel dat de iMMO-rapporteur heeft miskend dat onderwerp van het geschil nu juist is of eiser mishandeld is. Hieruit volgt dat het iMMO-rapport op dit punt ook voldoet aan de eisen die de Afdeling in de uitspraken van 27 juni 2018 heeft gesteld.

3.10

Het voorgaande leidt ertoe dat het iMMO-rapport, voor zover daarin is geconcludeerd dat sprake is van psychische problematiek van dien aard dat deze zeker heeft geïnterfereerd met het compleet, coherent en consistent verklaren door eiser tijdens de gehoren in de asielprocedure, naar het oordeel van de rechtbank voldoende inzichtelijk en concludent is.

3.11

In het iMMO-rapport wordt een verklaring gegeven voor de door verweerder tegengeworpen tegenstrijdige, inconsistente en summiere verklaringen van eiser in de gehoren over de gebeurtenissen in 2010. Het iMMO-rapport is daarom een relevant nieuw feit van na de eerdere uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, op grond waarvan verweerder, als hij geen contra-expertise inbrengt, zijn standpunt over de geloofwaardigheid van die verklaringen dient te herzien in het licht van de conclusie van het iMMO over het vermogen van eiser om compleet, consistent en coherent te verklaren. Dat betekent dat verweerder opnieuw zal moeten beoordelen of het relaas van eiser over de gebeurtenissen in 2010 geloofwaardig is. Indien verweerder, ondanks het iMMO-rapport, van de verklaringen van eiser tijdens de gehoren wenst uit te blijven gaan, dient verweerder een contra-expert in te schakelen.
Indien verweerder besluit geen contra-expert te raadplegen of als een contra-expert de conclusie van het iMMO niet weerspreekt, en hij dus de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser opnieuw zal moeten beoordelen, dan zal verweerder bij een nieuwe beoordeling ook het oordeel van het iMMO over het door eiser naar voren gebrachte medische steunbewijs, te weten zijn littekens en de psychische klachten, bij zijn beoordeling moeten betrekken.

3.12

Nu verweerder heeft miskend dat met het iMMO-rapport sprake is van een nieuw feit en hij eiser, gelet hierop, onvoldoende gemotiveerd is blijven tegenwerpen dat hij tegenstrijdig, inconsistent en summier heeft verklaard over de gebeurtenissen in 2010, is het bestreden besluit in zoverre in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 Awb.
De beroepsgrond slaagt.

4. In het kader van de finale geschillenbeslechting, ziet de rechtbank aanleiding om ook het door eiser ter onderbouwing van zijn relaas overgelegde arrestatiebevel, en het standpunt van verweerder dat hieraan niet de waarde wordt gehecht die eiser wenst, te beoordelen.

4.1

Eiser voert in dit verband aan dat verweerder geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat er voldoende inzicht is in de expertise en onderzoeksmethoden van het Bureau Documenten, op grond waarvan het Bureau Documenten in zijn nieuwe verklaring van onderzoek (opnieuw) heeft kunnen concluderen dat het door eiseres overgelegde arrestatiebevel vals is. Eiser acht dat van belang, omdat deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, in de uitspraak van 29 september 2015 over het eerdere onderzoek van Bureau Documenten heeft geoordeeld dat de onderliggende stukken van het onderzoek van Bureau Documenten onvoldoende inzicht bieden in de (expertise van de) door Bureau Documenten ingeschakelde expert en de door de expert gehanteerde onderzoeksmethoden.

4.2

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat uit de verklaring van onderzoek van 21 december 2015 blijkt dat het arrestatiebevel met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt is en dat het met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet is opgemaakt en afgegeven door een daartoe bevoegde instantie. Gelet daarop hecht verweerder geen waarde aan dit arrestatiebevel en stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser zijn gestelde problemen door het overleggen van dit document niet alsnog geloofwaardig heeft gemaakt.

4.3

Het Bureau Documenten heeft in de verklaring van onderzoek van 21 december 2015 en in de daaraan ten grondslag liggende documenten toegelicht op welke bevindingen de conclusie is gebaseerd dat het door eiser overgelegde arrestatiebevel met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet is opgemaakt en afgegeven door de daartoe bevoegde autoriteiten en dat het document met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt is. Anders dan eiser betoogt, is die toelichting naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk. De onderzoeksmethoden zijn voldoende toegelicht en de informatie uit de onderliggende stukken kan de conclusies van het onderzoek dragen. De rechtbank ziet, met inachtneming van deze onderliggende stukken, geen reden om te twijfelen aan de deskundigheid van de onderzoeker. Gelet hierop en nu eiser geen contra-expertise heeft overgelegd, bestond voor verweerder geen aanleiding te twijfelen aan de zorgvuldigheid waarmee voormelde verklaring van onderzoek tot stand is gekomen en aan de inzichtelijkheid en concludentie daarvan. Verweerder heeft dan ook terecht niet de door de eiser gewenste betekenis aan het arrestatiebevel gehecht.
De beroepsgrond slaagt niet.

5. Verweerder heeft in zijn reactie van 12 juli 2018 nog aangevoerd dat het iMMO-rapport niet afdoet aan het reeds in rechte vaststaande oordeel dat de medische verklaring van 13 maart 2011 van de Mannar Clinic niet overeenkomt met het relaas van eiser.
Evenmin doet het iMMO-rapport volgens verweerder af aan de omstandigheid dat eiser een arrestatiebevel heeft overgelegd, waarvan Bureau Documenten heeft geoordeeld dat het met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt is en niet is afgegeven door een daartoe bevoegde autoriteit. Deze conclusies tasten de geloofwaardigheid van het relaas van eiser in verregaande mate aan, zo stelt verweerder. De conclusie van het iMMO-rapport dat eiser niet kan worden verweten dat hij niet consistent en coherent kan verklaren, doet daaraan niet af.

5.1

Verweerder heeft noch in de vorige procedure, noch in het bestreden besluit, noch in de verweerschriften gesteld dat de geconstateerde tegenstrijdigheid tussen de overgelegde medische verklaring van 13 maart 2011 en het asielrelaas van eiser en het met aan zekerheid grenzende vals bevonden arrestatiebevel op zichzelf, los van de verklaringen van eiser, al leiden tot zijn conclusie dat hij het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig acht.
Het (nieuwe) standpunt van verweerder in zijn reactie van 12 juli 2018 dat deze omstandigheden in verregaande mate de geloofwaardigheid van het relaas aantasten, nog daargelaten dat verweerder dat standpunt niet van een motivering heeft voorzien, betekent evenmin dat verweerder het asielrelaas van eiser al ongeloofwaardig acht uitsluitend op grond van deze omstandigheden.
Daarbij komt dat, als verweerder, gelet op hetgeen hiervoor is geconcludeerd onder 3.11, de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser opnieuw zal beoordelen in het licht van de conclusies van het iMMO over het vermogen van eiser om compleet, consistent en coherent te verklaren, ook de verklaringen van eiser in verband met de medische verklaring van 13 maart 2011 in een ander daglicht kunnen komen te staan. Verder volgt uit hetgeen onder 3.11 is geconcludeerd dat verweerder bij een nieuwe beoordeling ook het oordeel van het iMMO over het steunbewijs bij zijn beoordeling zal moeten betrekken.

5.2

Uit het voorgaande volgt dat het standpunt van verweerder in zijn reactie van 12 juli 2018 er niet toe leidt dat het bestreden besluit, ondanks dat de beroepsgrond van eiser onder 3. slaagt, in stand kan blijven.

6. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 Awb. Gelet op de aard en omvang van de gebreken, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het doen van een tussenuitspraak om verweerder in de gelegenheid te stellen de gebreken te herstellen in het kader van een bestuurlijke lus. Evenmin ziet de rechtbank aanleiding voor het in stand laten van de rechtgevolgen. Immers, verweerder zal de asielaanvraag van eiser opnieuw moeten beoordelen, al dan niet met inschakeling van een medisch deskundige.
Verweerder zal daarom opnieuw moeten beslissen op de asielaanvraag van eiser, met inachtneming van deze uitspraak. Verweerder krijgt hiervoor een termijn van tien weken. De rechtbank zal, gelet op de nieuw te verrichten beoordeling, de overige beroepsgronden onbesproken laten.

7. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de proceskosten die eiser heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 1.536,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 1 punt voor de nadere schriftelijke reacties na de zitting, met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen een termijn van tien weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 1.536,- te betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. de Greef, voorzitter en rechter, mr. J. van der Kluit en mr. M.D. Gunster, rechters, in aanwezigheid van mr. A.W. Martens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2019.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.