Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:14018

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-12-2019
Datum publicatie
31-12-2019
Zaaknummer
AWB 19/7599 (verzoek) en AWB 19/7598 (beroep)
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoek om administratieve overplaatsing in verband met meldplicht afgewezen, feitelijke handeling, eerst bezwaar maken, voorziening hangende bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 19/7599 (verzoek) en AWB 19/7598 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 december 2019 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster] , verzoekster,

V-nummer: [V-nummer] ,

gemachtigde: mr. M.M. Polman,

en

het Centraal orgaan opvang asielzoekers (COA), verweerder,

gemachtigde: mr. J.W. Kreumer.

Procesverloop

Bij e-mailbericht van 18 september 2019 is verzoekster door een medewerker van verweerder meegedeeld dat zij zich niet kan melden op een asielzoekerscentrum (AZC) in Rotterdam of omgeving.

Tegen dit besluit heeft verzoekster beroep ingesteld. Tevens heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat verzoekster administratief wordt overgeplaatst naar een AZC in Rotterdam of omgeving.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2019. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verzoekster is geboren op 10 juni 1989, heeft de Chinese nationaliteit en behoort tot de bevolkingsgroep van de [naam bevolkingsgroep] . Op 20 september 2018 heeft verzoekster een asielaanvraag ingediend, waarop (ondanks een door haar ingediend beroep niet tijdig beslissen) nog niet is beslist. De wekelijkse meldplicht vond aanvankelijk plaats op AZC Luttelgeest. Per 1 augustus 2019 moet verzoekster zich melden op de Procesopvanglocatie (POL) Budel. Bij mailbericht van 17 september 2019 heeft verzoekster verweerder verzocht haar administratief over te plaatsen naar een AZC in (de omgeving van) Rotterdam.

2. Verzoekster voert als reden voor haar verzoek aan dat zij op 2 juli 2019 is bevallen van een kindje. In het kader van haar recht op gezinsleven verblijft zij sinds september 2018 (met haar kind) bij haar echtgenoot in Spijkenisse. De echtgenoot is de vader van het kind. Hij is statushouder. Nu onduidelijk is wanneer verzoekster in de asielprocedure zal worden opgenomen is voor haar het meest gunstig om bij haar echtgenoot in Spijkenisse te verblijven en zich zolang op een AZC in (de omgeving van) Rotterdam te kunnen melden. Voor de reis naar Budel vertrekt zij om 7.00 uur van huis en is zij pas rond 21.00 uur weer thuis. Zij neemt haar kind, die zij borstvoeding geeft, met zich mee. Die situatie is voor haar onhoudbaar, zeker in de komende wintermaanden.

3. Verweerder heeft het verzoek van verzoekster afgewezen omdat zij op de POL te Budel kan verblijven. Verzoekster heeft er volgens verweerder zelf voor gekozen om op en neer te reizen tussen Spijkenisse en Budel.

4. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak.

Op grond van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak indien het verzoek wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

5. Het spoedeisend belang is tussen partijen terecht niet in geschil. Het op en neer reizen voor het voldoen aan de meldplicht is voor verzoekster en haar kind in toenemende mate (lichamelijk) zwaar, zeker in de komende wintermaanden waarin het vroeg donker wordt en het koud is.

6. De op verzoekster rustende meldplicht is gebaseerd op artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen (Rva). Dat artikellid bepaalt dat de asielzoeker die onderdak heeft in een opvangvoorziening verplicht is te voldoen aan de COA inhuisregistratie door zich wekelijks te melden bij het COA teneinde te kunnen vaststellen of hij nog in de opvangvoorziening verblijft en aanspraak maakt op opvangvoorzieningen.

7. Het is allereerst de vraag of hier sprake is van een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

7.1.

Volgens dat artikellid wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

7.2.

Naar het oordeel van voorzieningenrechter is in het geval van verzoekster geen sprake van een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Aan de afwijzing van het verzoek door verweerder op 18 september 2019 zijn geen rechtsgevolgen verbonden. Verzoekster heeft al op grond van artikel 9 van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen (Rva) recht op verstrekkingen gedurende de opvang. De afwijzing heeft hier geen verandering in gebracht. Na afwijzing van het verzoek van verzoekster om administratieve overplaatsing had zij nog steeds recht op verstrekkingen.

Dit betekent dat er geen beroep mogelijk is op grond van artikel 5 van de Wet Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (wet COA).

8. Vervolgens is het de vraag of sprake is van een feitelijke handeling als bedoeld in artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet (Vw).

8.1.

In dat artikellid is bepaald dat voor de toepassing van de betreffende afdeling van de Vw met een beschikking tevens gelijkgesteld wordt een handeling van een bestuurs-orgaan ten aanzien van een vreemdeling als zodanig.

Voor het aanmerken van een feitelijke handeling in die zin is vereist dat voor de vreemdeling geen andere adequate bestuursrechtelijke rechtsgang openstaat (vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 11 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3454, die verwijst naar de uitspraak van 21 juli 2015, ECLI:NL:RVS: 2015:2423).

In de parlementaire geschiedenis van artikel 3a (nu: artikel 5) van de wet COA staat onder meer het volgende:

“Uit de bewoordingen blijkt dat het voorgestelde artikel 3a uitsluitend beroep op de vreemdelingenrechter mogelijk maakt indien het besluit of de handeling het gevolg is van een beslissing op de aanvraag op grond van de Vreemdelingenwet 2000, anders gezegd, verband houdt met de van rechtswege intredende gevolgen van een (niet) inwilligende beschikking. In het geval verstrekkingen los van een beslissing op de aanvraag geheel of gedeeltelijk worden onthouden of beëindigd, bijvoorbeeld wegens overtreding van de huisregels, blijven de mogelijkheden van rechtsbescherming ongewijzigd. In die gevallen zal de bestuursrechter bevoegd zijn.” (Kamerstukken II 1999/2000, 26 975, nr. 3, p. 13 (MvT)).

8.2.

Tegen het door het COA beëindigen van opvang en verstrekkingen in verband met het afwijzen van de asielaanvraag kan beroep bij de vreemdelingenrechter worden ingesteld. Gaat het om het gedeeltelijk onthouden of beëindigen van verstrekkingen los van een beslissing op de asielaanvraag dan is de bestuursrechter bevoegd, zo blijkt uit de hiervoor aangehaalde parlementaire geschiedenis. In het geval van verzoekster gaat het om het afwijzen van een verzoek om administratieve overplaatsing naar Rotterdam of omgeving om de meldplicht daar te laten plaatsvinden. Deze afwijzing houdt geen verband met een beslissing op de asielaanvraag van verzoekster. Die aanvraag is namelijk nog in behandeling, waarbij onduidelijk is wanneer verzoekster zal worden gehoord. De afwijzing van het verzoek van verzoekster heeft ook niet, los van de behandeling van haar asielaanvraag, te maken met het gedeeltelijk onthouden of beëindigen van verstrekkingen.

8.3.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter staat er tegen het afwijzen van het verzoek van verzoekster geen andere adequate bestuursrechtelijke rechtsgang open en moet dit daarom als een feitelijke handeling worden aangemerkt waartegen beroep en bezwaar open staat. Dit ligt overigens ook voor de hand gelet op de toelichting bij artikel 19 van de Rva (Staatscourant 3 februari 2005, nr. 24), waar staat dat de asielzoeker het COA om dringende redenen kan verzoeken hem van zijn wekelijkse meldplicht te ontheffen en dat het COA een afwijzing van dit verzoek dient te motiveren. De voorzieningenrechter houdt het ervoor dat, als een asielzoeker kan verzoeken om hem te ontheffen van zijn meldplicht, hij ook kan verzoeken om zich ergens anders dan op het asielzoekerscentrum te mogen melden en dat het COA ook een beslissing daarover moet motiveren. Die motiveringsplicht van het COA impliceert naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat de asielzoeker de betreffende beslissing kan laten toetsen door de rechter. De voorzieningenrechter gaat er vanuit dat dat de bestuursrechter zal moeten zijn. De wetgever heeft met de uitbreiding van het besluitbegrip in artikel 72, derde lid, van de Vw beoogd te voorkomen dat bepaalde feitelijke handelingen ten aanzien van een vreemdeling als zodanig buiten het systeem van de rechtsbescherming van de Awb vallen, waardoor voor de burgerlijke rechter grond zou kunnen bestaan aanvullende rechtsbescherming te bieden (vgl. rechtsoverweging 3.2 van de uitspraak van de Afdeling van 21 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2423).

9. Nu op die manier aan verzoekster het recht is toegekend tegen de als beschikking aan te merken feitelijke handeling van verweerder van 18 september 2019 beroep bij de bestuursrechter in te stellen, dient op grond van artikel 7:1, eerste lid, van de Awb tegen dat besluit eerst bezwaar te worden gemaakt. De voorzieningenrechter zal daarom het beroepschrift van verzoekster van 4 november 2019 overdragen aan verweerder ter verdere behandeling als bezwaarschrift.

10. Daarmee is sprake van een verzoek om een voorlopige voorziening hangende bezwaar. Gelet op de specifieke omstandigheden van verzoekster treft de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening dat verzoekster zich vanaf 23 december 2019 meldt bij het AZC Beverwaard in Rotterdam.

11. Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter het beroep van verzoekster met toepassing van artikel 8:86 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren.

12. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    verklaart het beroep (AWB 19/7598) niet-ontvankelijk;

  • -

    draagt het beroepschrift van verzoekster van 4 november 2019 over aan verweerder om dit als bezwaarschrift te behandelen;

  • -

    treft hangende het bezwaar de voorlopige voorziening dat verzoekster zich vanaf 23 december 2019 meldt bij het AZC Beverwaard in Rotterdam;

  • -

    veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 1.024,-, te betalen aan verzoekster.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Bouter, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 16 december 2019.

griffier voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op 16 december 2019.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover is beslist op het beroep, binnen vier weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.