Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:13722

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-02-2019
Datum publicatie
19-12-2019
Zaaknummer
NL18.25212
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verblijfsgat, asielaanvraag, ontbreken aanvraagformulier, loket IND, gegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.25212


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] 1990, van Iraanse nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. D. Rezaie),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Jansen)


Procesverloop
Bij besluit van 15 augustus 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingewilligd met 14 juni 2018 als ingangsdatum van de verblijfsvergunning.

Eiser heeft op 14 september 2018 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft op 24 december 2018 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was aanwezig A. Afkari, tolk in de taal Farsi. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Achtergrond van de zaak

1.1

Eiser heeft met ingang van 29 mei 2013 een asielvergunning voor bepaalde tijd gekregen. Deze was geldig tot 29 mei 2018.

1.2

Dit beroep gaat over de aanvraag van eiser tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Verweerder heeft 14 juni 2018 als ingangsdatum van de vergunning genomen omdat dat volgens hem de datum is waarop eiser zijn aanvraag heeft ingediend. Omdat eisers asielvergunning voor bepaalde tijd afliep op 29 mei 2018, ontstaat daarmee een verblijfsgat.

1.3

De rechtbank stelt de volgende feiten als gesteld en niet bestreden vast.

Op 28 februari 2018 is door verweerder een brief gestuurd aan eiser met de volgende inhoud:

Geachte [eiser] ,

Op 29 mei 2018 loopt de geldigheidsduur van uw verblijfsvergunning af. U

kunt één van de volgende aanvragen indienen:

– Verlenging van uw huidige verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd;

– Asiel voor onbepaalde tijd;

– EU langdurig ingezetene.

Belangrijk dat u uw aanvraag tijdig indient

Wanneer is uw aanvraag tijdig ingediend? Uw aanvraag is tijdig ingediend als de IND uw aanvraag ontvangt voordat de geldigheidsduur van uw

verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verlopen. Als u uw aanvraag niet tijdig indient kan dit grote gevolgen hebben. Dit kan namelijk tot gevolg

hebben dat de sociale voorzieningen die u ontvangt worden stopgezet. Ook zal de IND een intrekkingsprocedure starten wanneer u te laat bent met het

indienen van uw aanvraag omdat de IND er dan vanuit gaat dat u geen gebruik meer wenst te maken van het recht in Nederland te verblijven. U kunt

dan uw recht op bescherming in Nederland verliezen.

Ik adviseer u dan ook de aanvraag zo spoedig mogelijk na ontvangst van deze brief in te dienen.

Digitaal indienen

U kunt uw aanvraag snel en makkelijk online indienen via www.ind.nl. Hiervoor hebt u een DigiD met sms-code nodig. De eventuele kosten voor de aanvraag

betaalt u via iDEAL.

Hebt u minderjarige kinderen met een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd? Dan kunt u mogelijk ook voor uw kinderen online een aanvraag indienen.

Hebt u nog geen DigiD met sms-code? Ga dan naar www.digid.nl en vraag deze aan.

Schriftelijk indienen

Dient u de aanvraag liever schriftelijk in, dan kunt u het aanvraagformulier downloaden van de website van de IND: www.ind.nl. Op de homepage gaat u

naar “Formulieren en brochures”. Hier vindt u alle beschikbare formulieren en brochures gesorteerd op thema. Na het indienen van de aanvraag ontvangt u

een verzoek om de eventuele kosten voor de aanvraag te betalen.

Hoogachtend,

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

1.4

Eiser heeft ter zitting meegedeeld dat hij de brief van 28 februari 2018 nooit heeft ontvangen. Verweerder heeft meegedeeld dat de brief niet aangetekend is verzonden, maar wel naar het juiste adres. De verzendadministratie geeft volgens verweerder aan dat de brief op 28 februari 2018 is verzonden. Eiser heeft bevestigd dat het adres waarnaar verweerder de brief heeft gestuurd het correcte adres is en dat hij daar feitelijk woont. Eiser heeft verder gesteld dat hij de brief desondanks niet heeft ontvangen en dat de inhoud hem niet bekend is.

1.5

Eiser is op 17 april 2018 naar het loket van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in Utrecht is geweest. Hij heeft daar zijn biometrische gegevens (vingerafdrukken, pasfoto’s en handtekening) afgegeven. Ter zitting heeft eiser meegedeeld dat hij naar het loket was gegaan om zijn asielvergunning voor bepaalde tijd te laten omzetten naar een asielvergunning voor onbepaalde tijd.

1.6

Tevens staat vast dat eiser alleen bij het loket was en dat hij enige beheersing van de Nederlandse taal heeft, maar dat hij niet vloeiend Nederlands spreekt. Desgevraagd heeft eiser meegedeeld dat hij zich niet herinnert of tegen hem gezegd is door de loketmedeweker dat hij, na het afgeven van de biometrische gegevens, ook een formulier moest invullen. Na het afgeven van de biometrische gegevens is eiser naar huis gegaan, in de veronderstelling dat hij zijn aanvraag correct had ingediend.

1.7

Kort na het bezoek van eiser aan het loket, is de broer van eiser [medio] 2018 overleden ten gevolge van een auto-ongeluk. Het overlijden van de broer van eiser is onderbouwd met een (vertaalde) overlijdensakte. Eiser heeft ter zitting toegelicht dat hij na het overlijden van zijn broer intens verdriet heeft ervaren en dat hij daarom ongeveer een maand niet heeft gewerkt. Het verlies had hem volledig in beslag genomen. Desgevraagd heeft eiser meegedeeld dat hij in die periode niet bezig is geweest met zijn verblijfsvergunning, omdat hij andere dingen aan zijn hoofd had.

1.8

Op 29 mei 2018 is eisers verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verlopen.

1.9

Eiser heeft zich na ongeveer een maand na het overlijden van zijn broer herpakt. Hij is toen weer aan het werk gegaan. Hij realiseerde zich toen dat hij, hoewel hij aan het loket was geweest, nog geen nieuw verblijfsdocument had ontvangen. Hij heeft toen met hulp van een vriend direct contact gezocht met de IND. Dit contact vond plaats op 8 juni 2018. Op 11 juni 2018 heeft eiser een ingevuld aanvraagformulier overgelegd.

Het standpunt van eiser

2.1

Eiser heeft het volgende aangevoerd. De te late indiening van het aanvraagformulier is niet aan eiser te wijten. Eiser is in de omgekeerde volgorde te werk gegaan; hij heeft eerst zijn biometrische gegevens afgegeven aan het loket, terwijl hij volgens de werkwijze van verweerder eerst het aanvraagformulier moet invullen. Volgens verweerders werkwijze dient de vreemdeling pas nadat dit aanvraagformulier is opgestuurd, naar een IND-loket te gaan om zijn biometrische gegevens af te laten nemen. Dit volgt uit het aanvraagformulier zelf en uit het verweerschrift van 24 december 2018. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder het hem niet kwalijk mag nemen dat hij in de omgekeerde volgorde te werk is gegaan. Hij was met een duidelijk doel naar het loket afgereisd, te weten het aanvragen van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Dat eiser bij het loket eerst zijn biometrische gegevens liet afnemen terwijl hij nog geen aanvraagformulier had ingediend, had voor de loketmedewerker aanleiding moeten geven om eiser over het ontbrekende formulier te informeren. Eiser kan zich niet herinneren dat dit is gebeurd, hij heeft in ieder geval niet begrepen dat hij ook een aanvraagformulier diende te overleggen.

2.2

Verder heeft eiser aangevoerd dat hij veel verdriet had om het overlijden van zijn broer en dat hij er daarom pas laat achter kwam dat zijn aanvraag niet compleet was. In samenhang bezien met de omstandigheden benoemd in rechtsoverweging 2.1, leidt dit er volgens eiser toe dat de niet-tijdige indiening van de aanvraag verschoonbaar moet worden geacht. Dit zou betekenen dat de ingangsdatum van de asielvergunning voor onbepaalde tijd op 29 mei 2018 moet worden gesteld.

Het standpunt van verweerder

3.1

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het aan eiser is toe te rekenen dat hij te laat zijn aanvraag heeft ingediend. Hierbij heeft verweerder het van belang geacht dat op 28 februari 2018 een brief aan eiser is gestuurd met duidelijke instructies voor het indienen van een aanvraag. In deze brief staat duidelijk vermeldt dat voor de verlenging een aanvraagformulier moest worden ingevuld. Dat eiser bij het IND-loket is geweest om zijn foto’s, vingerafdrukken en handtekening voor de nieuwe aanvraag te laten registreren, doet niet af aan het feit dat het aanvraagformulier niet tijdig is ingevuld. Verweerder betwist dat er sprake is van een vaste volgorde. Het kan zijn dat de loketmedewerker eiser wel degelijk heeft gewezen op het ontbreken van het aanvraagformulier maar dat eiser – die alleen en niet volledig de Nederlandse taal machtig aan het loket is verschenen - dit niet goed heeft begrepen. Het had op de weg van eiser gelegen om hulp te vragen bij het indienen van de aanvraag, des te meer omdat hij de Nederlandse taal niet goed beheerst. Dat eiser deze hulp niet tijdig heeft ingeroepen, komt voor zijn rekening en risico.

3.2

Verweerder heeft verder naar voren gebracht dat het overlijden van de broer van eiser [medio] 2018 niet kan worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die maakt dat het te laat indienen van het aanvraagformulier eiser niet kan worden toegerekend. Eiser was immers door de brief van verweerder op 28 februari 2018 al op de hoogte dat de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning zou aflopen. Dat eiser door zijn psychische toestand niet in staat zou zijn geweest om de asielvergunning voor onbepaalde tijd aan te vragen, is niet onderbouwd met (medische) stukken.

Het oordeel van de rechtbank

4.1

De rechtbank stelt vast dat verweerder de brief van 28 februari 2018 naar het juiste adres heeft verstuurd. Dat eiser de brief niet zou hebben ontvangen, komt voor zijn rekening en risico.

4.2

Eiser heeft, omdat hij genoemde brief niet heeft ontvangen, de eerste stap in het aanvraagproces, bestaande uit het indienen van een aanvraagformulier, overgeslagen. Eiser heeft wel de tweede stap van het aanvraagproces gezet. Vast staat immers dat eiser op 17 april 2018 naar het IND-loket is afgereisd en dat hij daar zijn vingerafdrukken, pasfoto’s en handtekening heeft afgegeven.

4.3

De rechtbank houdt het er voor dat eiser met het door hem genoemde doel - dat wil zeggen het indienen van een aanvraag van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd - aan het loket van de IND in Utrecht is verschenen op 17 april 2018. De rechtbank ziet op basis van het dossier ook niet in voor welk ander doel eiser naar het loket zou zijn gekomen om foto’s, vingerafdrukken en een handtekening te laten registreren.

4.4.

Uit het dossier blijkt niet dat eiser, toen hij bij het loket was, door een loketmedewerker is geïnformeerd over het ontbreken van het aanvraagformulier. De stelling van verweerder dat niet kan worden uitgesloten dat de loketmedewerker eiser wel degelijk heeft geïnformeerd over het ontbreken van het aanvraagformulier, volgt de rechtbank niet. De rechtbank overweegt hiertoe dat eiser in ieder geval niet begrepen heeft dat hij dit formulier nog moest invullen. Dit had dan aan het loket moeten worden opgemerkt. De loketmedewerker had duidelijk moeten navragen bij eiser waarom het aanvraagformulier ontbrak. Ook had duidelijk gemaakt moeten worden dat het invullen van het aanvraagformulier noodzakelijk is voor het afronden van het aanvraagproces. Van communicatie aan het loket over het ontbreken van het aanvraagformulier is niet gebleken, terwijl dit wel op verweerders weg had gelegen. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder onzorgvuldig gehandeld heeft.

4.5

Ten aanzien van de omstandigheid dat eisers broer vlak na het verlopen van zijn verblijfsvergunning is overleden en de betekenis van die omstandigheid voor deze zaak oordeelt de rechtbank als volgt. Dat de broer van eiser is overleden, staat onbetwist vast. Dat eiser rouwt om zijn overleden broer en dat hij daarom niet meer bezig was met het verdere verloop van zijn aanvraag, vindt de rechtbank zeer aannemelijk. Het standpunt van verweerder dat deze omstandigheid niet leidt tot een verschoonbare termijnoverschrijding, kan in redelijkheid niet gevolgd worden door de rechtbank. Overigens constateert de rechtbank ook dat eiser kort na het verlopen van de oude verblijfsvergunning geprobeerd heeft om zijn fout alsnog te herstellen. Hij heeft zelf opnieuw contact opgenomen met het IND-loket en direct hierna het aanvraagformulier ingevuld en opgestuurd. Dit is gebeurd op 14 juni 2018.

4.6

Naar het oordeel van de rechtbank maken de hierboven benoemde omstandigheden – het ontbreken van communicatie over het aanvraagformulier bij het IND-loket en het overlijden van de broer van eiser – in samenhang bezien dat verweerder niet in redelijkheid het standpunt heeft kunnen innemen dat de termijnoverschrijding van veertien dagen niet verschoonbaar is.

4.7

De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd. Gelet op het voorgaande zal verweerder bij een nieuw te nemen besluit geen ander besluit kunnen nemen dan een besluit waarin de ingangsdatum van de aan eiser verleende verblijfsvergunning is bepaald op 30 mei 20181. De rechtbank zal daarom met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het primaire besluit herroepen en bepalen dat de ingangsdatum van de aan eiser verleende verblijfsvergunning wordt vastgesteld op 30 mei 2018.

4.8

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024 ,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512,--, en een wegingsfactor 1). Als aan eiser een toevoeging is verleend, dan moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener.

Beslissing

De rechtbank:

-
verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het primaire besluit;

- bepaalt dat de ingangsdatum van de aan eiseres verleende vergunning 30 mei 2018 is;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.024,--.


Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.S. Kempers, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Gelet op artikel 44, vijfde lid van de Vreemdelingenwet 2000.