Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:1415

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-02-2019
Datum publicatie
27-02-2019
Zaaknummer
19.1833 en 19.1832
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Vaststaat dat eiser is gediagnosticeerd met schizofrenie, DD autistiforme stoornis, zwakbegaafdheid, diabetes mellitus en astma en dat hij hiervoor behandeling krijgt. Niet in geschil is dat eiser een kwetsbare vreemdeling is.

Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten aanzien van naar Italië terugkerende kwetsbare Dublinclaimanten ernstige structurele tekortkomingen in de opvangvoorzieningen bestaan die kunnen leiden tot een reëel risico op schending van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Het overgelegde rapport van DRC/OSAR van 12 december 2018 ‘Mutual trust is still not enough’, is juist in het licht van de reeds bekende informatie over de tekortkomingen die ook de Afdeling ten aanzien van de algemene situatie en leefomstandigheden van asielzoekers in Italië heeft benoemd, van voldoende gewicht om te kunnen spreken van een begin van bewijs dat voor kwetsbare personen twijfel bestaat of nog uit kan worden gegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank verwerpt verweerders standpunt dat het rapport niet objectief is en niet exemplarisch is voor de situatie in Italië. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: NL19.1833 (vovo) en NL19.1832 (beroep)


uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser] , eiser/verzoeker (hierna eiser)

(gemachtigde: mr. K. Ross),

en

de staatssecretaris van justitie en veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.A.C.M. Prins).


Procesverloop

Bij besluit van 25 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.


Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft, plaatsgevonden op 11 februari 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen N. Briefkani. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Tunesische nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] 1981 .

2. Eiser heeft op 5 september 2018 een opvolgende asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 9 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen. Het beroep tegen dit besluit is bij uitspraak van 7 november 2018 van deze rechtbank en zittingsplaats gegrond verklaard1. Daarop is door verweerder op 18 december 2018 een nieuw voornemen uitgebracht. Eiser heeft op 14 januari 2018 een zienswijze uitgebracht.

3. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de

Vreemdelingenwet (Vw) 2000. Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een

verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening2 is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de

behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om

overname gedaan. Italië heeft dit verzoek op 23 augustus 2018 aanvaard.

Standpunten van partijen

4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Verweerder kan niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan ten aanzien van kwetsbare vreemdelingen die in het kader van de Dublinverordening naar Italië overgedragen moeten worden. Ter onderbouwing is bij de zienswijze verwezen naar drie documenten, te weten: een artikel van Integrated Regional Information Network (IRIN) van 7 december 2018, het rapport ‘Mutual trust is still not enough’ van de Danish Refugee Council (DRC) en de Swiss Refugee Council (OSAR) van 12 december 2018 en het artikel van Devex van 12 december 2018.

5. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat, alhoewel hij niet langer bestrijdt dat eiser als kwetsbare vreemdeling moet worden beschouwd en eiser in Nederland medische behandeling krijgt, nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, ook ten aanzien van kwetsbare Dublinclaimanten. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft dat bij uitspraak van 19 december 2018 wederom bevestigd3. Bij die uitspraak is het door eiser overgelegde bericht van IRIN betrokken. Verweerder heeft ook verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Overijssel van 15 januari 20194, waarin de door eiser overgelegde stukken bij het oordeel van de rechtbank waren betrokken. Verweerder heeft erkend dat in die zaak niet was ingegaan op het rapport van DRC en OSAR omdat het in die zaak niet ging om een kwetsbare vreemdeling. Voorts is verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Overijssel van 15 januari 20195, waarin is geoordeeld dat het rapport van DRC en OSAR geen wezenlijk ander beeld geeft van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Italië dan de informatie in rapporten die door de Afdeling en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) al zijn beoordeeld. Het rapport van DRC en OSAR ziet daarnaast slechts op dertien gevallen die niet exemplarisch zijn voor het gehele systeem in Italië. Bovendien is het rapport niet objectief, omdat bijvoorbeeld de Italiaanse autoriteiten niet ook zijn bevraagd. Tot slot is het artikel van Defex te speculatief, aldus verweerder. Op de zitting heeft de gemachtigde van verweerder betoogd dat de door eiser overgelegde stukken dus niet leiden tot een andere conclusie dan in het bestreden besluit is verwoord.

Beoordeling door de rechtbank

6. De rechtbank acht allereerst van belang te benadrukken dat niet in geschil is dat eiser een kwetsbare vreemdeling is. Daarbij merkt de rechtbank op dat in een verklaring van [GGZ] van 15 februari 2018 staat dat eiser eerder is gediagnosticeerd met schizofrenie, DD autistiforme stoornis en zwakbegaafdheid. Uit een uittreksel van het patiëntdossier van 15 januari 2019 blijkt dat die problematiek nog steeds speelt en dat hij daarnaast lijdt aan diabetes mellitus en astma. Eiser ontvangt in Nederland voor zijn fysieke en geestelijke problemen behandeling.

7. Italië is lid van de Europese Unie. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling mag verweerder ten opzichte van Italië in zijn algemeenheid uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit wil zeggen dat de Afdeling ervan uitgaat dat er in Italië geen systematische tekortkomingen in de asielprocedure zijn en dat Italië adequate opvangvoorzieningen biedt aan asielzoekers. De Afdeling heeft dit uitgangspunt bevestigd in de uitspraken van 10 oktober 20186 en 11 oktober 20187 en de eerder genoemde uitspraak van 19 december 2018. In die laatste uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat het zogenoemde ‘Salvini-wetsdecreet’ van de Italiaanse autoriteiten van 24 september 2018 niet tot gevolg heeft dat kwetsbare Dublinclaimanten geen opvang meer krijgen. Verder overwoog de Afdeling dat in Italië de algemene situatie en leefomstandigheden van asielzoekers bepaalde tekortkomingen kennen. Volgens de Afdeling had verweerder zich echter terecht op het standpunt had gesteld dat niet aannemelijk was gemaakt dat ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan en dat geen aan het systeem gerelateerde tekortkomingen bestaan in de asielprocedure en opvangvoorzieningen.

8. De rechtbank overweegt dat het bericht van IRIN van 7 december 2018 bij deze uitspraak van de Afdeling van 19 december 2018 is betrokken. Dit bericht bevat dus geen nieuwe informatie. Dat is anders voor het rapport van de DRC en OSAR (hierna: het rapport) en het artikel van Devex.

9. Ten aanzien van de uitspraken van 15 januari 2019 waar verweerder naar heeft verwezen omdat daarin het rapport aan de orde komt, overweegt de rechtbank dat het in beide zaken een persoon betrof die niet als kwetsbaar werd aangemerkt.

10. De rechtbank overweegt dat uit het rapport blijkt dat de DRC en OSAR voor een monitoringsproject ervaringen van asielzoekers documenteren die in het kader van de Dublinverordening aan Italië zijn overgedragen. Het rapport van 12 december 2018 betreft het opvolgend rapport na het rapport van 9 februari 2017. Het rapport van 9 februari 2017 heeft de Afdeling betrokken bij de uitspraak van 19 december 2018. Het nieuwe rapport van 12 december 2018 niet. In het nieuwe rapport komt de situatie van dertien kwetsbare personen en families aan de orde die naar Italië zijn overgedragen door andere Europese lidstaten. De in Italië gevestigde interviewers hebben de zaken gemonitord en interviews afgenomen met de desbetreffende personen. Vervolgens zijn medewerkers van de DRC en OSAR voor een factfinding mission naar Italië gereisd om de informatie die aan hen was verstrekt, te bevestigen door nogmaals met hen te spreken. Het rapport geeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende inzicht in de gehanteerde werkwijze. Dat het rapport de bevindingen bevat ten aanzien van “slechts” dertien kwetsbare personen en families, betekent niet dat de inhoud van het rapport terzijde geschoven moet worden. De informatie past namelijk in het (zorgwekkende) beeld van de situatie van kwetsbare asielzoekers in Italië. Verweerders standpunt dat (zo begrijpt de rechtbank) aan het rapport ook geen waarde kan worden gehecht, omdat deze organisaties niet als objectieve organisaties kunnen worden beschouwd, verwerpt de rechtbank. De rechtbank overweegt dat deze organisaties weliswaar opkomen voor de belangen van asielzoekers, maar op grond van de inhoud van het rapport kan niet gezegd worden dat hun onderzoeksresultaten niet als bron kunnen fungeren, net zoals rapporten van andere ngo’s een bron van informatie kunnen zijn in asielzaken.

11. De rechtbank overweegt dat in het rapport onder meer ‘Case 13’ wordt aangehaald van een man met HIV en met een geestelijke stoornis die twee keer aan Italië is overgedragen. De rechtbank acht de volgende fragmenten met name van belang:

“While in Switzerland he was diagnosed with HIV, and he also received psychological treatment for his mental disorder. A Swiss doctor contacted a hospital in Milan to ensure that he would have access to the necessary health care after being transferred to Italy. (…) As he was unable to legalize his stay in Italy or access the necessary health care, he returned to Switzerland. (…) After being transferred to Italy again on 22 August 2018, he was informed by the Italian authorities that he would not have access to accommodation even if he applied for asylum. (…) Following the second Dublin transfer on 22 August 2018, his situation had not changed, and he was still not issued a health card and could therefore not access the necessary specialized medical care. (…) Following the second Dublin transfer, he decided to return to Switzerland once again, as he had no access to accommodation or to the necessary specialized medical care. He felt that the lack of accommodation and health care made it impossible for him to access the Italian asylum procedure.”

‘Case 3’ gaat over een man die door de autoriteiten van zijn land van herkomst is beschoten.

Upon arrival he spent two nights at the airport without receiving any assistance before he was transferred to a tent camp in Rome. He spent approximately two months at a tent camp under conditions he describes as very bad. (…) After having had discussions with the administration of the SPRAR centre, he was told to leave the centre. The police returned him to the centre after arresting him for sleeping on the streets. At the beginning of November 2018 he was asked to leave the SPRAR centre, as he was no longer entitled to accommodation. He has since then lived on the streets.

(…) Despite having problems with the gunshot wound, which is not healing properly, he was unable to access health care at the tent camp, where his physical health deteriorated.

At the CARA centre he went to the doctor as he started to feel ill. However, he was informed that the doctor inside the centre only deals with emergencies and therefore could not help him. In February 2018, after several failed attempts to see a doctor, he was finally allowed an appointment with a doctor after he had started coughing up blood. His test results showed that he had become sick with tuberculosis, most likely while at the CARA centre, which he believes is due to the unsanitary conditions at the centre. After he was diagnosed, he was hospitalized and started receiving medical treatment. Nonetheless, he was sent away from the SPRAR centre in November 2018 despite being ill and receiving treatment for tuberculosis. At the time of the final interview on 19 November 2018 he was living on the streets.”

12. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet op goede gronden op het standpunt kan stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van ernstige structurele tekortkomingen in met name de opvangvoorzieningen voor kwetsbare Dublinclaimanten in Italië. Anders dan verweerder, acht de rechtbank de informatie uit het rapport, juist in het licht van de reeds bekende informatie over de tekortkomingen die ook de Afdeling ten aanzien van de algemene situatie en leefomstandigheden van asielzoekers in Italië heeft benoemd, van voldoende gewicht om te kunnen spreken van een begin van bewijs dat voor kwetsbare personen twijfel bestaat of nog uit kan worden gegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het rapport onderscheidt zich van andere, meer algemene artikelen, door concrete individuele zaken te schetsen waarin kwetsbare personen te maken hebben gehad met voornoemde tekortkomingen. Verweerder is daar naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte aan voorbij gegaan. Het artikel van Devex acht de rechtbank op zichzelf staand onvoldoende concreet maar in het licht van het rapport vormt het een nadere onderbouwing van het algemene beeld van de problemen in Italië.

Conclusie

13. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat verweerder onvoldoende gemotiveerd heeft dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten aanzien van naar Italië terugkerende kwetsbare Dublinclaimanten ernstige structurele tekortkomingen in de opvangvoorzieningen bestaan die kunnen leiden tot een reëel risico op schending van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en dus nog steeds kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Reeds hierom is het beroep gegrond.

14. Hieruit volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van vier weken.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

15. De gevraagde voorziening strekt er toe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In dit geval is geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, omdat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening

16. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1536,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,--, en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener.

Beslissing


De rechtbank:

in de zaak geregistreerd onder nummer: NL19.1832,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen 4 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak.

De voorzieningenrechter:

in de zaak geregistreerd onder nummer: NL 19.1833,

- wijst het verzoek af.

In beide zaken:

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1536,-- (zegge: vijftienhonderdzesendertig euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C.E. van Diepen, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

1 NL.18.18670 (niet gepubliceerd)

2 Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend.

3 ECLI:NL:RVS:2018:4131

4 ECLI:NL:RBOVE:2019:226

5 NL18.23192 (niet gepubliceerd)

6 ECLI:NL:RVS:2018:3246

7 ECLI:NL:RVS:2018:3323