Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:13833

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-11-2019
Datum publicatie
24-12-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 7049, AWB 18_7050, AWB 18_7910
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres vormt vanaf april 2007 een fiscale eenheid voor de omzetbelasting met haar dochter, een BV. Deze dochter is als firmant toegetreden tot een VOF. De fiscale eenheid is in juli 2011 ontbonden. Uit de managementovereenkomst tussen eiseres en de BV volgt dat de directeur van eiseres tegen vergoeding ter beschikking wordt gesteld aan de BV ten behoeve van managementdiensten. Verweerder heeft naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd over de managementvergoedingen. In geschil is of de naheffingsaanslagen, boetebeschikkingen en rentebeschikkingen terecht en naar de juiste bedragen zijn vastgesteld. De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van een fiscale eenheid. De BV neemt enkel als vennoot deel in de VOF en verricht als zodanig geen zelfstandige economische activiteiten. Ten aanzien van de naheffingsaanslagen overweegt de rechtbank dat deze terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. Met betrekking tot de verzuimboetes ziet de rechtbank geen aanleiding deze verder te matigen en acht zij deze passend en geboden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2019/3010
FutD 2020-0027
Viditax (FutD), 24-12-2019
V-N 2020/11.24.18
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummers: SGR 18/7049, SGR 18/7050 en SGR 18/7910

uitspraak van de meervoudige kamer van 28 november 2019 in de zaken tussen

[eiseres] , gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. R. van der Waal),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Zaaknummer 18/7049

Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 4 februari 2016 over het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 december 2014 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd ten bedrage van € 51.022. Daarnaast is bij beschikking € 3.978 aan belastingrente in rekening gebracht en bij beschikking een verzuimboete van € 5.102 opgelegd.

Bij uitspraak op bezwaar van 5 oktober 2018 is de naheffingsaanslag gehandhaafd. De boetebeschikking is verminderd naar een bedrag van € 4.081.

Zaaknummer 18/7050

Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 4 februari 2016 over het tijdvak 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd ten bedrage van € 17.355. Bij beschikking is een verzuimboete van € 1.735 opgelegd.

Bij uitspraak op bezwaar van 5 oktober 2018 is de naheffingsaanslag gehandhaafd. De boetebeschikking is verminderd naar een bedrag van € 1.388.

Zaaknummer 18/7910

Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 19 februari 2016 over het tijdvak 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd ten bedrage van € 15.966. Daarnaast is bij beschikking € 2.198 aan heffingsrente in rekening gebracht en bij beschikking een verzuimboete van € 1.596 opgelegd.

Bij uitspraak op bezwaar van 23 november 2018 is de naheffingsaanslag verminderd naar een bedrag van € 7.983. De beschikking heffingsrente is verminderd naar een bedrag van
€ 1.099 en de boetebeschikking naar een bedrag van € 638.

Eiseres heeft tegen de hiervoor vermelde uitspraken op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2019.

Namens eiseres zijn haar gemachtigde en [A] , kantoorgenoot van de gemachtigde, verschenen. Namens verweerder zijn [B] ,
[C] en [D] verschenen.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres is op 1 januari 2004, tegelijkertijd met [B.V.] (de BV), opgericht. De BV is een 100% dochter van eiseres. [E] (de directeur) is directeur van eiseres en bezit 100% van de aandelen in eiseres.

2. Uit de managementovereenkomst tussen eiseres en de BV volgt dat eiseres de directeur, tegen een in onderling overleg vast te stellen vergoeding, ter beschikking stelt aan de BV ten behoeve van het verlenen van diverse managementdiensten. In de managementovereenkomst is opgenomen dat eiseres hiertoe een factuur aan de BV stuurt. Deze managementovereenkomst is voor onbepaalde tijd aangegaan.

3. Per 1 januari 2007 is de BV als firmant toegetreden tot de [VOF] (de VOF).

4. Eiseres en de BV vormden vanaf 1 april 2007 een fiscale eenheid voor de omzetbelasting (de fiscale eenheid). Naar aanleiding van een vragenformulier van verweerder heeft eiseres op 18 mei 2011 meegedeeld dat er geen belaste prestaties meer werden verricht door de fiscale eenheid. Hierop heeft verweerder bij besluit van 12 juli 2011 de fiscale eenheid met ingang van 1 juli 2011 ontbonden.

5. Eiseres heeft bij brief van 2 januari 2015 verzocht om de fiscale eenheid te herstellen. Bij beschikking van 20 april 2015 heeft verweerder dit verzoek afgewezen. Hierbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de BV geen ondernemer is voor de omzetbelasting aangezien haar enige activiteit bestaat uit het zijn van firmant in de VOF. Tegen deze afwijzing heeft eiseres bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar van
20 oktober 2015 is dat bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres heeft hiertegen geen beroep ingesteld.

6. In de brief van 2 januari 2015 heeft eiseres onder meer het volgende vermeld:

“Er werden en worden nog steeds door de Holding managementprestaties verricht ten behoeve van de dochtermaatschappij. Daar wordt ook steeds een vergoeding voor in rekening gebracht.”

Naar aanleiding hiervan heeft verweerder eiseres onder meer verzocht informatie te verstrekken over de bedragen die door haar vanaf 1 juli 2011 voor die managementprestaties in rekening zijn gebracht.

7. Bij brief van 18 mei 2015 heeft verweerder aangekondigd naheffingsaanslagen op te gaan leggen over de managementvergoedingen. Verweerder is bij de berekening hiervan uitgegaan van de netto-omzetten van € 100.000 per jaar zoals die blijken uit de door eiseres ingediende aangiften vennootschapsbelasting (vpb) over de jaren 2010 tot en met 2013. Bij brief van 2 november 2015 heeft verweerder zijn voornemen tot het opleggen van de naheffingsaanslagen herhaald en heeft hij eiseres (nogmaals) de gelegenheid gegeven bescheiden te overleggen waaruit een andere vergoeding blijkt dan die omzetten. Bij brief van 3 november 2015 heeft eiseres een mutatieoverzicht in het firmakapitaal van de VOF over de jaren 2010 tot en met 2014, enkele grootboekkaarten van de VOF en het firmacontract toegestuurd. In deze brief verklaart eiseres verder dat er geen facturen werden uitgereikt voor de managementvergoeding, dat die vergoeding slechts moet worden beschouwd als een kostentoerekening van de VOF en dat de BV slechts als doorgeefluik fungeert van het aandeel in de VOF naar eiseres. Uiteindelijk heeft verweerder op 4 en
19 februari 2016 de onderhavige naheffingsaanslagen opgelegd.

8. Bij de uitspraak op bezwaar van 23 november 2018 is de naheffingsaanslag over het tijdvak 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 verminderd omdat daarin ten onrechte ook de periode is begrepen vóór de ontbinding van de fiscale eenheid. De heffingsrente en de verzuimboete zijn evenredig verminderd. Daarnaast is de boete in verband met overschrijding van de redelijke termijn met 20% verminderd.

9. Bij de uitspraken op bezwaar van 5 oktober 2018 zijn de naheffingsaanslagen met betrekking tot de tijdvakken 2012 tot en met 2015 gehandhaafd. De boetes zijn in verband met overschrijding van de redelijke termijn met 20% verminderd.

Geschil
10. In geschil is of de naheffingsaanslagen, de boetebeschikkingen en de rentebeschikkingen terecht en naar de juiste bedragen zijn vastgesteld.

11. Eiseres stelt zich primair op het standpunt dat de fiscale eenheid abusievelijk is verbroken. Door deze verbreking is de ongewenste situatie ontstaan dat verweerder naheffingsaanslagen omzetbelasting heeft opgelegd. Tijdens het hoorgesprek van
20 augustus 2015 is volgens eiseres het vertrouwen gewekt dat de bezwaren gehonoreerd zouden worden. Subsidiair stelt eiseres dat de naheffingsaanslagen op een te hoog bedrag zijn vastgesteld aangezien verweerder ten onrechte is uitgegaan van de omzetbedragen van
€ 100.000 zoals vermeld in de aangiften vpb. Meer subsidiair voert eiseres aan dat door de rol en houding van verweerder de heffings- en belastingrente onnodig hoog uitvalt en dat sprake is van strijd met de redelijkheid en billijkheid.

12. Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een fiscale eenheid voor de omzetbelasting tussen eiseres en de BV. De BV is geen ondernemer voor de omzetbelasting aangezien haar enige activiteit bestaat uit het zijn van vennoot in de VOF. Uit de managementovereenkomst en de verklaring van gemachtigde volgt dat eiseres in onderhavige tijdvakken managementdiensten heeft verricht aan de BV. De omzet die is vermeld in de aangiften vpb kan enkel betrekking hebben op die managementdiensten. De naheffingsaanslagen zijn daarop gebaseerd en dus op de juiste bedragen vastgesteld. De verzuimboetes zijn terecht opgelegd aangezien eiseres de verschuldigde omzetbelasting niet op aangiften heeft voldaan. Wegens overschrijding van de redelijke termijn zijn de verzuimboetes verminderd met 20%. Dit is meer dan op basis van de jurisprudentie gebruikelijk is. De heffings- en belastingrente is berekend overeenkomstig de wettelijke bepalingen. De hoogte van de rente is niet toe te rekenen aan de opstelling van verweerder. Eiseres wist immers al medio 2011 dat geen sprake meer was van een fiscale eenheid. Tenslotte weerspreekt verweerder dat sprake is van gewekt vertrouwen.

Beoordeling van het geschil

Fiscale eenheid

13. Eiseres heeft geen beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van 20 oktober 2015 inzake de fiscale eenheid. Hierdoor staat deze beschikking onherroepelijk vast. Naar het oordeel van de rechtbank is ook overigens materieel gezien geen sprake van een fiscale eenheid. Om deel uit te kunnen maken van een fiscale eenheid in de zin van artikel 7, vierde lid van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) moet de BV ondernemer zijn oftewel belastingplichtige. Daarvan is sprake wanneer de BV economische activiteiten verricht. Het enkel als vennoot deelnemen in een VOF is als zodanig geen zelfstandige economische activiteit (vgl. het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 juli 2015, zaak C108/14, Beteiligungsgesellschaft Larentia + Minerva mbH & Co. KG, ECLI:EU:C:2015:496). De economische activiteiten worden verricht door de VOF en niet (langer) door de BV. De eventuele aan de BV door de VOF uit te keren bedragen, zijn het aandeel van de BV in de winst die de VOF met haar economische activiteiten realiseert. Nu de BV geen ondernemer is voor de omzetbelasting kan zij geen deel uitmaken van een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 7, vierde lid, Wet OB.

Naheffingsaanslagen

14. De bewijslast dat sprake is van belaste prestaties door eiseres en dat de naheffingsaanslagen niet op te hoge bedragen zijn vastgesteld, rust op verweerder. Vast staat dat de directeur tegen vergoeding door eiseres is uitgeleend aan de BV. Dit volgt uit de managementovereenkomst, die niet is gewijzigd of ingetrokken en dus ook nog van toepassing was toen de BV vennoot werd in de VOF. Ook in de bij 6 aangehaalde brief van 2 januari 2015 wordt verklaard dat er tegen vergoeding door eiseres managementprestaties werden en worden verricht ten behoeve van de BV. Met deze stukken heeft verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat eiseres belaste prestaties voor de omzetbelasting heeft verricht en dat zij vanaf 1 juli 2011 de daarover verschuldigde omzetbelasting op aangiften had moeten voldoen. Het ligt dan vervolgens op de weg van eiseres om aannemelijk te maken dat aan de managementovereenkomst voorbij moet worden gegaan. De enkele stelling van eiseres in haar brief van 3 november 2015 dat de BV slechts als doorgeefluik fungeerde tussen haar en de VOF, is daarvoor onvoldoende. Dat volgens eiseres geen facturen zijn uitgereikt, betekent evenmin dat er geen omzetbelasting verschuldigd is over de vergoedingen die eiseres voor de managementprestaties heeft ontvangen.

15. Voor wat betreft de hoogte van de naheffingsaanslagen overweegt de rechtbank het volgende. Verweerder heeft eiseres diverse malen verzocht om informatie te verstrekken over de door haar ontvangen managementvergoedingen en meegedeeld dat hij, zonder die informatie, zal uitgaan van de omzetten vermeld in de aangiften vpb. Aangezien de aangiften vpb door eiseres zijn ingediend en daartegen, zoals verweerder onweersproken heeft gesteld, geen bezwaar is gemaakt, kon en mocht verweerder van die aangiften uitgaan. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat eiseres aannemelijk maakt dat de omzet zoals zij die heeft vermeld in haar aangiften vpb onjuist is. Dit geldt te meer aangezien eiseres heeft verklaard dat de enige omzet van de Holding wordt verkregen uit het uitlenen van haar directeur, zodat de in de aangiften vpb opgenomen omzet enkel daar betrekking op kan hebben. Uit de bij haar brief van 3 november 2015 gevoegde gegevens blijkt niet welke bedragen eiseres voor haar managementprestaties heeft ontvangen noch dat de omzet zoals opgenomen in haar aangiften vpb onjuist is. De stelling dat slechts sprake is van een administratieve toerekening van kosten in de VOF aan eiseres via de BV, is daarvoor onvoldoende. Gelet op het voorgaande zijn de naheffingsaanslagen terecht en, na bezwaar, tot de juiste bedragen opgelegd.

16. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij aan de uitlatingen van verweerder bij het gesprek van 20 augustus 2015 het vertrouwen kon ontlenen dat aan haar bezwaar tegemoet zou worden gekomen. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat dit gesprek betrekking had op het bezwaar tegen de beslissing van verweerder inzake de vorming van de fiscale eenheid en dat de naheffingsaanslagen toen nog niet waren opgelegd.

Rente

17. Niet in geschil is dat de heffingsrente en de belastingrente is berekend overeenkomstig de wettelijke bepalingen. Eiseres heeft, tegenover de gemotiveerde weerspreking door verweerder, niet aannemelijk gemaakt dat als gevolg van het handelen of nalaten van verweerder de periode waarover de rente is berekend onnodig lang is.

De stelling van eiseres dat de renteberekening in strijd is met de redelijkheid en billijkheid kan haar niet baten. Op grond van artikel 11 van de Wet algemene bepalingen, is het de rechter niet toegestaan de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te beoordelen, behoudens voor zover de wettelijke regeling in strijd zou zijn met een ieder verbindende verdragsbepalingen. Gesteld noch gebleken is dat dit in onderhavige zaak het geval is.

Boetes

18. Op grond van artikel 67c, eerste lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) in samenhang met paragraaf 24 van het Besluit Bestuurlijke Boete Belastingdienst, kan de inspecteur een boete van 10% van de verschuldigde belasting opleggen wanneer de belasting die op aangifte moet worden voldaan, niet is betaald. Voor het opleggen van deze verzuimboete is niet vereist dat de belastingplichtige een verwijt kan worden gemaakt van het te weinig betalen van de belasting. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat eiseres de verschuldigde belasting niet op haar aangiften heeft voldaan zodat verweerder de verzuimboetes overeenkomstig de wettelijke bepalingen heeft opgelegd. Tussen partijen is ook niet in geschil dat de verzuimboetes terecht aan eiseres zijn opgelegd. Verweerder heeft in de bezwaarfase de verzuimboetes met 20% verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank ziet geen aanleiding de verzuimboetes verder te matigen en acht, gelet op de aard van de overtreding en de omstandigheden van het geval, de boetes passend en geboden.

19. Gelet op wat hiervoor is overwogen dienen, de beroepen ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

20. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, voorzitter, en mr. E. Kouwenhoven en
mr. H.W.M. van Kesteren, leden, in aanwezigheid van mr. B. van Eeuwijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 november 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.