Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:14037

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-12-2019
Datum publicatie
10-02-2020
Zaaknummer
C/09/582395 KG ZA 19/1054
Rechtsgebieden
Aanbestedingsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding betreffende Europese openbare aanbesteding voor plaatsing bushokjes in de Gemeente Leiden. De voorzieningenrechter gaat voorbij aan de bezwaren van eiseres, die tweede is geworden, ten aanzien van de wijze van beoordeling van haar inschrijving. De vorderingen tot intrekking van het gunningsvoornemen en van de aanbestedingsprocedure worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/582395 / KG ZA 19/1054

Vonnis in kort geding van 24 december 2019

in de zaak van

EXTERION MEDIA (NETHERLANDS) B.V. te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. J.W. Fanoy te Den Haag,

tegen:

GEMEENTE LEIDEN te Leiden,

gedaagde,

advocaat mr. D. Wolters Rückert te Den Haag,

waarin is tussengekomen:

RECLAMEBUREAU LIMBURG B.V.,

te Klimmen,

advocaat mr. J.H.J. Bax te Rotterdam.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘Exterion’, ‘de Gemeente’ en ‘RL’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met de daarbij en nadien overgelegde producties;

- de door de Gemeente overgelegde productie;

- de incidentele conclusie tot tussenkomst dan wel voeging;

- de op 10 december 2019 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door alle partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 Het incident tot tussenkomst

2.1.

RL heeft gevorderd te mogen tussenkomen in de procedure tussen Exterion en de Gemeente dan wel zich te mogen voegen aan de zijde van de Gemeente. Ter zitting hebben Exterion en de Gemeente verklaard geen bezwaar te hebben tegen de tussenkomst. RL is vervolgens toegelaten als tussenkomende partij, aangezien zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij daarbij voldoende belang heeft. Voorts is niet gebleken dat de tussenkomst aan een voortvarende afdoening van dit kort geding in de weg staat. Hierdoor ontstaat er ook geen strijd met de goede procesorde in het algemeen.

3 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

3.1.

De Gemeente Leiden heeft een Europese openbare aanbesteding gehouden voor de plaatsing van bushokjes en vrijstaande reclamevitrines en de concessieverlening voor het exploiteren van reclame in deze objecten.

3.2.

In de aanbestedingsleidraad staat onder meer de beoordelingsprocedure beschreven. Daaruit blijkt dat de beoordeling plaatsvindt middels het gunningscriterium ‘Beste prijs-kwaliteitverhouding’. Daartoe wordt een aantal subgunningscriteria gehanteerd aan de hand waarvan de inschrijver zijn toegevoegde waarde en onderscheidend vermogen dient aan te tonen. In hoofdstuk 4.5 van de aanbestedingsleidraad is daartoe een tabel opgenomen waaruit onder meer blijkt dat op kwaliteit maximaal 550 punten behaald konden worden waarvan 200 voor Milieu Kosten Indicator (a), 200 voor Ontwerp (b) en 150 voor Verhoging kwaliteitsbeleving (c).

3.3.

In de aanbestedingsleidraad wordt ten aanzien van subgunningscriterium b Ontwerp onder meer toegelicht dat:

- de inschrijver ontwerpen van 1) een standaard bushokje, 2) een ondiep bushokje, 3) een ondiep bushokje, type ‘Breestraat’ en 4) een Vrijstaande Reclamevitrine moet indienen;

- de ontwerpen moeten voldoen aan de in de aanbesteding gestelde eisen (zie Programma van Eisen, hierna PvE);

- de beoordelingscommissie zal beoordelen of en zo ja in welke mate de ontwerpen voldoen aan de esthetische randvoorwaarden in het Programma van Eisen. De verbeelding van de ontwerpen moet zodanig duidelijk zijn dat de esthetische kwaliteit beoordeeld kan worden. Belangrijke aandachtspunten voor de Beoordelingscommissie zijn de passendheid van de ontwerpen in de Leidse openbare ruimte, de onderlinge vormgevingsrelatie tussen de uitgevraagde objecten, de integrale ontwerpkwaliteit en de verfijndheid van het ontwerp.

3.4.

In de aanbestedingsleidraad is bij subgunningscriterium c Verhoging kwaliteitsbeleving de volgende toelichting opgenomen, voor zover thans relevant:

“(…) Door de opdrachtnemer dienen Bushokjes en Vrijstaande Reclamevitrines geplaatst te worden die moeten voldoen aan alle in deze aanbesteding gestelde eisen en voorwaarden. Opdrachtgever staat open voor extra functionaliteiten (zoals innovaties) en werkzaamheden die primair de kwaliteitsbeleving van de reizigers en bezoekers verhogen. Beschrijf in het plan van aanpak de naar uw mening toegevoegde waarde van de door u aangeboden functionaliteiten (en werkzaamheden) voor de reizigers en bezoekers.

Uw plan van aanpak dient SMART (Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch, Tijdgebonden) te zijn. Hoe meer SMART uw voorstellen en hoe meer deze naar het oordeel van de beoordelingscommissie bijdragen aan de kwaliteitsbeleving van de reizigers en bezoekers, hoe hoger het aantal punten dat u scoort. (…)”

3.5.

In hetzelfde hoofdstuk 4.5 is beschreven welke schaal wordt gehanteerd bij de beoordeling. Daaruit blijkt dat met een uitstekend antwoord 100% van het maximaal te behalen aantal punten wordt behaald, met een goed antwoord 80%, met een voldoende antwoord 50% en met een matig antwoord 20%. Met een onvoldoende antwoord wordt de inschrijving terzijde gelegd. Daarbij is toegelicht dat bij die kwalificatie wordt gekeken naar hoe inhoudelijk relevant, toepasselijk en volledig het antwoord is in relatie tot de beschreven beoordelingsaspecten bij het betreffende criterium en het beoogde resultaat. Bij uitstekend is daarbij nog toegevoegd dat er sprake is van meerwaarde.

3.6.

Voor dit geding relevante (deels in de loop van de aanbestedingsprocedure gewijzigde) eisen in het PvE zijn:

  • -

    6.1.2: De vormgeving van de Objecten (ontwerp, materialisering, kleur) past in elke openbare ruimte van Leiden, variërend van de historische binnenstad tot en met de woonwijken. De objecten gaan op in de omgeving (detoneren niet) en het ontwerp heeft een neutrale vormgeving.

  • -

    6.1.5: De Objecten bestaan uit slanke bouwelementen met een verfijnde detaillering, die een logische maatverhouding en rangschikking ten opzichte van elkaar hebben.

  • -

    6.5.14: De dakplaten worden beëindigd met een slank ogende dakrand aan de voorzijde.

  • -

    6.5.20: Regenwater wordt vanaf het dak van de Bushokjes afgevoerd. De afvoervoorziening is niet zichtbaar aanwezig Het af te voeren hemelwater geeft geen overlast voor reizigers en op aanpalende gronden en watert niet af binnen het Bushokje. De regenafvoer heeft voldoende capaciteit en is berekend op het klimaat in Nederland.

  • -

    6.6.8: Alle verlichtingselementen worden zó uitgevoerd dat statisch dimmen te allen tijde tot de mogelijkheden behoort.

  • -

    10.5.2: De verlichting in de bushokjes dient ’s-nachts niet te blijven branden. Uitgangspunt is geen verlichting als de bussen niet rijden.

Voor bus tijden dient contact met de busvervoerder gezocht te worden. Opdrachtgever heeft hier geen zeggenschap over. Uitgangspunt binnen de gemeente Leiden is liever ’s nachts geen licht, maar als dit niet werkbaar is dat dan het volgende dimregime te worden toegepast.

Dit is dimregime 3a van de gemeente Leiden.

3.7.

In de eerste Nota van Inlichtingen (NvI 1) is geantwoord op de vraag of voor subgunningscriterium b Ontwerp SMART omschreven kan worden wanneer er sprake is van een uitstekend, goed, voldoende, matig en onvoldoende ontwerp. Dat antwoord (37) luidt – voor zover thans relevant – als volgt:

“Dat is afhankelijk van de mate waaruit uit het ingediende ontwerp blijkt:

  1. esthetische kwaliteit;

  2. de passendheid van de ontwerpen in de Leidse openbare ruimte;

  3. de onderlinge vormgevingsrelatie tussen de uitgevraagde objecten;

  4. de integrale ontwerpkwaliteit;

  5. de verfijndheid van het ontwerp,

waarbij u ‘uitstekend’ scoort voor onderscheidend vermogen, u ‘goed’ scoort wanneer uw ontwerp in zeer ruime mate voldoet aan wat de aanbestedende dienst eist en wenst ten aanzien van bovengenoemde 5 criteria, u ‘voldoende’ scoort wanneer uw ontwerp minimaal voldoet aan wat de aanbestedende dienst eist en wenst ten aanzien van bovengenoemde 5 criteria, u ‘matig’ scoort wanneer uw ontwerp niet op alle 5 de criteria minimaal voldoet aan wat de aanbestedende dienst eist en wenst (…)”

Ook is geantwoord op dezelfde vraag voor wat betreft subgunningscriterium c Verhoging kwaliteitsbeleving. Dat antwoord luidt, voor zover thans relevant:

“Dat is afhankelijk van de mate waarin smart omschreven zijn: 1) de verhoging van de kwaliteitsbeleving voor de reizigers en bezoekers en 2) de toegevoegde waarde van de functionaliteiten (en werkzaamheden) voor de reizigers en bezoekers waarbij u ‘uitstekend’ scoort voor onderscheidend vermogen, u ‘goed’ scoort wanneer er absoluut sprake is van verhoging van de kwaliteitsbeleving maar niet onderscheidend, u ‘voldoende’ scoort wanneer er sprake is van een minimale verhoging van de kwaliteitsbeleving, u ‘matig’ scoort wanneer er geen sprake is van een verhoging van de kwaliteitsbeleving (…)”

Verder is geantwoord op een vraag over wat wordt bedoeld met de passendheid van het ontwerp in de openbare ruimte als volgt: “[ontwerpen zijn passend] als de ontwerpen opgaan in de omgeving en neutraal zijn vormgegeven en aansluiten op reeds aanwezig straatmeubilair.”

Verder staat in NvI 1 nog in een antwoord vermeld: “De beoordelingscommisie zal haar oordeel geven over het totaal en niet over de individuele onderdelen” en in NvI 2 “Het totaalbeeld wordt beoordeeld bij gunningcriterium ontwerp. Inschrijver dient te voldoen aan de gestelde eisen” en “Het gaat om het totaalbeeld. (…)”.

Ten slotte staat in NvI 3 een antwoord waarin wordt gesteld dat een waterafvoer aan de achterzijde van het bushokje is geoorloofd en dat een eerder antwoord vervalt, zodat een gootje niet is verplicht en afvoer door de staander eveneens niet is verplicht.

3.8.

Onder meer Exterion en RL hebben ingeschreven op de aanbesteding.

3.9.

De Gemeente heeft op 11 oktober 2019 de gunningsbeslissing verzonden. Daarin meldt de Gemeente dat zij voornemens is om de opdracht te gunnen aan RL. RL heeft op de subgunningscriteria voor kwaliteit respectievelijk 200, 160 en 150 punten gescoord en Exterion respectievelijk 181, 40 en 75. Van de overige twee inschrijvers zijn de inschrijvingen terzijde gelegd. In de aan Exterion verstrekte toelichting staat ten aanzien van de subgunningscriteria b en c het volgende vermeld:

“Vraag 4.5.2: 1b: Ontwerp:

U heeft hier ‘matig’ gescoord. De door u ingediende ontwerpen komen niet in aanmerking voor een hogere score omdat de door u ingediende ontwerpen hiervoor onvoldoende opgaan in de omgeving en onvoldoende neutraal zijn vormgegeven.

De door u ingediende ontwerpen hebben weliswaar dezelfde vormtaal, materialen en kleurstelling en sluiten qua vormgevingsrelatie ook op elkaar aan maar hebben niet de vormtaal en vormgevingsrelatie die de gemeente wenst voor haar bushokjes. De gemeente Leiden wenst bushokjes te laten plaatsen met een verfijnd ontwerp bestaande uit slanke bouwelementen met een verfijnde detaillering. Dit is in hoofdstuk 6 van het programma van eisen beschreven en blijkt ook uit het antwoord op vraag 37 van de eerste nota van inlichtingen. De ontwerpen van de door u ingediende bushokjes zijn onvoldoende verfijnd voor een hogere score; met name de dikke staanders in het midden het bushokje, de grove detaillering en de zware dakrand zijn verantwoordelijk voor deze indruk. Het door u ingediende ontwerp type ‘Breestraat’ is qua vormgeving té duidelijk aanwezig en vestigt daardoor té zeer de aandacht op zichzelf.

Vraag 4.5.3: 1c: Verhoging kwaliteitsbeleving:

U heeft hier ‘voldoende’ gescoord. U zou hier een hogere score hebben ontvangen wanneer u meer maatregelen beschreven zou hebben die de kwaliteitsbeleving van de reizigers en bezoekers écht verhogen. Daarnaast is een aantal van de door u genoemde maatregelen te weinig op de reizigers en bezoekers zelf gericht.

(…)

Het statisch dimmen behoort al tot de mogelijkheden en is zelfs heel specifiek omschreven in eisen 6.6.8 en 10.5.2. Hierdoor voegt de door u voorgestelde maatregel van Astro dimmer volgens het beoordelingsteam niets toe aan de eisen.

De toepassing van de hemelwaterafvoer met stadsuitloop middels de dakgoot verhoogt volgens het beoordelingsteam niet de kwaliteitsbeleving van de reizigers en bezoekers. Het resultaat van de hemelwaterafvoer wordt namelijk zó beschreven in eis 6.5.20 dat het regenwater al vanaf het dak van de bushokjes wordt afgevoerd waarbij de afvoervoorziening niet zichtbaar aanwezig is. Hierdoor geeft het af te voeren hemelwater geen overlast voor reizigers, ook niet op aanpalende gronden en watert niet af binnen het Bushokje.

De toepassing van fijnstofsensoren verhoogt niet direct de kwaliteitsbeleving van de reizigers en bezoekers. De informatie die de fijnstofsensoren genereren is mogelijk interessant voor de gemeente. Op het moment dat de gemeente besluit om als gevolg van de resultaten van de fijnstofsensoren actie te ondernemen om het fijnstof in de lucht te verminderen, zullen de reizigers en bezoekers hier pas profijt van hebben.

(…)”

3.10.

Op 21 oktober 2019 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen (vertegenwoordigers van) de Gemeente en Exterion.

4 Het geschil

4.1.

Exterion vordert, zakelijk weergegeven,

primair: de Gemeente te gebieden het gunningsvoornemen in te trekken, haar te verbieden daar uitvoering aan te geven, haar te gebieden de aanbestedingsprocedure in te trekken en dit aan de inschrijvers te communiceren en haar te gebieden om, als zij de opdracht nog steeds wenst te gunnen, dat alleen te doen door middel van een nieuwe aanbestedingsprocedure;

subsidiair: de Gemeente te veroordelen om aan Exterion een afschrift van de door RL ingediende ontwerpen en van de beoordeling van de Gemeente van de inschrijving van RL te verstrekken;

meer subsidiair: andere passende maatregelen te treffen;

een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van de Gemeente in de proceskosten en de nakosten.

4.2.

Daartoe voert Exterion – samengevat – het volgende aan. Gebleken is dat de Gemeente bij de beoordeling disproportioneel veel waarde heeft gehecht en doorslaggevend belang heeft toegekend aan de slankheid c.q. verfijndheid van het ontwerp, terwijl dit maar één van de factoren was waarnaar gekeken zou worden. Daarnaast is het ontwerp voor het type Breestraat als uitgangspunt genomen en had dit ontwerp kennelijk als basis te gelden voor de beoordeling van de overige drie objecten. Dat ontwerp is dus kennelijk leidend en doorslaggevend geweest bij de beoordeling, terwijl dat ontwerp slechts 5 van de 165 gevraagde bushokjes betreft. Uit de aanbestedingsstukken bleek een andere beoordelingswijze. Hiermee heeft de Gemeente het transparantiebeginsel geschonden. Als Exterion op de hoogte was geweest van de door de Gemeente gehanteerde uitgangspunten had zij het ontwerp anders ingestoken. Daar komt bij dat de Gemeente nieuwe eisen dan wel een verzwaarde maatstaf heeft toegepast bij de beoordeling van het subgunningscriterium c, die niet in de aanbestedingsstukken staan/staat vermeld. Uit de beoordeling van de door Exterion aangeboden maatregel van de fijnstofsensoren blijkt dat de Gemeente van oordeel is dat de verhoging van de kwaliteitsbeleving direct ter plekke moet plaatsvinden en dat blijkt niet uit de aanbestedingstukken. Verder gaat de door Exterion aangeboden maatregel om de verlichting tussen 01.00 en 05.00 uur volledig uit te schakelen verder dan vereist, maar stelt de Gemeente dat dit al uit de eisen blijkt. Exterion heeft voorts gekozen voor een goot en hemelwaterafvoer via de staander. De Gemeente stelt dat dit volgt uit een eis, terwijl de eis daartoe was vervallen. Wat betreft de subsidiaire vordering heeft te gelden dat is voldaan aan de eisen die artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) stelt. Exterion vermoedt dat RL beschikt over een kennisvoorsprong en zij wenst de genoemde stukken in te zien om dat in een eventuele bodemprocedure te kunnen aantonen. RL was kennelijk wel op de hoogte van de beoordelingswijze die de Gemeente hanteerde, maar die niet bleek uit de aanbestedingsstukken. Dit kan komen doordat RL heeft samengewerkt met een partij die eerder met de Gemeente heeft samengewerkt en kennelijk goed op de hoogte was van de ideeën van de Gemeente. Deze kennisvoorsprong bleek essentieel om te opdracht te winnen.

4.3.

De Gemeente en RL voeren verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.4.

RL heeft een voorwaardelijke vordering ingesteld voor het geval de voorzieningenrechter van oordeel is dat het instellen van een vordering vereist is voor toewijzing van de verzochte tussenkomst. Dat is niet het geval, zodat deze vordering geen beoordeling behoeft.

5 De beoordeling van het geschil

De verfijndheid van het ontwerp

5.1.

De voorzieningenrechter stelt vast dat uit de motivering van de gunningsbeslissing blijkt dat de Gemeente de verfijndheid van het ontwerp heeft meegewogen bij de beoordeling. Dat is overeenkomstig hetgeen in de aanbestedingsstukken staat vermeld. De verfijndheid is niet enkel neergelegd in twee eisen, zoals Exterion heeft gesteld, maar is in de toelichting bij subgunningscriterium b als een van de belangrijke aandachtspunten opgenomen. In NvI 1 is herhaald dat dit een van de vijf criteria is waar bij de beoordeling op zal worden gelet. Gelet daarop moest voor iedere goed geïnformeerde en normaal oplettende inschrijver duidelijk zijn dat dit bij de beoordeling een rol, en ook een belangrijke rol, zou spelen.

5.2.

Een aanknopingspunt voor de juistheid van de stelling van Exterion dat de beoordelingscommissie hieraan disproportioneel veel waarde heeft gehecht en hieraan een doorslaggevend belang heeft toegekend, terwijl dit maar één van de factoren was waarnaar gekeken zou worden, ziet de voorzieningenrechter niet. Weliswaar komt met name dit aspect in de motivering van de beoordeling naar voren, maar dat vloeit voorts uit het feit dat de Gemeente was gehouden om de score ‘matig’ te motiveren. Die score wordt gegeven als het ontwerp niet op alle vijf de criteria minimaal voldoet aan wat de aanbestedende dienst eist en wenst. Begrijpelijk is dan dat de Gemeente in de motivering de criteria eruit licht waaraan volgens haar niet is voldaan. Exterion kan dan ook niet worden gevolgd in dit bezwaar.

Ontwerp type Breestraat

5.3.

Ook ten aanzien van het bezwaar van Exterion ten aanzien van het ontwerp type Breestraat heeft te gelden dat de voorzieningenrechter geen aanknopingspunt ziet voor de juistheid van de stelling van Exterion. Exterion stelt dat het ontwerp voor het type Breestraat als uitgangspunt is genomen en klaarblijkelijk als basis had te gelden voor de beoordeling van de overige drie objecten en dat dat ontwerp kennelijk leidend en doorslaggevend is geweest bij de beoordeling. De omstandigheid dat er expliciet iets over dit ontwerp wordt gezegd in de toelichting bij de gunningsbeslissing kan echter naar oordeel van de voorzieningenrechter niet tot die conclusie leiden. De toelichting gaat over alle ontwerpen, waarna er nog een extra opmerking wordt gemaakt over het ontwerp voor het type Breestraat. Nu dat ook een van de ontwerpen is die aan de eisen moet voldoen, kan toevoeging van die tekst niet leiden tot de conclusie die Exterion daaraan verbindt.

5.4.

Exterion baseert de juistheid van haar stelling voor het overige volledig op hetgeen in het op 21 oktober 2019 gevoerde gesprek naar voren is gekomen, waarvan zij ook een gespreksverslag heeft overgelegd. Dat kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter evenmin voldoende onderbouwing van haar standpunt vormen. Hieruit kan enkel worden afgeleid dat het ontwerp type Breestraat als voorbeeld wordt genoemd, dat daarover wordt opgemerkt dat dit type niet passend is in de omgeving, dat dit ontwerp de basisvorming/grondvorm is (namelijk een middenstaander met een dak, en dat bij de andere ontwerpen daar een zij- en achterkant bij komt) en dat bij de beoordeling dus is gestart met het bekijken van het ontwerp type Breestraat. Dit komt de voorzieningenrechter zonder meer begrijpelijk voor en leidt niet tot de door Exterion getrokken conclusies. Ook aan dit bezwaar van Exterion wordt dus voorbij gegaan.

Verhoging kwaliteitsbeleving

5.5.

Uit de aanbestedingsstukken blijkt dat op dit gunningscriterium punten konden worden gescoord voor het aanbieden van extra functionaliteiten (zoals innovaties) en werkzaamheden bovenop de eisen, die primair de kwaliteitsbeleving van de reizigers en bezoekers verhogen. Daarbij gold dat onder meer hogere punten konden worden gescoord indien de functionaliteiten en werkzaamheden meer bijdragen aan de kwaliteitsbeleving van de reizigers en bezoekers.

Fijnstofsensoren

5.6.

Exterion heeft niet aannemelijk gemaakt dat op dit onderdeel een verzwaarde maatstaf is aangelegd. De voorzieningenrechter volgt de Gemeente en RL in hun betoog dat er op neer komt dat niet valt in te zien dat het enkel plaatsen van sensoren de kwaliteitsbeleving voor reizigers en bezoekers verhoogt. Deze versturen immers alleen data naar de Gemeente. Reizigers en bezoekers merken daarvan pas iets na mogelijk in de toekomst als gevolg van de ontvangst van de data door de Gemeente te treffen maatregelen. Het oordeel dat een dergelijke functionaliteit niet primair de kwaliteitsbeleving van reizigers en bezoekers verhoogt, acht de voorzieningenrechter dan ook niet onbegrijpelijk en overeenkomstig de beoordelingsmaatstaf die volgt uit de aanbestedingsstukken.

Statisch dimmen

5.7.

De Gemeente en RL hebben terecht gewezen op het door de Gemeente in de aanbestedingsstukken genoemde uitgangspunt dat er ’s nachts geen licht is. Gelet daarop valt niet in te zien waarom het aanbieden van een functionaliteit die ervoor zorgt dat er ’s nachts geen licht is, als een extra functionaliteit zou moeten worden aangemerkt. De omstandigheid dat de Gemeente in de aanbestedingsstukken een dimregime noemt voor het geval het uitgangspunt niet werkbaar is, maakt dat niet anders. Dat de Gemeente in dit opzicht bij de beoordeling een niet kenbare zwaardere eis heeft gesteld, kan dan ook niet worden aangenomen.

Hemelwaterafvoer

5.8.

Ook bij dit onderdeel valt niet in te zien dat en waarom de Gemeente een zwaardere of nieuwe eis heeft gesteld. De Gemeente heeft geoordeeld en – gezien de formulering van eis 3.5.20 (vermeld onder 3.6) en het antwoord in NvI 3 (vermeld onder 3.7) – ook in redelijkheid kunnen oordelen, dat bij de aangeboden functionaliteit van afvoer via de staander geen sprake is van een extra functionaliteit.

5.9.

Al hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de conclusie dat de primaire vordering moet worden afgewezen. Hierna zal daarom de subsidiaire vordering worden beoordeeld.

Verstrekken stukken

5.10.

Aan toewijzing van deze vordering staat op de eerste plaats in de weg dat Exterion door in te schrijven op de aanbesteding ermee heeft ingestemd dat inschrijvingen vertrouwelijk worden behandeld en uitsluitend worden getoond aan medewerkers die direct bij de aanbestedingsprocedure zijn betrokken. Daar komt bij dat de Gemeente op grond van de Aanbestedingswet gehouden is de door Exterion verzochte stukken niet openbaar te maken. Gelet op het voorgaande is voor een beroep van Exterion op artikel 843a Rv geen plaats. De vraag of aan de vereisten van dat artikel is voldaan – hetgeen de Gemeente en RL overigens ook gemotiveerd hebben betwist – kan dan ook onbesproken blijven. De voorzieningenrechter overweegt in dit verband wel nog dat Exterion haar vermoedens ten aanzien van de kennisvoorsprong van RL feitelijk niet anders heeft onderbouwd dan met de stelling dat hiervan wel sprake moet zijn, omdat RL zo goed heeft gescoord. Het enkele feit dat RL zich heeft laten bijstaan door een partij die vele jaren geleden een keer een (andere) opdracht voor de Gemeente heeft uitgevoerd kan immers bezwaarlijk als onderbouwing hiervan worden aangemerkt. In dit geding is de aanwezigheid van een kennisvoorsprong dan ook niet aannemelijk geworden. Ook deze vordering van Exterion is daarom niet voor toewijzing vatbaar.

5.11.

Exterion zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding van de Gemeente en ook van RL, nu Exterion in haar verhouding tot RL als de in het ongelijk gestelde partij moet worden aangemerkt. Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237).

6 De beslissing

De voorzieningenrechter:

6.1.

wijst het gevorderde af;

6.2.

veroordeelt Exterion in de proceskosten, tot dusver begroot aan de zijde van zowel de Gemeente als RL telkens op € 1.619,--, waarvan € 639,-- aan griffierecht en € 980,-- aan salaris advocaat;

6.3.

bepaalt dat de verschuldigde proceskosten dienen te worden voldaan binnen veertien dagen nadat dit vonnis is uitgesproken en dat – bij gebreke daarvan – daarover de wettelijke rente verschuldigd is;

6.4.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

6.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra - van Vliet en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2019.

ts